← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2020:2505

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Nijmegen zaakgegevens 8288089 \ CV EXPL 20-318 \ 512 \ 34124 uitspraak van vonnis in de zaak van de stichting Stichting BPL Pensioen gevestigd te Woerden eisende partij gemachtigde Flanderijn & Bouwman Appingedam tegen [naam] wonende te [woonplaats] gedaagde partij procederend in persoon Partijen worden hierna BPL (vrouwelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 17 januari 2020 met producties - de akte vermindering van eis van 31 januari 2020 - de conclusie van antwoord met producties - het tussenvonnis van 28 februari 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de brief van de griffier aan partijen van 20 maart 2020, waarin is bericht dat de mondelinge behandeling vanwege de Coronacrisis op dit moment niet kan plaatvinden. 1.
  2. Om onnodige vertraging te voorkomen, heeft de kantonrechter vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. BPL verhuurt aan [gedaagde] de woning aan [adres] tegen een maandelijks te betalen huurprijs van € 1.087,
  4. [gedaagde] heeft de maandelijks verschuldigde huur niet (tijdig) voldaan waardoor een huurachterstand is ontstaan. 3De vordering en het verweer 3.
  5. BPL vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. de huurovereenkomst ontbindt; II. [gedaagde] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening en bevel van het vonnis het gehuurde met al degene die en al datgene dat zich daarin van de zijde van de gedaagde partij mocht(en) bevinden, te ontruimen en te verlaten, de sleutels daarvan aan de eisende partij af te geven en het gehuurde geheel ontruimd ter beschikking van BP te stellen en te laten; III. [gedaagde] veroordeelt om aan BPL te betalen: a. een bedrag van € 3.873,20, met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 17 januari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening; b. de huurbedragen waarop BPL recht had bij nakoming van de overeenkomst, steeds te rekenen van de eerste van elke maand vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van algehele voldoening, voor iedere maand, te rekenen met ingang van januari 2020 tot de dag van ontbinding aan huur, en daarna tot en met de maand waarin de ontruiming en lege oplevering van het gehuurde heeft plaatsgevonden aan gebruiksvergoeding; c. de verschuldigde buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 471,57, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.
  6. BPL legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Tot en met januari 2020 heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan van € 3.873,
  7. BPL heeft de vordering uit handen gegeven. Ondanks sommatie heeft [gedaagde] het bedrag van de huurachterstand niet volledig betaald. [gedaagde] is daarom naast de hoofdsom, de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente verschuldigd, aldus BPL. 3.
  8. Op 28 januari 2020 heeft [gedaagde] een bedrag van € 3.873,00 aan BPL voldaan, zodat BPL haar vordering met dit bedrag heeft verminderd. 3.
  9. [gedaagde] betwist de huurachterstand tot en met januari 2020 niet. [gedaagde] voert aan dat hij als gevolg van zijn persoonlijke situatie niet in staat was om de huur tijdig te voldoen. De situatie is inmiddels opgelost en de huurachterstand is voldaan. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst dient om die reden te worden afgewezen. Datzelfde geldt voor alle bijkomende kosten, aldus [gedaagde] . 4De beoordeling 4.
  10. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] op 28 januari 2020 een bedrag van € 3.872,00 heeft voldaan aan BPL. BPL heeft haar vordering immers met dit bedrag verminderd. BPL heeft zich echter niet uitgelaten over wat de betaling van [gedaagde] betekent voor de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee gepaard gaande ontruiming van het gehuurde. 4.
  11. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord de kantonrechter verzocht de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst af te wijzen en heeft gevraagd om een tweede kans. Volgens [gedaagde] is de huurachterstand ontstaan als gevolg van een tijdelijke situatie en deze situatie opgelost. Anderzijds heeft [gedaagde] bij zijn conclusie van antwoord een aan BPL gerichte brief gevoegd, gedateerd op 25 februari 2020, waarin hij de huur opzegt. 4.
  12. BPL wordt in de gelegenheid gesteld om een conclusie van repliek te nemen. Zij zal daarbij in ieder geval moeten ingaan op hetgeen is weergegeven onder r.o. 4.
  13. Na ontvangst van de conclusie van repliek wordt [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een conclusie van dupliek te nemen. [gedaagde] zal daarin in ieder geval moeten ingaan op de door hem overgelegde opzegging van de huurovereenkomst (zie r.o. 4.2.). Na de conclusie van dupliek aan de kant van [gedaagde] zal vervolgens vonnis worden gewezen, tenzij een mondelinge behandeling alsnog wenselijk is. 4.
  14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  15. verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 5 juni 2020 te 11:30 uur voor conclusie van repliek aan de zijde van BPL; 5.
  16. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken door mr. J.A. Verspui in tegenwoordigheid van de griffier op

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.