← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2020:115

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht zaaknummer: 19/1366 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2020 in de zaak tussen [Naam A] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S.M. Carabain-Klomp), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder (gemachtigde: P.T.F.A. de Boer). Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 1.

  1. Bij besluit van 28 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november
  2. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  3. Bij besluit van 8 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juni 2017, heeft verweerder de bijstand op grond van de Participatiewet van eiser over de periode van 15 augustus 2016 tot en met 12 december 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 3.957,93 teruggevorderd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij garagebedrijf [naam garagebedrijf] (de garage). In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, legt verweerder eiser een boete op vanwege dezelfde schending van de inlichtingenverplichting.
  4. In de intrekkings- en terugvorderingsprocedure is door de rechtbank geoordeeld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dit oordeel is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevestigd. Dit brengt niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in dit beroep tegen de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is. Daarover dient bij betwisting, evenals over de feiten, een zelfstandig oordeel te worden gegeven. De rechtbank moet nagaan of verweerder heeft aangetoond dat eiser niet heeft gemeld dat hij in de periode van 15 augustus 2016 tot en met 12 december 2016 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij de garage. Anders dan in het besluit tot intrekking en terugvordering, kan in het onderhavige bestraffende besluit niet onverkort het bewijsvermoeden worden gehanteerd dat eiser aanwezig was op een werkplek en dus op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Er mag voor het bewijs gebruik worden gemaakt van vermoedens, maar het gebruik daarvan mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van het boete opleggende orgaan naar de belanghebbende. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen.
  5. Eiser bestrijdt dat hij op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Hij voert aan dat hij inderdaad dagelijks in de garage aanwezig was, maar dat hij daar alleen aan zijn eigen auto heeft gesleuteld. Voor eiser was de garage een plek waar hij zichzelf bezig kon houden en zich onder de mensen kon begeven na een moeilijke periode in zijn leven. 3.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder de boete baseert op een rapportage van zijn afdeling handhaving van 15 december 2016, met de volgende stukken als belangrijkste bewijsmiddelen: een rapportage opgesteld door een sociaal rechercheur van verweerder met daarin beschrijvingen van achttien waarnemingen tussen 15 november 2016 en 12 december 2016 bij de garage en bij de woning van eiser; een verslag van het gesprek op 13 december 2016 tussen eiser en dezelfde medewerker van verweerder; zes foto’s genomen tussen 17 november 2016 en 21 november 2016 buiten de garage. 3.2 In het waarnemingsrapport staat beschreven dat eisers auto aanwezig was bij de garage op alle zestien dagen waarop waarnemingen zijn verricht. Ook is meermaals waargenomen dat eiser zelf bij de garage aanwezig was en wordt dit ook door de foto’s bevestigd. Eiser heeft tijdens het gesprek op 13 december 2016 verklaard dat hij er elke dag koffie drinkt, kleine dingen aan zijn eigen auto repareert en vaak tot laat blijft hangen met andere mensen die aan hun auto sleutelen. Hij stelt dat hij voor de baas alleen een keer een bedrijfsauto heeft uitgelezen en weleens een onderdeel voor hem heeft opgehaald. Verder heeft eiser op 13 december 2016 verklaard dat hij een klant weleens een aanwijzing heeft gegeven en dat hij nooit iets bij de garage heeft verdiend. 3.3 De rechtbank stelt vast dat geen waarnemingen zijn verricht in de periode van 15 augustus 2016 tot en met 14 november
  6. Voor deze periode vormen eisers eigen verklaringen het enige bewijs. Hoewel daaruit blijkt dat hij tijdens reguliere arbeidstijden in de garage aanwezig was, is dit onvoldoende. Er is namelijk sprake van een ‘doe-het-zelf-garage’, waarbij de dienst die de garage verleent, bestaat uit het verhuren van een brug en gereedschap aan doe-het-zelvers. De enkele aanwezigheid van eiser rechtvaardigt daarom niet de conclusie dat hij werkte voor de baas van deze garage. 3.4 Voor de periode 15 november 2016 tot en met 12 december 2016 geldt dat is waargenomen dat eisers auto buiten stond terwijl eiser zelf binnen was. Daaruit is af te leiden dat eiser op de betrokken momenten niet aan zijn eigen auto aan het sleutelen was. Ook dit rechtvaardigt niet automatisch de conclusie dat eiser op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, omdat zoals hierboven onder 2 wordt overwogen het vermoeden daarvan redelijkerwijs moet voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Wat eiser binnen precies deed, is echter niet waargenomen. Eiser heeft consistent verklaard dat hij puur voor zichzelf in de garage was en er niets heeft verdiend. Wel heeft hij naar eigen zeggen een enkele keer een klusje voor de baas (of een klant) gedaan, maar dit is beperkt gebleven tot drie naar aard en omvang beperkte klusjes. Gelet op het feit dat het gaat om een periode van bijna vier maanden, hebben deze ‘werkzaamheden’ geen structureel karakter gehad. Eisers aanwezigheid, in combinatie met zijn verklaringen over de aanwijzing aan een klant, het uitlezen van de bedrijfsauto en het ophalen van een onderdeel voor de baas, vormen niet genoeg bewijs om een strafsanctie te kunnen opleggen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat gelet op de aard, de beperkte omvang, de duur en het niet-terugkerend karakter van de door eiser verrichte klusjes, niet is aangetoond dat eiser ook tussen 15 november 2016 en 12 december 2016 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De beroepsgrond slaagt.
  7. Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Omdat iemand nooit tweemaal voor hetzelfde feit kan worden vervolgd dan wel bestraft, is verweerder bovendien niet bevoegd om eiser hiervoor opnieuw een boete op te leggen. Behoudens eventueel hoger beroep, is de boete geheel van de baan.
  8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.100,-; - bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van den Brink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 januari 2020 griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:
  9. Dit volgt ook uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van 29 november 2016.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.