beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats: [woonplaats] Zaakgegevens: C/05/369906 / FZ RK 20-1057 Datum uitspraak: 18 mei 2020 beschikking machtiging tot het verlenen van verplichte zorg Wvggz naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van: [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: betrokkene, advocaat: mr. B.H. van den Tooren te Zutphen. 1Procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 april 2020; - het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 mei 2020; - het e-mailbericht van 12 mei 2020 van GGNet, met als bijlage de medische verklaring van 11 mei 2020. 1.2. De mondelinge behandeling op 6 mei 2020 heeft vanwege het coronavirus telefonisch/via videobellen plaatsgevonden. 1.3. Tijdens die mondelinge behandeling zijn gehoord: - betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; - drs. [naam 1] , als psychiater verbonden aan GGNet; - dhr. [naam 2] , als sociaal psychiatrisch verpleegkundige verbonden aan GGNet. 1.4. De nadere mondelinge behandeling op 18 mei 2020 heeft vanwege het coronavirus telefonisch plaatsgevonden. 1.5. Tijdens die mondelinge behandeling zijn gehoord: - betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; - drs. [naam 3] , als psychiater verbonden aan GGNet; - dhr. [naam 2] , als sociaal psychiatrisch verpleegkundige verbonden aan GGNet. 1.6. Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte, is deze niet verschenen tijdens de mondelinge behandelingen. 2Het verzoek 2.1. De officier van justitie heeft verzocht een zorgmachtiging voor betrokkene te verlenen voor de duur van zes maanden voor de voorgestelde vormen van verplichte zorg. 3Het verweer 3.1. Betrokkene heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, nu de indieningstermijn zonder enige rechtvaardiging ernstig is overschreden en er geen rechtsgeldige én tevens incomplete stukken aan het onvoldoende gemotiveerde verzoek ten grondslag worden gelegd en willens en wetens het verzoek toch is ingediend. 3.2. Indien de rechtbank evenwel van oordeel is dat de officier van justitie wel ontvankelijk is, heeft betrokkene verzocht het verzoek af te wijzen. 3.3. Tot slot heeft betrokkene een schadevergoeding verzocht op grond van artikel 10:12, derde lid, van de Wvggz omdat de officier van justitie meervoudig de wet heeft overtreden. 3.4. Op de standpunten van betrokkene zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader worden ingegaan. 4Beoordeling 4.1. Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het niet toegestaan betrokkene persoonlijk te bezoeken. Dit levert voor betrokkene en andere aanwezigen een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op. Om die reden is besloten betrokkene telefonisch te horen. Ontvankelijkheid 4.2. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat de geneesheer-directeur op 17 februari 2020 aan hem heeft medegedeeld dat de zorgmachtiging zal worden voorbereid. Vanaf die datum had de officier van justitie zes weken de tijd om een verzoekschrift tot het verlenen van een zorgmachtiging in te dienen. Deze termijn liep derhalve af op 30 maart 2020. De officier van justitie heeft de stukken van de geneesheer-directeur ruimschoots voor afloop van de termijn ontvangen op 18 maart 2020. Het verzoek dient onverwijld te worden ingediend, maar is pas op 30 april 2020 ingediend. De termijn van zes weken is daarmee vergaand overschreden. Daarbij is de houdbaarheidsdatum van de door de officier van justitie verstrekte informatie ruimschoots verstreken. Zo is de medische verklaring niet meer actueel. 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5:16, eerste lid, van de Wvggz deelt de officier van justitie, na de schriftelijke mededeling bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, sub a, van de Wvggz, zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken, mee aan de in bedoeld wetsartikel genoemde personen. Indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 5:5, vijfde lid, van de Wvggz geldt hiervoor een termijn van uiterlijk zes weken. De officier van justitie dient vervolgens onverwijld een verzoekschrift tot een zorgmachtiging bij de rechter in (artikel 5:17, eerste lid, van de Wvggz). 4.4. In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de officier van justitie bij het indienen van het verzoek de wettelijke termijn heeft overschreden. De wetgever heeft aan deze termijnoverschrijding evenwel geen sanctie verbonden. Wel kan betrokkene om een schadevergoeding verzoeken, zoals hij bij voormeld verweerschrift heeft gedaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding vanwege de termijnoverschrijding het verzoek niet-ontvankelijkheid te verklaren. 4.5. Tevens heeft betrokkene naar voren gebracht dat de officier van justitie geen gevolg heeft gegeven aan de verplichting van artikel 5:11, derde lid, van de Wvggz om de advocaat van betrokkene te informeren, zodat er een last tot toevoeging van de advocaat aan betrokkene wordt afgegeven. De advocaat nam pas voor het eerst kennis van het verzoek na bericht van de griffier van de rechtbank op 1 mei 2020. 4.6. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5:11, eerste lid, van de Wvggz verstrekt de geneesheer-directeur de medische verklaring aan de officier van justitie. Ingevolge het tweede lid van voormeld wetsartikel kan de officier van justitie besluiten de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging te beëindigen. Op grond van het derde lid van voormeld wetsartikel deelt de officier van justitie zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing mee aan de advocaat. Dit artikel is in de onderhavige zaak niet van toepassing, nu er geen sprake is van beëindiging van de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging. De officier van justitie is juist overgegaan tot de indiening van het verzoek. De rechtbank gaat daarom ook voorbij aan het verweer van de advocaat op dit punt. 4.7. Daarnaast heeft betrokkene aangegeven dat het verzoek, met name de vormen van verplichte zorg, onvoldoende is gemotiveerd. Ook heeft de officier van justitie de twee bijlagen behorende bij de zorgkaart niet overgelegd. 4.8. De rechtbank is ten aanzien van de overige punten evenmin van oordeel dat die kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, nu de wet ook daaraan geen sancties heeft verbonden. Inhoudelijke beoordeling Zorgmachtiging 4.9. Naar het oordeel van de rechtbank kan de bij het verzoekschrift overgelegde medische verklaring van 11 maart 2020 niet als een verklaring over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene als bedoeld in artikel 5:8 van de Wvggz worden gezien. In verband hiermede heeft de rechtbank, mede gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling op 6 mei 2020 naar voren is gebracht, aanleiding gezien om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een actuele medische verklaring te overleggen. Deze verklaring is op 11 mei 2020 afgegeven door psychiater [naam 4] . 4.10. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie en middelengebruik. Anders dan de advocaat tijdens de mondelinge behandeling heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.