RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/880339-17 (ontneming) Data zittingen : 19 februari 2020 en 19 maart 2020 Datum uitspraak : 19 maart 2020 Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde), geboren op : geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] , adres : [adres] , thans gedetineerd te : [penitentiaire inrichting] , raadslieden : mrs. A. van der Poel en J.P.A. van Schaik, advocaten te Veenendaal. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op € 31.927,90. 2De procedure Ter terechtzitting van 19 februari 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. 3Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 19 februari 2020 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mrs. A. van der Poel en J.P.A. van Schaik, advocaten te Veenendaal. De officier van justitie, mr. A.C.J. Nettenbreijers, heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 24.202,90 wordt geschat. Veroordeelde en zijn raadslieden hebben het woord ter verdediging gevoerd. 4De beoordeling van de vordering Vooraf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op een bedrag van € 24.202,90. Hiertoe is aangevoerd dat de niet aan veroordeelde tenlastegelegde feiten op het bedrag in mindering dienen te worden gebracht, wat het totaalbedrag – conform de tabel op pagina 2666 – € 43.250,- (geld) en € 4.750,- (sieraden) maakt. Vervolgens rekent de officier van justitie de feiten aan de [adres 12] , [adres 13] en [adres 11] alleen toe aan veroordeelde en verdeelt de opbrengst van de overige feiten pondsgewijs over [veroordeelde] en [veroordeelde 2] . Bij de berekening van de kosten heeft de officier van justitie uit efficiencyoverwegingen alle kosten, ook voor wat betreft de niet tenlastegelegde feiten, in mindering gebracht. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de niet tenlastegelegde feiten en de eventueel toegekende vorderingen van de benadeelde partijen bij het vaststellen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vervolgens de betalingsverplichting in mindering te brengen. Hiertoe is aangevoerd dat in het geval veroordeelde niet in staat is de vorderingen te betalen, dit tweemaal gijzeling tot gevolg kan hebben. Beoordeling door de rechtbank Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 19 maart 2020 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van diefstal (feit 1), diefstal door twee of meer verenigde personen (feiten 2, 4, 7, 8, 11, 16, 19 en 20), poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen (feiten 5 primair, 6 primair, 9 primair, 10 primair, 13 primair, 14 primair, 15 primair, 17 primair, 18 primair, 21 primair en 22 primair) en oplichting (feit 12) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Met betrekking tot de niet tenlastegelegde feiten aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] , is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze ook door veroordeelde zijn begaan en hieruit wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten. Dit geldt ook voor het feit aan [adres 8] , waarvan veroordeelde is vrijgesproken. Zij zal dan ook niet meer op deze feiten ingaan. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel Opbrengsten Voor wat betreft de overige feiten acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor wat betreft de bewezenverklaring inhoudende de betrokkenheid van veroordeelde en de hoeveelheden geld en sieraden die zijn weggenomen verwijst de rechtbank naar het vonnis d.d. 19 maart 2020, welke zij ook als bijlage zal aanhechten. De rechtbank zal hierbij nog enkel ingaan op de posten die in het vonnis niet nader zijn benoemd. Het betreft hierbij de sieraden van aangeefster [aangever 1] , wonende aan [adres 9] . Met betrekking tot deze sieraden overweegt de rechtbank dat de bij haar weggenomen sieraden zijn omschreven. Het gaat om een halsnoer, een gouden kettinkje met een hanger, een gouden ring met briljantje, een gouden ring met twee briljantjes, een gouden ring met ‘Hollandse roos’ en een gouden trouwring. Hierbij worden de bedragen € 250,00 (reparatie), € 70,00, € 50,00, 500 gulden (met nieuwe briljant van 250 euro) en 825 gulden genoemd. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is een geschatte waarde van de sieraden van € 1.300,00 opgenomen. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank deze schatting ook aannemelijk geworden. Met betrekking tot het feit aan [adres 10] overweegt de rechtbank dat in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen sieraden zijn meegenomen. Nu bij het feit veel sieraden zijn weggenomen en de waarde van de sieraden is getaxeerd, ziet de rechtbank aanleiding deze ook mee te nemen in haar schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naast het geld uit de kluis werden bij aangeefster [aangever 2] diverse sieraden weggenomen, waaronder aldus de bijlage weggenomen goederen, een horloge met gouden band, een gouden (korte) ketting, twee gouden kettinghangers met een groene steen, gouden ringen met een gele steen, robijnsteen, diamant en granaat, een lange gouden ketting, een gouden kettinghanger met diamant, een gouden kettinghanger met granaat, een gouden armband, een gouden horloge met gouden band, een gouden horloge met leren band, een armband en tot slot een gouden ketting (model shooker). In de aangifte zelf wordt ook aanvullend een gouden ring met diamant genoemd. Vervolgens zijn de sieraden – exclusief de ketting (model shooker) – op 20 februari 2018 op een totaalbedrag van € 12.195,00 getaxeerd. De gouden ketting (model shooker) is in 2009 gekocht voor € 1.445,00-. Dit maakt de totaalwaarde, aldus de taxatie en het juwelencertificaat, € 13.640,00. Nu veroordeelde niets over de verkoopwaarde heeft verklaard, zal de rechtbank ook deze waarde als geschatte opbrengst aannemelijk achten en tot haar uitgangspunt nemen. Voor wat betreft de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank nog tot slot dat haar niet van het wegnemen van een geldbedrag uit de woning [adres 11] is gebleken. Zij zal dit bedrag dan ook niet in haar schatting meenemen. Het gaat daarmee om de volgende feiten, waarbij de rechtbank de volgende bedragen voor wat betreft de opbrengsten tot haar uitgangspunt neemt. [veroordeelde] Geld Sieraden [adres 12] € 200,00 [adres 13] € 1.400,00 [adres 11] Horloge ter waarde van € 1.450,00 Subtotaal € 1.600,00 € 1.450,00 [veroordeelde] en [veroordeelde 2] [adres 9] € 14.650,00 Sieraden ter waarde van € 1.300,00 [adres 10] € 16.000,00 € 13.640,00 [adres 14] € 3.500,00 [adres 15] Sieraad ter waarde van € 2.000,00 [adres 16] € 4.500,00 Subtotaal € 38.650,00 € 16.940,00 Met betrekking tot de verdeling overweegt de rechtbank dat zij voor wat betreft de feiten van zowel [veroordeelde] als [veroordeelde 2] telkens het medeplegen heeft aangenomen. Op basis van de bewijsmiddelen in het vonnis acht zij ook aannemelijk dat beide veroordeelden telkens voordeel hebben genoten. Nu de veroordeelden niets over de verdeling hebben verklaard en de rechtbank evenmin aanleiding heeft een afwijkende verdeling aan te nemen, zal zij bij deze feiten het voordeel (en ook de kosten) pondsgewijs over [veroordeelde] en [veroordeelde 2] verdelen. Voor wat betreft de feiten aan de [adres 12] , [adres 13] en [adres 11] overweegt de rechtbank dat alleen [veroordeelde] (al dan niet in vereniging) voor deze feiten is veroordeeld. Nu niet is gebleken wie de mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.