RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/720112-19 (ontneming) Datum zitting : 26 februari 2020 Datum uitspraak: 11 maart 2020 Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde), geboren op : [geboortedag] te [geboorteplaats] , [adres verdachte] . Raadsman : mr. P.W. Hermens, advocaat te Naarden 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op € 18.500,-. 2De procedure Ter terechtzitting van 26 februari 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. 3Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 26 februari 2020 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. P.W. Hermens, advocaat te Naarden. De officier van justitie, mr. M. Hoekstra, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. Veroordeelde en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 4De beoordeling van de vordering Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat naast de betalingen van aangevers [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] , ook aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] slachtoffer zijn geworden van oplichting door veroordeelde. De officier van justitie heeft verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 18.500,-. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat in geval van (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, deze bedragen op het te ontnemen bedrag in mindering dienen te worden gebracht. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de vordering in verband met de in de hoofdzaak bepleite vrijspraak af te wijzen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met de eventueel toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. Beoordeling door de rechtbank Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 11 maart 2020 tegen veroordeelde gewezen vonnis. Veroordeelde is ter zake van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de voorlopige hechtenis. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om het wederrechtelijk voordeel te schatten, conform artikel 36e lid 5 van het Wetboek van Strafrecht en sluit daarbij aan bij het tegen veroordeelde gewezen vonnis van 11 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.