RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/740068-19 Datum uitspraak : 25 februari 2020 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Raadsman: mr. Y. Quint, advocaat te Eindhoven. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 oktober 2019, 4 februari 2020 en 11 februari
- 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 augustus 2018 te Ressen, gemeente Lingewaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), danwel alleen, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, of anderszins op of in de bodem te brengen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): een IBC vat (van 600 liter) met (restanten) van (gevaarlijke/chemische) afvalstoffen, althans afval afkomstig van de vervaardiging van amfetamine uit BMK, gestort en/of achtergelaten en/of anderszins op of in de bodem gebracht aan de Stationsstraat.
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 596; - het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 751-754, 756,
- 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 3 augustus 2018 te Ressen, gemeente Lingewaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, of anderszins op of in de bodem te brengen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): een IBC vat (van 600 liter) met (restanten) van (gevaarlijke/chemische) afvalstoffen, althans afval afkomstig van de vervaardiging van amfetamine uit BMK, gestort en/of achtergelaten en/of anderszins op of in de bodem gebracht aan de Stationsweg. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij is door de verdediging gewezen op de beperkte rol van verdachte in het geheel en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook is rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 24 december 2019; - een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 27 januari
- De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het in strijd met de milieuwetgeving dumpen van een grote hoeveelheid afvalstoffen die afkomstig was van de productie van amfetamine. Het bewust niet in acht nemen van de milieuwetgeving in verband met het verhullen van illegale productie van synthetische drugs levert grootschalige dumpingen op van afval en is een groot maatschappelijk probleem geworden. Het illegaal dumpen van dergelijk drugsafval levert aanzienlijke risico’s op voor het milieu en de volksgezondheid. Door het niet op reguliere wijze afvoeren van afvalstoffen ontstaat er een grote kans op milieuschade, zoals grondwaterverontreiniging. Het opruimen van illegaal gedumpt afval van drugslaboratoria gaat daarnaast gepaard met aanzienlijke kosten die ten laste van de maatschappij komen. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie wel eerder is veroordeeld, maar niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor het feit. Niet is gebleken dat verdachte zelf belang had bij het zich ontdoen van afval dat afkomstig was van een drugslaboratorium. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte in zoverre een ondergeschikte rol heeft gespeeld en dat hij niet de initiator van de dumping is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank doet een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, geen recht aan de ernst van het gepleegde feit. De rechtbank zal aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om hem ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk passend en geboden is. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden; bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019018394, gesloten op 14 april 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.