RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05.094187.19 Datum uitspraak : 5 december 2019 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Raadsvrouw: mr. L.S. ter Haar, advocaat te Harderwijk. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november
- 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2019 tot en met 12 april 2019 te Nunspeet, althans in Nederland, [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door (telkens) onverhoeds en/of met kracht de billen en/of borsten van die [slachtoffer] te betasten. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verklaring van aangeefster [slachtoffer] wordt ondersteund door een foto van haar borst waarop striemen te zien zijn en de verklaring van verdachte bij de politie. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] meermalen heeft aangerand, omdat haar verklaring niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] bij haar borsten en/of billen heeft betast. Het dossier bevat geen verklaringen van getuigen die de aangifte van [slachtoffer] ondersteunen. Daarnaast ziet de rechtbank de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd niet als een bekennende verklaring, in tegenstelling tot de officier van justitie. De door aangeefster naar de politie opgestuurde foto van striemen op haar borst is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde feit.
- De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.142,
- Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de materiele schade heeft de officier van justitie gesteld dat de post “verlies arbeidsvermogen” niet kan worden toegewezen, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is en daarom niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Het gevorderde bedrag voor immateriële schade is geheel voor toewijzing vatbaar. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 1.122,69 toegewezen wordt, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging Primair heeft de verdediging gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering, zowel materieel als immaterieel, afgewezen dient te worden wegens onder meer onvoldoende onderbouwing. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. 4De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit; De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Yeniay-Cenik (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2019.