beschikking RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 8146096 \ HA VERZ 19-178 \ 512 \ 918 uitspraak van 14 februari 2020 beschikking in de zaak van de stichting Stichting Eusebius Arnhem gevestigd te Arnhem verzoekende partij gemachtigde mr. C. Jacobs en [Verweerder] [woonplaats] verwerende partij gemachtigde mr. H.J. Fraaije-Luising Partijen worden hierna SEA en [Verweerder] genoemd. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 29 oktober 2019 met producties - het verweerschrift met producties - de brief van 10 januari 2020 met productie van de zijde van SEA - de brief van 10 januari 2020 met producties van de zijde van [Verweerder] - de brief van 15 januari 2020 met producties van de zijde van [Verweerder] - de mondelinge behandeling van 17 januari 2020 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van SEA en de gemachtigde van [Verweerder] en de door [Verweerder] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde gespreksnotities. 2De feiten 2.1. [Verweerder] is sinds 1 oktober 2013 in dienst bij SEA in de functie van Hoofd Bedrijfsbureau tegen een salaris van € 2.800,73 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en 6% eindejaarsuitkering. 2.2. [Verweerder] heeft zich op 29 maart 2018 ziek gemeld. 2.3. Op advies van de bedrijfsarts hebben er diverse mediationgesprekken plaatsgevonden. 3Het verzoek en het verweer 3.1. SEA verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen haar en [Verweerder] op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW juncto artikel 7:669 lid 3 sub g BW, daarbij het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW en derhalve verkorting van de opzegtermijn met de periode tussen de datum van ontvangst van het verzoekschrift en de datum van deze beschikking in acht nemend, waarbij beide partijen hun eigen kosten dragen. 3.2. SEA legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van een conflict tussen [Verweerder] enerzijds en de directeur, het bestuur en de werkorganisatie van SEA anderzijds. Hierdoor is niet langer sprake van de benodigde vertrouwensbasis voor de voortzetting van de arbeidsrelatie. De onwerkbare relatie is het gevolg van de stelselmatige destructieve houding van [Verweerder] jegens SEA en hij weigert zich daarop aan te laten spreken. Voortzetting van de arbeidsovereenkomst kan in redelijkheid niet van SEA worden gevergd. 3.3. [Verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van SEA in de proceskosten. Subsidiair verzoekt [Verweerder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: a. te verklaren voor recht dat SEA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld; b. de arbeidsovereenkomst te ontbinden en bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor SEA geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van deze beschikking; c. SEA te veroordelen om aan [Verweerder] te betalen: i. een transitievergoeding van € 6.917,80 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot aan de dag van volledige betaling; ii. een billijke vergoeding van € 2.500,00 netto en € 50.000,00 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking tot aan de dag van volledige betaling; iii. de kosten van rechtsbijstand ad € 4.601,04 netto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking tot de dag van volledige betaling; d. SEA te veroordelen in de proceskosten. 4De beoordeling 4.1. Tussen partijen staat vast dat [Verweerder] sinds 29 maart 2018 arbeidsongeschikt is. Deze arbeidsongeschiktheid duurt, gelet op het laatste bericht van de bedrijfsarts van 24 december 2019 (productie 9 bij antwoord) en de voortgangsrapportage van Passus Advies in verband met de lopende re-integratie in het tweede spoor traject van 18 oktober 2019 (productie 8 bij antwoord) onverminderd voort. [Verweerder] moet in ieder geval in maart 2020 nog een medische ingreep ondergaan. Het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:671b lid 2 BW juncto artikel 7:670 BW) is naar het oordeel van de kantonrechter dus van toepassing. In afwijking hierop kan een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toch ingewilligd worden indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.