RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 02/212015-16 Datum uitspraak : 4 februari 2019 Tegenspraak verkort vonnis van de meervoudige militaire kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 februari 2019. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1hij, op of omstreeks 17 mei 2015 te Breda, aan [slachtoffer 1]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbelzijdigeonderkaakfractuur met verplaatsing, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1]tegen het gezicht te slaan en/of stompen, althans tegen het lichaam te slaanen/of stompen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mochtof zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 17 mei 2015 te Breda, [slachtoffer 1] heeftmishandeld door die [slachtoffer 1] tegen het gezicht te slaan en/of stompen,althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen, terwijl het feit zwaarlichamelijk letsel, te weten een dubbelzijdige onderkaakfractuur metverplaatsing ten gevolge heeft gehad; 2hij, op of omstreeks 17 mei 2015 te Breda, [slachtoffer 2] heeft mishandelddoor die Marijnissen te slaan en/of stompen en/of schoppen. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Met de officier van justitie acht de militaire kamer niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Naar het oordeel van de militaire kamer blijkt uit de bewijsmiddelen onvoldoende dat verdachte de opzet had om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De militaire kamer acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit wel bewezen, gelet op de verklaringen van verdachte en aangever bij de politie en gezien de medische verklaring. Er is geen enkele aanwijzing dat aangever zijn kaak heeft gebroken door een andere oorzaak dan door een klap van verdachte. Verdachte heeft bekend feit 2 te hebben gepleegd. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1hij, op of omstreeks 17 mei 2015 te Breda, [slachtoffer 1] heeftmishandeld door die [slachtoffer 1] tegen het gezicht te slaan en/of stompen,althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen, terwijl het feit zwaarlichamelijk letsel, te weten een dubbelzijdige onderkaakfractuur metverplaatsing ten gevolge heeft gehad; 2 hij, op of omstreeks 17 mei 2015 te Breda, [slachtoffer 2] heeft mishandelddoor die Marijnissen te slaan en/of stompen en/of schoppen; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 subsidiair: Mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Ten aanzien van feit 2: Mishandeling 5De strafbaarheid van het feit Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. De militaire kamer overweegt hieromtrent als volgt. Uit de verklaringen van de personen die bij het incident betrokken waren, blijkt dat verdachte werd geconfronteerd met vier mannen die op hem af kwamen lopen na wat verbale schermutselingen in en nabij de auto die bij deze vier mannen hoorde. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben beiden verklaard dat verdachte werd geduwd door één van de jongens. [getuige 2] beschreef die duw als een flinke zet op de borst met twee handen. Naar het oordeel van de militaire kamer was er op dat moment sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Hierbij weegt de militaire kamer mee dat verdachte op het moment dat hij deze duw kreeg, te maken had met een overmacht van vier mannen. De wijze waarop verdachte zich verdedigde, door te slaan en te schoppen, is naar het oordeel van de militaire kamer binnen de grenzen van de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit gebleven. Dat aangever hierdoor ongelukkigerwijs zijn kaak heeft gebroken doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de militaire kamer is er ook geen sprake van uitlokking door verdachte. De enkele omstandigheid dat verdacht naar een inzittende van de auto zou hebben geroepen “kom dan uit de auto, ik sloop je”, kennelijk in reactie op verbale uitlatingen door een inzittende van de auto, rechtvaardigde niet dat de tegenpartij met vier man tegelijk uitstapte om verdachte agressief te bejegenen. De militaire kamer acht dan ook beide bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd zal de militaire kamer de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. 9De beslissing De meervoudige militaire kamer: verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder punt 4; verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit verkort vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. P.C. Quak, rechters, en Kol mr. C.E.W. van der Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze militaire kamer op 4 februari 2019.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.