← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2019:5717

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/5675 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats ], eiseres, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. (gemachtigde: mr. O. de Knijff) Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2018 heeft verweerder de huurtoeslag over 2017 definitief berekend op € 0,- en een bedrag van € 3.923,- teruggevorderd. Bij besluit van 11 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 november

  1. Eiseres is verschenen, samen met [eiseres] Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding
  2. Verweerder heeft de huurtoeslag over 2017 definitief vastgesteld op € 0,-, omdat het gezamenlijke jaarinkomen van eiseres en haar medebewoners te hoog is om recht te hebben op huurtoeslag in het jaar
  3. Eiseres voert aan dat zij het niet eens is met de berekening van het gezamenlijke jaarinkomen. Zij betoogt dat de terugvordering onredelijk is, gelet op de kwetsbare situatie in de samenstelling van haar huishouden. Zij heeft haar dochter en een vriendin in huis genomen om hen te helpen. Eiseres vraagt om coulance, gelet op de situatie. Heeft eiseres recht op huurtoeslag over 2017?
  4. Bij de berekening van de huurtoeslag moet verweerder niet alleen het inkomen van eiseres, maar ook de inkomens van de medebewoners van eiseres meetellen. Om te bepalen wie medebewoners zijn, moet verweerder uitgaan van de gegevens uit de Basisregistratie personen (Brp). Eiseres, haar zoon en een vriendin stonden in 2017 het hele jaar ingeschreven op het adres van eiseres in de Brp. De dochter van eiseres stond ingeschreven op het adres tot 17 november
  5. Het is niet gebleken dat deze gegevens onjuist zijn. Verweerder heeft dus terecht de inkomens van de dochter en zoon van eiseres en een vriendin meegeteld bij het berekenen van de huurtoeslag. Dit betekent dat eiseres voor het jaar 2017 geen recht heeft op huurtoeslag. De wettelijke bepalingen geven geen ruimte voor coulance op dit punt. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Mag de onterecht uitgekeerde huurtoeslag worden teruggevorderd?
  6. Coulance is wellicht wel mogelijk bij de terugvordering van de huurtoeslag. Verweerder had in het bestreden besluit moeten nagaan wat het gevolg is van haar persoonlijke omstandigheden voor de terugvordering van het bedrag dat eiseres aan voorschotten heeft ontvangen. Zoals op de zitting is besproken moet verweerder namelijk een belangenafweging maken bij de terugvordering. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overwogen in een recente uitspraak. Verweerder heeft dat niet gedaan en daarom is het besluit voor wat betreft de terugvordering onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt in zoverre wel. 4.
  7. Op de zitting heeft verweerder laten weten dat het nieuwe beleid naar aanleiding van de genoemde uitspraak nog moet worden vastgesteld. De Afdeling heeft aan verweerder 26 weken de tijd gegeven om dit beleid vast te stellen en in die zaak een nieuw besluit te nemen. Daarom krijgt verweerder in deze zaak tot 13 mei 2019 om een nieuw besluit te nemen, waarbij verweerder bij de terugvordering een belangenafweging moet maken en als hij beslist de huurtoeslag terug te vorderen, dit moet motiveren. Conclusie
  8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover daarbij de huurtoeslag wordt teruggevorderd. Verweerder moet uiterlijk op 13 mei 2019 een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de huurtoeslag wordt teruggevorderd; bepaalt dat verweerder uiterlijk op 13 mei 2019 een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Artikel 7 van de Wet op de huurtoeslag. Zie artikel 2, eerste lid en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel 26 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Afdeling 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.