vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/362291 / KG ZA 19-486 Vonnis in kort geding van 19 december 2019 in de zaak van 1. de stichting STICHTING REVALIDATIEGENEESKUNDE NEDERLAND, gevestigd te Goes, 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats] , 3. [eiser sub 3], wonende te [woonplaats] , 4. [eiser sub 4], wonende te [woonplaats] , 5. [eiser sub 5], wonende te [woonplaats] , 6. [eiser sub 6], wonende te [woonplaats] , 7. [eiser sub 7], wonende te [woonplaats] , 8. [eiser sub 8], wonende te [woonplaats] , 9. [eiser sub 9], wonende te [woonplaats] , 10. [eiser sub 10], wonende te [woonplaats] , 11. [eiser sub 11], wonende te [woonplaats] , 12. [eiser sub 12], wonende te [woonplaats] , 13. [eiser sub 13], wonende te [woonplaats] , 14. [eiser sub 14], wonende te [woonplaats] , 15. [eiser sub 15], wonende te [woonplaats] , 16. [eiser sub 16], wonende te [woonplaats] , 17. [eiser sub 17], wonende te [woonplaats] , 18. [eiser sub 18], wonende te [woonplaats] , 19. [eiser sub 19], wonende te [woonplaats] , 20. [eiser sub 20], wonende te [woonplaats] , 21. [eiser sub 21], wonende te [woonplaats] , eisers, advocaten mrs. K. Mous en S. Donkelaar te Nijmegen, tegen 1. de coöperatie COÖPERATIE VGZ U.A., gevestigd te Arnhem, 2. de naamloze vennootschap VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., gevestigd te Arnhem, 3. de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ ZORG, gevestigd te Arnhem, 4. de naamloze vennootschap IZA ZORGVERZEKERAAR N.V., gevestigd te Arnhem, 5. de naamloze vennootschap N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC, gevestigd te Arnhem, 6. de stichting STICHTING IZZ, gevestigd te Apeldoorn, gedaagden, advocaten mrs. T.R.M. van Helmond en H. Zourakhti te Amsterdam. Eiser sub 1 zal hierna SRN worden genoemd en eisers sub 2 tot en met 21 de verzekerden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk VGZ c.s. worden genoemd en ieder afzonderlijk respectievelijk Coöperatie VGZ, VGZ Zorgverzekeraar, Univé, IZA, Zorgverzekeraar UMC en IZZ. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 29 - de nagezonden producties 30 tot en met 36 van SRN en de verzekerden - de producties 1 tot en met 17 van VGZ c.s. - de mondelinge behandeling van 6 december 2019 - de pleitnota van SRN en de verzekerden - de pleitnota van VGZ c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. SRN exploiteert sinds 1 april 2014 een instelling voor medisch specialistische revalidatiezorg (MSR) en beschikt over een toelating op basis van de Wet Toelating Zorginstellingen. Zij heeft in totaal negen vestigingen in de provincie Zeeland. 2.2. VGZ Zorgverzekeraar, Univé, IZA, Zorgverzekeraar UMC en IZZ zijn allen Nederlandse zorgverzekeraars behorend tot de Coöperatie VGZ. 2.3. SRN behandelt patiënten die kampen met lichamelijke en psychische problemen, die beperkingen opleveren voor deelname aan het maatschappelijke leven. Onder deze patiënten vallen onder meer verzekerden van VGZ c.s. (circa 15% van de patiëntenpopulatie van SRN). SRN heeft voor het jaar 2019 geen contract met Coöperatie VGZ kunnen afsluiten en biedt aan de verzekerde van VGZ c.s. aldus niet-gecontracteerde zorg. Met diverse andere zorgverzekeraars heeft SRN wel een contract. 2.4. Sinds 1 januari 2018 hanteert Coöperatie VGZ in haar polisvoorwaarden voor de basisverzekering een zogenaamd machtigingsvereiste in geval van MSR. Deze eis houdt in dat verzekerden die zich onder behandeling willen laten stellen van een niet-gecontracteerde revalidatie-instelling voorafgaand aan hun behandeling toestemming moeten vragen aan de zorgverzekeraar om de behandeling vergoed te krijgen. De Polisvoorwaarden VGZ 2018 vermelden daarover onder meer het volgende: ‘(…) 1.9. Verwijzing, voorschrift of toestemming Voor sommige vormen van zorg hebt u een verwijzing, voorschrift en/of voorafgaande schriftelijke toestemming nodig, waaruit blijkt dat u bent aangewezen op de zorg. Dit geven wij aan in het betreffende zorgartikel. Een verwijzing, voorschrift en/of toestemming vooraf is niet nodig voor acute zorg, dat wil zeggen die redelijkerwijs niet kan worden uitgesteld. Verwijzing of voorschrift Staat in het zorgartikel dat u een verwijzing of voorschrift nodig hebt? Dan kunt u die vragen aan de zorgaanbieder die we in het artikel noemen. Vaak is dat de huisarts. Toestemming U hebt in een aantal gevallen onze toestemming nodig voordat de zorg wordt geleverd. Deze toestemming noemen we ook wel een machtiging. Als u vooraf geen toestemming hebt gekregen, dan hebt u geen recht op (vergoeding van de kosten van) de zorg. Gaat u naar een zorgaanbieder waarmee wij voor de betreffende zorg een overeenkomst hebben gesloten? Dan hoeft u niet zelf toestemming bij ons aan te vragen. (…) Gaat u naar een zorgaanbieder waarmee wij voor de betreffende zorg geen overeenkomst hebben gesloten? Dan moet u zelf bij ons toestemming aanvragen. (…) Artikel 15. Revalidatie 15.1. Revalidatie (…) Toestemming U hebt vooraf onze toestemming nodig. De toestemmingsprocedure vindt u in artikel 1.9 van deze voorwaarden. (…)’ 2.5. Verder heeft Coöperatie VGZ besloten dat met ingang van 1 januari 2018 niet-gecontracteerde zorgaanbieders bij iedere vervolg ‘DBC op weg naar Transparantie’ (DOT) opnieuw een machtiging moeten aanvragen, ook als sprake is van een (geplande) voortzetting van de oorspronkelijke behandeling waarvoor al toestemming is verleend. 2.6. Behoudens enkele opstartproblemen kort na de invoering van het machtigingsvereiste, heeft de nieuwe handelwijze van Coöperatie VGZ aanvankelijk niet tot noemenswaardige problemen geleid. 2.7. De polisvoorwaarden van Coöperatie VGZ zijn voor het jaar 2019 ten aanzien van het machtigingsvereiste ongewijzigd gebleven ten opzichte van 2018. 2.8. Bij e-mailbericht van 25 februari 2019 heeft [medewerker VGZ] namens Coöperatie VGZ aan SRN bericht dat met ingang van 15 maart 2019 een beleidswijziging zou gaan plaatsvinden, waarbij verleende zorg niet langer door middel van een materiële controle achteraf zou worden gecontroleerd. Aanleiding daarvoor was de start van een analyse door de afdeling materiële controle naar revalidatie-instellingen in het algemeen en een controle van [medewerker VGZ] zelf naar declaraties van specifiek SRN. 2.9. Dit heeft ertoe geleid dat machtigingsaanvragen voor MSR van SRN vanaf 15 maart 2019 allemaal zijn afgekeurd. De aanvragen worden vanaf dat moment beoordeeld door een nieuwe medisch adviseur van VGZ c.s., de heer [medisch adviseur VGZ] , en bevatten een zeer summiere toelichting. Verzekerden van VGZ c.s. krijgen bij een afkeuring de voor hen geïndiceerde zorg niet vergoed en met de behandelingen kan daarom niet worden gestart. 2.10. Naar aanleiding van de afwijzingen van de machtigingsaanvragen heeft SRN mevrouw drs. [medisch directeur SRN] , en de heer prof. dr. [naam hoogleraar A] revalidatiegeneeskundige en medisch directeur van het Hand & Pols Centrum, de naar VGZ gestuurde aanvragen laten beoordelen. Mevrouw [medisch directeur SRN] heeft bij e-mailbericht van 22 juni 2019 aan de heer [directeur SRN] , het volgende bericht: ‘In de bijlage tref je mijn beoordelingen van de dossiers tav wel of geen indicatie MSR. In alle gevallen is er sprake van complex samenhangende problematiek met evidente problemen op meerdere (ICF) domeinen. De genoemde problematiek wordt veroorzaakt door verworven aandoeningen van of zich uitend in het houdings- en bewegingsapparaat/bewegingsvermogen. De dossiers zijn zeer volledig en geven duidelijk aan waarom eenzijdige of monodisciplinaire behandeling niet doelmatig zal zijn.’ Bij e-mailbericht van 25 juni 2019 heeft de heer [naam hoogleraar A] het volgende aan de heer [directeur SRN] bericht: ‘(…) Mijns inziens voldoen de aanvragen aan de eisen die gesteld worden aan MSR. De aanvragen bevatten anamnese en onderzoek, een revalidatiediagnose volgens de SAMPC systematiek, algemene behandeldoelen, behandelplan met deeldoelen per discipline en een medische motivatie voor MSR. In alle gevallen wordt aannemelijk gemaakt dat stepped care heeft plaatsgevonden. Ik zie niet in welke argumenten een beoordelaar kan aandragen om deze aanvragen af te wijzen.’ 2.11. De advocaat van SRN heeft VGZ c.s. namens SRN bij brief van 27 juni 2019 aangeschreven en gesommeerd tot herbeoordeling van de reeds afgekeurde machtigingsaanvragen van tien patiënten van SRN over te gaan. Bij brieven van 3 juli 2019 en 12 juli 2019 heeft (de advocaat van) SRN in dat verband aanvullende sommaties aan VGZ c.s. verstuurd, waarbij werd aangegeven dat zich inmiddels een elfde patiënt had gemeld. In reactie daarop heeft Coöperatie VGZ bij brief aan SRN van 16 juli 2019 gereageerd. In deze brief staat voor zover thans van belang het volgende vermeld: ‘(…) VGZ doet geen integrale herbeoordeling van de indicatiestelling en gaat niet (stelselmatig) op de stoel van de revalidatiearts zitten. VGZ toetst aan de hand van zorginhoudelijke criteria of de verzekerde naar aard, maar ook naar omvang, is aangewezen op vergoeding van de beoogde (MSR-)zorg. De door SRN aangeleverde verklaringen van drs. [medisch directeur SRN] , prof. dr. [naam hoogleraar A] (…) doen aan het voorgaande niets af. Te meer nu de verklaringen alleen gericht zijn op de juistheid van de indicatiestelling en de afwijzingen van VGZ niet alleen verband houden met de indicatie, maar ook met het toetsen van de behandeling naar aard en omvang aan de hand van de stand van wetenschap en praktijk. (…)’ 2.12. Na verdere correspondentie tussen partijen (waaronder een brief van 9 september 2019 waarin de advocaat van SRN aan VGZ liet weten dat inmiddels nog 9 patiënten zich gemeld hadden met soortgelijke problematiek als beschreven in eerdere brieven) heeft op 23 september 2019 een overleg plaatsgevonden tussen de revalidatiearts van SRN en de medisch adviseur van VGZ c.s. over de tot dan toe afgewezen machtigingsaanvragen, in totaal op dat moment twintig. Bij e-mailbericht van 26 september 2019 is namens VGZ c.s. aan SRN bericht dat in drie van de negen op 23 september 2019 besproken dossiers alsnog een machtiging zal worden verstrekt. 2.13. De overige elf dossiers zijn op 2 oktober 2019 door de heer [medisch adviseur VGZ] opnieuw beoordeeld. Drie van de machtigingsaanvragen zijn op basis daarvan alsnog goedgekeurd en een vierde (die eerder al was goedgekeurd) zou nader worden onderzocht. De overige afwijzingen zijn gehandhaafd. Bij e-mailbericht van 3 oktober 2019 heeft de heer [medisch adviseur VGZ] zijn beslissingen in deze elf dossiers als volgt toegelicht: ‘- Dossier 1. [naam B] , [leeftijd] . Niet-complexe problematiek. Geen indicatie MSR. Afwijzing handhaven. - Dossier 3. [naam C] , [leeftijd] Niet-complexe problematiek: pijnklachten en bewegingsbeperking schouder en nek. Afwijzing handhaven. - Dossier 5. [naam D] . Relatief complexe problematiek post CVA. Alsnog akkoord met voorgestelde behandelplan. - Dossier 6. [naam E] , man [leeftijd] . Status na HNP operatie met postoperatie gecompliceerd verloop. Er zijn blijvende restbeperkingen waarvoor MSR geen baat zal geven. Afwijzing handhaven. - Dossier 8. [naam F] . Vrouw [leeftijd] . Diverse algehele en fysieke beperkingen na CVA. Uitgebreide beperkingen in dagelijks functioneren te relateren aan de voorliggende medische problematiek. Alsnog akkoord met voorgestelde behandelplan. - Dossier 13. [naam G] Vrouw [leeftijd] . Klachten van nek, schouder, hand en pols rechts. Niet-complexe somatische problematiek. Afwijzing handhaven. - Dossier 14. [naam H] . Klapvoet rechts op basis perifeer peroneusletsel en HNP links. Niet complex. Blijvende beperkingen waarvoor geen enkele indicatie MSR. Afwijzing handhaven. - Dossier 16. [naam I] , vrouw [leeftijd] . Geen complexiteit en samenhangende problematiek. Het gaat om conditionele training bij een verminderde spierkracht. Mogelijk traag herstel na infectie. Overweeg conditie- en krachttraining in 1e lijn. Afwijzing handhaven. - Dossier 17. [naam J] . Geen enkele indicatie voor MSR! Zie brieven neuroloog: milde CTS, verder conclusie neuroloog: ‘gezonde vrouw’. Afwijzing handhaven. - Dossier 18. [naam K] . Patellofemorale klachten waarvoor training geadviseerd wordt (zie brief Sint Maartenskliniek Nijmegen; SMK). In de brief van SMK wordt geen (verwijzing naar) MSR genoemd. Niet complex, geen samenhangende problematiek. Afwijzing handhaven. - Dossier 20. [naam L] , op basis van de herbeoordeling voorstel conclusie herzien. Alsnog akkoord met voorgestelde behandelplan. - [naam M] . Dit dossier wordt door ons nader onderzocht op doelmatigheid en rechtmatigheid.’ 2.14. Nadien heeft SRN ook het tweede tiental dossier door de mevrouw [medisch directeur SRN] en de heer [naam hoogleraar A] laten beoordelen. Opnieuw kwamen zij tot de conclusie dat in alle gevallen sprake was van een correcte indicatiestelling voor MSR. 2.15. Nadere correspondentie tussen partijen heeft er tot op heden niet toe geleid dat de heer [medisch adviseur VGZ] namens VGZ c.s. de machtigingsaanvragen van SRN voor MSR op een andere wijze is gaan beoordelen. Tot op heden worden de machtigingsaanvragen voor MSR van SRN (vrijwel) allemaal afgewezen. 3Het geschil 3.1. SRN vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair I VGZ c.s. te gebieden om toekomstige machtigingsaanvragen van (patiënten van) SRN goed te keuren tenzij VGZ c.s. binnen tien kalenderdagen na ontvangst van een machtigingsaanvraag (eventueel na aanvullende vragen gesteld te hebben aan de revalidatiearts) in een individueel geval kunnen aantonen en onderbouwen dat de revalidatiearts bij de indicatiestelling evident in strijd heeft gehandeld met beroepsnormen of tenzij er sprake is van een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen reden om de machtigingsaanvraag ondanks de indicatie van de revalidatiearts af te keuren; II VGZ c.s. te gebieden om alle reeds door SRN aangevraagde machtigingen in de periode van 1 maart 2019 tot de datum van het vonnis, binnen vijf kalenderdagen na de datum waarop het vonnis wordt gewezen, opnieuw te beoordelen waarbij geldt dat VGZ c.s. de machtigingsaanvragen niet mogen afwijzen tenzij VGZ c.s. (eventueel na aanvullende vragen gesteld te hebben aan de revalidatiearts) in een individueel geval kunnen aantonen dat de revalidatiearts bij de indicatiestelling evident in strijd heeft gehandeld met beroepsnormen of tenzij er sprake is van een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen reden om de machtigingsaanvraag ondanks de indicatie van de revalidatiearts af te keuren; III VGZ c.s. te verbieden om na verloop van de 120-dagentermijn van een DOT een nieuwe machtiging te verlangen van (patiënten van) SRN als voorwaarde om de behandeling voort te zetten en VGZ c.s. te gebieden om alle declaraties voor vervolg-DBC’s als beschreven in productie 25 bij dagvaarding aan SRN betaalbaar te stellen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; IV VGZ c.s. te verbieden om in het kader van het machtigingsbeleid meer of andere informatie op te vragen dan informatie over de verwijzing en informatie over de indicatie door de revalidatiearts, tenzij VGZ c.s. in een individueel geval objectief kunnen aantonen dat zij gegronde redenen hebben om te twijfelen aan het oordeel van de behandeld revalidatiearts, dat meer informatie daarom noodzakelijk is voor de beoordeling van de machtigingsaanvraag en dat het opvragen van aanvullende informatie voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; V VGZ c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.359,35 aan buitengerechtelijke incassokosten aan SRN, te betalen binnen veertien dagen na de datum waarop het vonnis wordt gewezen; dit alles (behalve vordering V) op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat VGZ c.s. in gebreke blijven met het nakomen van dit ge- en/of verbod; Subsidiair VI VGZ c.s. een zodanig gebod of verbod op te leggen als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist voorkomt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat VGZ c.s. in gebreke blijven met het nakomen van dit ge- en/of verbod; Zowel primair als subsidiair VII VGZ c.s. te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. Eisers sub 2 tot en met 21 (de verzekerden) vorderen, ieder jegens de zorgverzekeraar waar zij verzekerd zijn, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair I de betreffende zorgverzekeraar te verbieden om jegens hen een beroep te doen op het machtigingsvereisten in haar polisvoorwaarden; en II de betreffende zorgverzekeraar te gebieden om alle door SRN aan hen geleverde en nog te leveren zorg te vergoeden als medisch specialistische revalidatiezorg overeenkomstig het bepaalde in de polisvoorwaarden van de betreffende zorgverzekeraar, behoudens voor zover een deugdelijke (wettelijke) grondslag bestaat om niet tot betaling over te gaan; dit alles op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat de betreffende zorgverzekeraar in gebreke blijft met het nakomen van dit ge- en/of verbod; Subsidiair III de betreffende zorgverzekeraar te gebieden om binnen vijf kalenderdagen na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis toestemming te geven voor een medisch specialistische revalidatiebehandeling, tenzij de betreffende zorgverzekeraar binnen vijf kalenderdagen in een individueel geval kan aantonen en onderbouwen dat de revalidatiearts bij de indicatiestelling evident in strijd heeft gehandeld met beroepsnormen of tenzij er sprake is van een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen reden om de machtigingsaanvraag ondanks de indicatie van de revalidatiearts af te keuren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat de betreffende zorgverzekeraar in gebreke blijft met het nakomen van dit gebod; Meer subsidiair IV de betreffende zorgverzekeraar te gebieden om de machtigingsaanvragen van eisers binnen vijf kalenderdagen na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis opnieuw te beoordelen, waarbij de betreffende zorgverzekeraar het oordeel van de behandelend arts als uitgangspunt dient te nemen en iedere afwijking daarop objectief en toetsbaar dient te motiveren aan de hand van landelijke richtlijnen of anderszins gedocumenteerde beroepsnormen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat de betreffende zorgverzekeraar in gebreke blijft met het nakomen van dit gebod; Nog meer subsidiair V de betreffende zorgverzekeraar een zodanig gebod of verbod op te leggen als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist voorkomt, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat de betreffende zorgverzekeraar in gebreke blijft met het nakomen van dit ge- en/of verbod; Zowel primair, subsidiair, meer subsidiair als nog meer subsidiair VI de betreffende zorgverzekeraar te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.3. VGZ c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen. 3.4. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan. 4De beoordeling van het geschil 4.1. De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende uit de stellingen van SRN en de verzekerden voort. 4.2. SRN vordert kort gezegd veroordeling van VGZ c.s. om alle machtigingsaanvragen vanaf 1 maart 2019 tot heden te herbeoordelen en alle toekomstige machtigingsaanvragen goed te keuren, tenzij in een individueel geval kan worden aangetoond dat de revalidatiearts bij de indicatiestelling evident in strijd heeft gehandeld met beroepsnormen of andere geldende voorschriften. SRN legt aan deze vordering ten grondslag dat VGZ c.s. op oneigenlijke gronden tot afwijzing van vrijwel alle machtigingsaanvragen overgaat, waarbij zij feitelijk op de stoel van de behandeld revalidatiearts gaat zitten en op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op de vrijheid die een verzekerde heeft om zich te laten behandelen bij een zorgaanbieder van zijn of haar voorkeur. Volgens SRN vinden de beoordelingen op ondeugdelijke wijze plaats en worden de afwijzingen veel te summier onderbouwd, reden waarom VGZ c.s. dient te worden veroordeeld de aanvragen te herbeoordelen en toekomstige aanvragen te beoordelen met inachtneming van door de voorzieningenrechter in dit kort geding op te leggen voorwaarden. VGZ c.s. voeren verweer en voeren aan dat zij in het kader van hun regierol bij kostenbesparing in de zorg de taak en wettelijke plicht hebben om enkel behandelingen te vergoeden waarop de verzekerde recht heeft. Volgens VGZ c.s. worden de machtigingsaanvragen voor MSR met inachtneming daarvan op de juiste wijze beoordeeld en bestaat geen grond voor toewijzing van het gevorderde. 4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat partijen het erover eens zijn dat het zorgverzekeraars op basis van artikel 14 Zorgverzekeringswet (Zvw) is toegestaan voor specifieke typen zorg een machtigingsvereiste in hun polisvoorwaarden op te nemen, om op die manier een bepaalde vorm van toetsing voorafgaand aan de gewenste vorm van zorg in te voeren en te beoordelen of een verzekerde redelijkerwijs is aangewezen op de vorm van zorg waarvan hij of zij vergoeding wenst. Op basis daarvan moet worden aangenomen dat het (ook) VGZ c.s. was toegestaan vanaf 1 januari 2018 voor (in dit geval) MSR een machtigingsvereiste in te voeren, zoals zij hebben gedaan. 4.4. Een verzekerde kan op grond van artikel 10 jo. 11 jo. 14 Zvw in samenhang met de artikelen 2.1 lid 2 en 2.1 lid 3 Besluit Zorgverzekering (Bz) uitsluitend aanspraak maken op een bepaalde vorm van zorg indien het gaat om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.