RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05/880822-14 Datum uitspraak : 19 september 2019 Tegenspraak vonnis van de meervoudige strafkamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] . raadsman: mr. R.A.C Frijns, advocaat te Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 augustus 2019 en 5 september 2019. 1De bevoegdheid van de rechtbank Het aan verdachte ten laste gelegde betreffen economische delicten. Op grond van artikel 38 Wet op de economische delicten (WED) worden economische delicten behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). In artikel 52 van de Wet RO staat vermeld dat het bestuur voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige economische kamers vormt. In artikel 4 van het Bestuursreglement van de rechtbank Gelderland is opgenomen dat degenen die deel uitmaken van een cluster dat is belast met de behandeling van economische strafzaken, zijn aangewezen als lid van de enkelvoudige en meervoudige economische kamers. Op de dagvaarding staat niet expliciet vermeld dat verdachte is gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer. Desondanks is de zaak aangebracht en behandeld door de kamer die gebruikelijk ook economische strafzaken behandelt. Nu feitelijk een meervoudige economische kamer kennis heeft genomen van de ten laste gelegde feiten en de rechtbank niet is gebleken dat verdachte op enige wijze in zijn belangen is geschaad, is de rechtbank van oordeel dat zij, ondanks dat dit niet expliciet op de dagvaarding staat vermeld, bevoegd is om als economische kamer kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten. Hiermee wordt recht gedaan aan de achterliggende gedachte van de wetgever, namelijk dat economische delicten worden behandeld door een daartoe kundige kamer van de rechtbank. Uitzondering hierop vormt het onder 5 ten laste gelegde feit (vuurwapenbezit) nu dit feit geen samenhang als bedoeld in artikel 39 van de WED vertoont met de ten laste gelegde economische delicten. De rechtbank verklaart zich ten aanzien van dat feit daarom onbevoegd. 2De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegd dat: 1. [bedrijf 1] , op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning (telkens) aan verschillende personen) (een) krediet(
(3x)dat weet ik [verdachte] : Maar die gaan we.. alles lopen we even na en dan doen we in één keer.. iedereen een smsje of een belletje of effentjes wat ze allemaal moeten en dan komt het allemaal goed. Goed?” Op 31 augustus 2015 belt [betrokkene 14] met [verdachte] : “ [betrokkene 14] : Zeg maar wanneer jou het beste uitkomt. (….) [verdachte] : Nee ik moet even ’s morgens naar de tandarts half negen ik ben om elf uur bij jou [betrokkene 14] : dan maken we samen die contracten [verdachte] : ja is goed.” Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat [betrokkene 14] en [verdachte] nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt en dat zij allebei vanaf de oprichting van het bedrijf feitelijk leiding hebben gegeven aan [bedrijf 1] . Cliënten kwamen via zowel [betrokkene 14] als [verdachte] bij [bedrijf 1] terecht. Zij sloten allebei contracten af en bespraken de stand van zaken met betrekking tot de leningen en de betalingen met elkaar. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het medeplegen van het feitelijk leidinggeven aan de verboden gedragingen. Feit 3 Aanleiding onderzoek In februari 2014 kwam een melding binnen bij het Team Criminele Inlichtingen en in augustus 2014 een melding bij Meld Misdaad Anoniem. De strekking van de meldingen was dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich met illegale lotto bezig houden in Nijmegen en omgeving. Naar aanleiding hiervan werd nader onderzoek ingesteld. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gelegenheid geven tot het spelen van een illegale lotto, zoals ten laste is gelegd onder feit 3. Hij heeft dit tezamen en in vereniging met anderen gedaan en hij heeft hiervan een gewoonte gemaakt. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat uit het dossier niet is gebleken wat verdachte in de woning bij [medeverdachte 1] deed. Ook volgt niet uit het dossier dat verdachte diverse adressen bezocht in verband met illegale lottospelen. Voorts zijn de verklaringen die getuige [getuige 1] heeft afgelegd gebaseerd op aannames. Terughoudendheid in het gebruik van deze verklaringen is daarom geboden. Over de aangetroffen emmer op het terrein van verdachte − met daarin papiersnippers die tot lottobriefjes, tabellen en namenlijsten konden worden gereproduceerd − heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet vast is komen te staan dat de gevonden papieren te maken hebben met de illegale lotto. Ook kan verdachte niet in verband worden gebracht met de emmer. De in de emmer aangetroffen loten en papieren kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat verdachte enige rol van betekenis heeft gespeeld in de illegale lotto kan niet worden bewezen zodat vrijspraak dient te volgen. Beoordeling door de rechtbank Medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden in de bewijsoverweging aangeduid bij hun achternamen. Op 10 april 2016 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden. In de tuin, op een terras naast de keuken van de woning van verdachte in Afferden, werd in een emmer een omvangrijke partij (ruim 1600) ingevulde lottobriefjes en papiersnippers aangetroffen. De lottobriefjes hadden de onderscheidende opdruk “6 aus 49” en “6 uit 45” en “Duitse Combi Lotto – Holl Combi Lotto.” Twee uit de aangetroffen papiersnippers gereproduceerde documenten betreffen gedeeltes van Lotto-totaallijsten, waarvan op één lijst de datum 2 april 2016 vermeld staat. Ook op de aangetroffen ingevulde lottobriefjes staat de datum 2 april 2016 vermeld. Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] in Nijmegen waren naast [medeverdachte 1] zelf, ook verdachte en [medeverdachte 2] aanwezig. Bij die doorzoeking werden blanco en ingevulde lottobriefjes, € 12.500,- aan contant geld in een kluis, € 672,70 aan kleingeld en doormidden gescheurde formulieren aangetroffen. De formulieren betreffen namenlijsten. Op één van deze namenlijsten staat vermeld: “de Duitse lotto 6 uit 49” met daarop handgeschreven de uitslag van de Duitse lotto “6 aus 49” van zaterdag 9 april 2016. In het souterrain van de woning van [medeverdachte 1] was onder andere een kantoorruimte ingericht. Op een tafel in deze ruimte lagen o.a. lottoformulieren en een rekenmachine. In de woning van [medeverdachte 2] in Nijmegen werden onder andere aangetroffen: blanco lottoboekjes, een usb-stick en diverse namenlijsten, waaronder een lijst met namen van ‘lopers’ en een lijst met 674 namen met daarop vermeld: “de Duitse lotto 6 uit 49.” Op de usb-stick werden meerdere Excel-rekenbestanden aangetroffen. Het bestand genaamd ‘kopie van controlelijst’ was op zaterdag 9 april 2016 om 20.44 uur voor het laatst gewijzigd. Dit rekenbestand bleek zodanig ingericht dat de opgenomen lottospelers, na de invoer van de uitslagen van de legale Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen, eenvoudig als prijswinnaars konden worden geselecteerd. [getuige 2] heeft verklaard dat hij een deel van de loterij organiseerde. Hij had ongeveer zes klanten en bracht wekelijks 100 à 110 briefjes naar [medeverdachte 1] . Ook verklaarde [getuige 2] dat hij bedoeld wordt met de vermelding AK NO: 6, zoals dit staat vermeld op een serie lottobriefjes “6 aus 49” die in de in beslag genomen emmer uit de tuin van verdachte zijn aangetroffen. Hij is in februari 2015 begonnen met spelen en is een maand of acht à negen, bijna een jaar lang met de boekjes bezig geweest. [getuige 1] heeft verklaard dat, voor zover hij weet, de lotto van verdachte is. Al 20 jaar krijgt hij zijn boekjes van verdachte. [getuige 1] speelde wekelijks mee, hij vulde iedere week 12 of 15 briefjes in. Verdachte haalde de briefjes iedere zaterdag voor de trekking op, dit was tussen 15:30 en 16:00 uur. Dan liep [getuige 1] naar beneden en gaf de briefjes aan verdachte. Hij heeft de envelop ook wel eens uit het raam gegooid. De trekking van zowel de Hollandse als de Duitse lotto is op zaterdagavond te zien op TV. Als hij had gewonnen kwam verdachte zondags tussen 10:00 uur en 12:00 uur een envelop met geld brengen.Als verdachte op vakantie was, nam [medeverdachte 1] de zaken waar. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij enkele keren per jaar boekjes drukte voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Omstreeks het jaar 2006 vroeg [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] lottoformulieren voor hem wilde drukken. [medeverdachte 3] wist dat het niet om de legale lotto ging. [medeverdachte 3] heeft ongeveer 10 jaar lang voor [medeverdachte 2] gedrukt. Hij weet niet precies meer hoe lang hij voor [medeverdachte 1] heeft gedrukt, hij denkt een jaar of acht. De laatste bestelling is in april 2014 geweest. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestelden formulieren die betrekking hadden op de Nederlandse en Duitse lotto. Op 4 februari 2015 is plaatsbepalingsapparatuur geplaatst in de Porsche Panamera van verdachte. Tussen 4 februari 2015 en 27 november 2015 liggen 42 weekenden. In 28 weekenden is het baken op zowel zaterdag als zondag gepeild aan de [adres 1] in Nijmegen, de woning van [medeverdachte 1] . In vier weekenden is het baken niet gepeild bij de woning. In zeven weekenden is er alleen op zaterdag en gepeild en in drie weekenden alleen op zondag. Bij observaties is ook [medeverdachte 2] regelmatig gezien bij de woning van [medeverdachte 1] , op momenten dat verdachte daar ook was. Zaterdag 21 november 2015: 16.29 uur: Ik zag dat de Porsche (…) geparkeerd werd op de [adres 1] te Nijmegen, ter hoogte van de woning [adres 1] en dat [verdachte] (…) in de richting van de voordeur van genoemde woning liep. 17.11 uur: wij zagen dat [medeverdachte 2] (…) vanaf de [adres 1] te Nijmegen vertrok met de Renault (…). Zondag 22 november 2015: 7.59 uur: (…). Wij zagen dat [verdachte] (…) naar binnen ging bij perceel [adres 1] te Nijmegen. 8.03 uur: (…). Wij zagen dat [medeverdachte 2] (…) uitstapte en perceel [adres 1] te Nijmegen binnenging. 9.26 uur: Wij zagen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] uit perceel [adres 1] te Nijmegen kwamen lopen. Wij zagen dat [verdachte] twee oranje doosjes in zijn handen droeg. Wij zagen dat [medeverdachte 2] een blauw/witte plastic tas droeg en twee oranje doosjes. Wij zagen dat ze alles in de Renault (…) legden. Zaterdag 19 maart 2016: 16.29 uur: Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte 2] samen aan kwamen lopen over de [adres 1] te Nijmegen. (…). Ik zag dat beiden richting de voordeur van perceel [adres 1] te Nijmegen liepen. Zondag 20 maart 2016: 7.58 uur: Ik zag dat [verdachte] (…) aanbelde bij perceel [adres 1] en vervolgens werd binnengelaten. 8.08 uur: Ik zag dat [medeverdachte 2] (…) na aanbellen bij perceel [adres 1] te Nijmegen werd binnengelaten. 9.16: Ik zag dat [medeverdachte 2] als bestuurder vertrok in de Peugeot (…). 10.03: Ik zag dat [verdachte] uit perceel [adres 1] te Nijmegen kwam en richting zijn BMW (…) liep. De rechtbank overweegt dat de trekking van de Nederlandse en Duitse Lotto wekelijks op zaterdagavond plaatsvindt. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] op zaterdag vóór het tijdstip van de trekking bij de woning van [medeverdachte 1] kwamen. Op zondag kwamen ze weer bij genoemde woning en werden de prijzen verdeeld. Verdachten maakten voor het bepalen van de prijswinnaars gebruik van de lottotrekkingen van de legale lotto. Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het spelen van een lottospel. Noch gesteld, noch gebleken is dat verdachte of één van de medeverdachten een vergunning had als bedoeld in de Wet op de Kansspelen. Hiermee staat dan ook vast dat voor de lotto zoals die is georganiseerd door verdachte en medeverdachten geen vergunning was verleend. Er was dus sprake van een illegale lotto. De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte dit tezamen en in vereniging met onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gedaan. Hoewel, mede door het zwijgen van verdachten, niet exact duidelijk is geworden wat de rolverdeling tussen verdachten was, is wel bewezen dat er op enigerlei wijze is samengewerkt. Dat verdachte enkel wel eens lottobriefjes bij [getuige 1] ophaalde en zijn bezoeken aan [medeverdachte 1] niets met de illegale lotto te maken hadden, zoals verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht, vindt de rechtbank op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen niet aannemelijk. Gelet op de verklaring van [getuige 1] dat hij al 20 jaar lottoboekjes van verdachte krijgt vindt de rechtbank ook de ten laste gelegde periode bewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om terughoudend met de verklaring van [getuige 1] om te gaan, zoals door de verdediging naar voren is gebracht. Zijn verklaring wordt immers ondersteund door objectieve informatie, te weten diverse observaties. Op zaterdag 14 maart 2014 om 15:47 uur, op zaterdag 21 november 2015 om 15:58 uur en op zaterdag 19 maart 2016 om 15:48 uur gooit [getuige 1] een witte envelop naar beneden die door verdachte wordt opgevangen. Dit is conform de verklaring van [getuige 1] dat verdachte de briefjes iedere zaterdag voor de trekking tussen 15:30 en 16:00 uur kwam ophalen en dat [getuige 1] de envelop ook wel eens naar beneden gooide. Voorts verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat niet vast is komen te staan dat de gevonden papieren in de emmer te maken hebben met de illegale lotto. Vast staat dat verdachte geen bemoeienis heeft gehad met het organiseren van de legale lotto. De rechtbank kan dan ook niet tot een andere conclusie komen dan dat een emmer met daarin ruim 1600 loten te maken heeft met de illegale lotto. Bovendien zijn in de emmer lottobriefjes aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met [getuige 2] , die heeft bekend dat hij een deel van de illegale lotto organiseerde. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat de in de emmer aangetroffen papieren met de illegale lotto te maken hebben. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de emmer op zijn terrein stond, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde, gelet op de vindplaats van de emmer. Gelet op de frequentie (wekelijkse trekkingen) en de periode waarin het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van het gelegenheid geven tot het spelen van een illegale lotto. Feit 4 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 4. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er geen bewijs is dat het bedrag van € 80.000,- afkomstig is uit enig misdrijf. Bovendien heeft verdachte slechts een contant bedrag op de eigen bankrekening gestort en dat geld vervolgens overgeboekt naar [bedrijf 1] . Dat handelen is niet gericht op het verhullen of verbergen van een criminele herkomst. Beoordeling door de rechtbank Verdachte heeft op 8 januari 2009 € 80.000,- gestort op zijn privérekening. Op 10 maart 2009 is € 50.000,- van die rekening overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 1] en op 11 maart 2009 heeft een overboeking van € 20.000,- naar diezelfde rekening plaatsgevonden. Volgens het Openbaar Ministerie kon verdachte op 8 januari 2009 niet beschikken over een dergelijk contant geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen. Door een dergelijk bedrag aan contant geld met een onbekende herkomst te storten en vervolgens over te boeken, kan sprake zijn van het verbergen of verhullen van de werkelijke aard van het geldbedrag, dan wel van het omzetten van dat geldbedrag zoals bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt dat in zaken waarin een verdenking van witwassen voorligt, het volgende toetsingskader geldt. Voor een bewezenverklaring van het onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" is, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank overweegt dat in deze strafzaak bewezen is dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd. Gelet op de pleegperiodes zijn deze strafbare feiten niet relevant bij beoordeling van de vraag of verdachte met de tenlastegelegde transactie geld afkomstig uit enig misdrijf heeft witgewassen. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo'n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De raadsman heeft op 19 juni 2019 enkele stukken naar de officier van justitie verzonden en zich op het standpunt gesteld dat verdachte op genoemde datum wel degelijk over een contant bedrag van € 80.000,- kon beschikken. Daarbij is naar voren gebracht dat eind 2008 een groot bedrag contant is opgenomen, onder meer afkomstig van de verkoop van paarden en een woning. Naar aanleiding van die stukken is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daarin is geconcludeerd dat verdachte niet kon beschikken over € 80.000 contant geld. De verklaring over geldopnames eind 2008 afkomstig uit de verkoop van een woning in 2004 en opbrengsten uit de verkoop van paarden is door de verbalisant als op voorhand hoogst onwaarschijnlijk bestempeld. De rechtbank overweegt dat verdachte een verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Uit de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek heeft laten doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld, leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie de verklaring van verdachte concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk vond. In het proces-verbaal van bevindingen is slechts geconcludeerd dat de verklaring van verdachte op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank is van oordeel dat met deze conclusie, ook in het licht van de door de raadsman overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting, niet wordt voldaan aan het criterium dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 80.000,- een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van feit 4. 4Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. [bedrijf 1] , op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning (telkens) aan verschillende personen) (een) krediet(
- en)heeft aangeboden, te weten aan: - [betrokkene 1] (E. 9.500,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 2, p. 2008-2009 en p. 4034 e.v.] - [betrokkene 2] (E. 6.150,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 3a, p. 2009 en p. 4206 e.v.] - [betrokkene 3] (E. 10.000,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 10, p. 2015-2016 en p. 4050 e.v.] - [betrokkene 4] (E. 60.000,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 28, p. 2031 en p. 4351 e.v.] - [betrokkene 5] (E. 15.000,-, althans enig geldbedrag); [clusternr. 51, p. 2042 en p. 4245 e.v.] - [betrokkene 6] (E. 75.000,-, althans enig geldbedrag);[clusternr. 52, p. 2042 en p. 4284 e.v.] - [betrokkene 7] (E. 25.000,-, althans enig geldbedrag); [clusternr. 56, p. 2044 en p. 4326 e.v.] zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(
- e)feit(
- en)opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en); 2. [bedrijf 1] , zijnde een instelling in de zin van artikel 1 lid 1 onder a sub 3° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (wettekst geldend in de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 december 2013) dan wel artikel 1 lid 1 onder a sub 2° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (wettekst geldend in de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 april 2016) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk in strijd met de in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme neergelegde meldingsplicht, (een) verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transactie(
- s)niet en/of niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de (voorgenomen) transactie(
- s)bekend is geworden, heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van: - een op of omstreeks 26 augustus 2013 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 20.000 euro aan [betrokkene 8] ; [clusternummer 1, p. 2007-2008 en 3962 e.v.] - een op of omstreeks 8 mei 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 35.000 euro aan [betrokkene 9] ; [clusternummer 6, p. 2011 en p. 4338 e.v.] - een op of omstreeks 7 februari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 50.000 euro aan [betrokkene 10] ; [clusternummer 13, p. 2017-2018 en p. 4013 e.v.] - een op of omstreeks 9 juli 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 28.000 euro aan [betrokkene 11] ; [clusternummer 17, p. 2020-2021 en p. 3903 e.v.] - een op of omstreeks 3 september 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 180.000 euro aan [betrokkene 12] ; [clusternummer 21, p. 2024-2025 en p. 4277 e.v.]; zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(
- e)feit(
- en)opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en); 3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 april 2016 te Nijmegen en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om (telkens) door middel van een of meer (kans)spel(en), te weten (onder meer) een lottospel ("6 aus 49" en/of "6 uit 45" en/of soortgelijke spellen) dat gebaseerd is op Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars (telkens) geschiedde door enige kansbepaling (te weten een (legale) Nederlandse en/of Duitse lottotrekking) waarop de deelnemers (telkens) in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend, terwijl hij van het plegen van dit/deze misdrijf/misdrijven een gewoonte heeft gemaakt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; feit 2: tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; feit 3: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet op de kansspelen, terwijl van het plegen van dat misdrijf een gewoonte wordt gemaakt. 6De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 7De strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 8Overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden en een geldboete van € 25.000,-. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie aan sfeervorming heeft gedaan en een onjuist beeld van verdachte heeft gecreëerd. Hij heeft ook gewezen op de duur van de procedure. Een gevangenisstraf is geen passende strafmodaliteit. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als feitelijk leidinggever leningen verstrekt zonder de benodigde vergunning en nagelaten om twee ongebruikelijke transacties te melden bij het daartoe bestemde meldpunt. Verdachte heeft regels omzeild die tot doel hebben het financiële verkeer te controleren en kredietnemers te beschermen. Ook heeft verdachte de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. Daarnaast heeft verdachte, samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] jarenlang de Wet op de Kansspelen overtreden door een illegale lotto te organiseren. Verdachte heeft hierbij kennelijk enkel gehandeld uit financieel gewin. Het is verboden om zonder vergunning een lotto te organiseren. Doel van dit verbod is niet alleen het voorkomen van gokverslaving, maar ook het beschermen van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit. Een vergunningstelsel maakt het mogelijk om (voorafgaand) toezicht te houden op de aanbieders van kansspelen. Het door de overheid gehanteerde kansspelbeleid wordt door het handelen van verdachte op onaanvaardbare wijze doorkruist. De rechtbank heeft zich deels onbevoegd verklaard en minder bewezenverklaard dan de officier van justitie bewezen achtte. Mede daarom zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank constateert daarnaast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Uitgangspunt is dat de berechting van een zaak in eerste aanleg met een eindvonnis moet zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Ruim drie jaar na de aanhouding van verdachte is de zaak op zitting behandeld. Naast het feit dat het onderzoek tegen verdachte omvangrijk is geweest, is de lange duur van de behandeling ook een gevolg van de proceshouding van de verdediging, er is immers een groot aantal getuigen, in verband met het ten laste gelegde onder feit 1 en 2, door de verdediging opgegeven en door de rechter-commissaris gehoord. Deze omstandigheden rechtvaardigen echter niet een overschrijding van de redelijke termijn met ruim één jaar. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het ten laste gelegde onder feit 3 geen enkel verband houdt met het ten laste gelegde onder de feiten 1 en 2. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom de zaak van verdachte met betrekking tot het organiseren van een illegale lotto niet eerder op zitting is aangebracht. De rechtbank zal in de strafoplegging dan ook rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook houdt de rechtbank rekening met het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 24 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Gelet op bovenstaande is een gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde. Alles afwegende vindt de rechtbank een geldboete van € 10.000,- en een taakstraf van 200 uur passend en geboden. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24c, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2:60 van de Wet op het financieel toezicht, artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, artikel 1 van de Wet op de kansspelen en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. 10De beslissing De rechtbank: verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van feit 5; spreekt verdachte vrij van feit 4; verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 5; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een taakstraf gedurende 200 (tweehonderd) uur met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen; beveelt dat de tijd, die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht; veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. B.F. Schuver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar en mr. E. Bruinsma-Visscher, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 september 2019. mr. Schuver is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, tactische opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0750-2014062979 (onderzoek 07TAC14010 Trombone), gesloten op 27 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Uittreksel Kamer van Koophandel, p. 341. Uittreksel Kamer van Koophandel, p. 340. Oprichtingsakte, p. 3297-3314. Brief Kamer van Koophandel, p. 3327. Aandeelhoudersbesluit 8 oktober 2012, p. 3324 en Opgaveformulieren betreffende toetreden bestuurder, p. 3338-3341. AFM, Q&A over Flitskrediet ‘onbetekenende kosten’, p. 3540-3542. Definitieve standpuntbepaling AFM, p. 3672. Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4034-4037. Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4038-4041. Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4042-4045. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] (G09.01), p. 3737-3738. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018. Verklaring van [betrokkene 14] ter zitting van 28 augustus 2019. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris, 5 april 2018. Contract/overeenkomst, p. 4050. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris, 5 april 2018. Verklaring van [betrokkene 14] ter zitting van 28 augustus 2019. Aanvullende overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4351-4352. CD-rom AH521, Excel-bestand bankrekening [bedrijf 1] . Geldleningsovereenkomst met zekerheidsstelling, p. 4326-4327 en Geldleningsovereenkomst met zekerheidsstelling, p. 4328-4329. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018. Verklaring van [verdachte] ter zitting van 28 augustus 2019. Aanvullend proces-verbaal overtreding WWFT, p. 2276. Proces-verbaal van bevindingen AH111, p. 3253. Proces-verbaal van bevindingen AH111, p. 3254. CD-rom AH521, met betrekking tot de bankrekening van [bedrijf 2] . Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 11] bij de rechter-commissaris, 13 april 2018 CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 5] -3400. CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 5] -3523. Schuldbekentenis en akte van geldlening, p. 4277-4278 en proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 12] bij de rechter-commissaris, 27 februari 2018. Proces-verbaal van bevindingen AH112, p. 3260-3262. Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4124-4125 en Akte hypotheek met geldlening, p. 4116-4123. Proces-verbaal van bevindingen AH112, p. 3260-3262 en e-mail [betrokkene 12] aan [betrokkene 14] , p. 4145. Proces-verbaal van bevindingen AH112, p. 3260-3262. CD-rom AH521, tapgesprek [naam 1] en proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 2024-2025. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 16] , p. 1466-1470. Verklaring van [betrokkene 14] , afgelegd ter zitting van 28 augustus 2019. Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4034-4037. Contract/overeenkomst, p. 4050. Aanvullende overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4351-4352. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 11] bij de rechter-commissaris, 13 april 2018. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 12] bij de rechter-commissaris, 27 februari 2018. Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4124-4125 en Hypotheek met geldlening, p. 4116-4123. Proces-verbaal van bevindingen AH097, p. 3051. CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 2] . CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 3] . CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 4] . Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5187. Excel-bestand behorend bij rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, onderzoek Trombone, proces-verbaalnummer AH479-001. Proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] , proces-verbaal nummer AH530, opgemaakt te Arnhem op 11 april 2016, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5189 en 5192 t/m 5194, afbeeldingen lottobriefjes, p. 5328 t/m 5331 en gedeeltes van Lotto-totaallijsten, p. 5337 en 5338. Proces-verbaal van doorzoeking [adres 1] te Nijmegen, p. 5154, 5156 en 5157, lijst van inbeslaggenomen goederen, p. 5158, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5187, 5193 en 5196, afbeelding blanco lottobriefjes, p. 5347, afbeelding ingevulde lottobriefjes, p. 5341 en afbeeldingen deelnemerslijsten p. 5343 en p. 5349 t/m 5360. Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5190. Proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] , proces-verbaal nummer AH421, opgemaakt te Arnhem op 2 mei 2016 met bijlage lijst van inbeslaggenomen goederen, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191, 5194 t/m 5196, afbeelding lijst lopers, p. 5381, deelnemerslijst, p. 5390 t/m 5402 en afbeeldingen blanco lottoboekjes, p. 5407 en 5408. Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191 en 5195 en excel-bestand Kopie van controlelijst, p. 5412 t/m 5428. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 5222 t/m 5224 en proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 6 februari 2018. Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , p. 1384 t/m 1386. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 2 februari 2018. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 1424 t/m 1427 en 1430. Rapport met betrekking tot bakengegevens Porsche Panamera [kenteken 2] , p. 5104. Proces-verbaal van observatie zaterdag 21 november 2015, p. 5033, 5035 en 5036. Proces-verbaal van observatie zondag 22 november 2015, p. 5039 en 5040. Proces-verbaal van observatie zaterdag 19 maart 2016, p. 5047. Proces-verbaal van observatie 20 maart 2016, p. 5059 en 5060. Proces-verbaal van observatie zaterdag 14 maart 2015, p. 5020, proces-verbaal van observatie zaterdag 21 november 2015, p. 5035 en proces-verbaal van observatie zaterdag 19 maart 2016, p. 5047.