← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2020:3847

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 20/3602 en AWB 20/3601 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiseres], te [plaats 1], eiseres (gemachtigde: mr. B.G. Smouter), en het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde]). Procesverloop Bij besluit van 4 maart 2020 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 18 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek op de zitting heeft online plaatsgevonden op 21 juli

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [persoon A]. Overwegingen Waarover gaat deze uitspraak?
  2. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter de in het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van het verzoek van eiseres om een urgentieverklaring. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, doet hij niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. 1.
  3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
  4. Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij op 1 februari 2020 haar woonruimte heeft moeten verlaten. Na haar verbroken relatie was eiseres niet in staat was om alleen de huur van € 1.100,- te betalen. Eiseres woont, samen met haar minderjarige dochter, vanaf 1 februari 2020 tijdelijk in bij haar tante op de [locatie] te [plaats 1]. Het betreft een eengezinswoning met drie slaapkamers. Haar tante heeft twee kinderen. Het inwonen is bedoeld voor nood, aldus eiseres. Waarom wijst verweerder de urgentieaanvraag af?
  5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een woonnoodsituatie als bedoeld in artikel 10b van de Huisvestingsverordening Gemeente Arnhem 2020 (Huisvestingsverordening). Dit standpunt nam verweerder in het besluit van 4 maart 2020 nog niet in. Indien wel sprake zou zijn van een woonnoodsituatie, acht verweerder eiseres zelf verantwoordelijk voor de ontstane noodsituatie. Dat is op grond van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement aanvragen noodurgentieverklaring woonruimteverdeling [plaats 1]-[plaats 2] 2020 (Reglement) reden om de urgentie te weigeren. Indien eiseres niet zelf verantwoordelijk voor de ontstane situatie is te achten, werpt verweerder eiseres tegen dat zij minder dan twee jaar heeft samengewoond, terwijl zij uit een onzelfstandige woonruimte kwam. Op grond van artikel 20, aanhef en onder c, van het Reglement bestaat er daardoor geen recht op een woonurgentie. Mag verweerder zijn beleidsregel hanteren?
  6. Eiseres betoogt dat verweerder niet het Reglement aan de afwijzing ten grondslag kan leggen. Daartoe voert zij aan dat een wettelijke grondslag voor deze beleidsregels ontbreekt. Het in de aanhef van het Reglement vermelde artikel 84, tweede lid, van de Gemeentewet kan enkel een grondslag bieden voor het instellen van de commissie. Het biedt geen grondslag voor het vaststellen van regels omtrent de toewijzing van woonruimte door verweerder. De bevoegdheid voor het vaststellen van criteria voor urgentie is gelet op artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 4 van deze wet toebedeeld aan de gemeenteraad. In strijd met artikel 4:83 van de Awb vermeldt het Reglement niet waaruit de bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot vaststelling van de beleidsregels voortvloeit. Eiseres meent daarom dat deze bevoegdheid alleen de gemeenteraad toekomt en dat de beleidsregels zoals opgenomen in het Reglement enige wettelijke grondslag missen indien deze verder strekken dan de criteria zoals vermeld in de Huisvestingsverordening. Volgens eiseres voldoet zij aan de criteria voor een noodurgentieverklaring zoals vastgelegd in de Huisvestingsverordening. De samenwooneis en de voorwaarden voor invulling van de woonnoodsituatie en eigen verantwoordelijkheid strekken verder dan deze verordening. 4.
  7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 10b, derde en vierde lid, van de Huisvestingsverordening bevat de criteria waaraan aanvragen om een noodurgentieverklaring wordt getoetst. Uit artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met artikel 10b, derde lid, van de Huisvestingsverordening volgt dat verweerder bevoegd is om te besluiten op deze aanvragen om een noodurgentieverklaring die in de gemeente Arnhem worden ingediend. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Awb beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot die bevoegdheid. Verweerder heeft dat gedaan in het Reglement. Anders dan eiseres stelt, heeft het Reglement niet alleen betrekking op de bevoegdheden van de Urgentiecommissie woonruimteverdeling, maar ook op de bevoegdheden van verweerder. In het toegepaste artikel 20 van het Reglement is de grondslag voor een noodurgentieverklaring (artikel 10b, derde lid, van de Huisvestingsverordening) vermeld. Op dit punt is dus voldaan aan artikel 4:83 van de Awb. Mag verweerder ervan uitgaan dat geen sprake is van een woonnoodsituatie?
  8. Volgens verweerder is er geen sprake van een woonnoodsituatie die binnen vier maanden moet worden opgelost. Verweerder baseert zich op een advies van [adviesbureau] ([adviesbureau]) van 11 mei
  9. De woning beschikt over drie slaapkamers en eiseres en haar dochtertje slapen samen op een eigen slaapkamer. De woning is adequaat voor bewoning door eiseres, haar tante en de kinderen, aldus verweerder. 5.
  10. Eiseres betoogt dat het onderzoek van [adviesbureau] niet kan dienen als onderbouwing van verweerders standpunt dat geen sprake is van een woonnoodsituatie. De rapportage is niet inzichtelijk tot stand gekomen, noch inhoudelijk concludent. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht. Onduidelijk is immers wat [adviesbureau] onder woonnoodsituatie verstaat, waarom hij de woning adequaat acht terwijl zowel tante als eiseres met hun kind op één kamer slapen en in welke mate de omstandigheden waaronder eiseres bij haar tante moest gaan verblijven of de persoonlijke geschiedenis van de tante zijn meegewogen. Onduidelijk is verder waaruit de deskundigheid van [adviesbureau] zou blijken op het gebied van het vaststellen van een woonnoodsituatie. Bij het onderzoek is niet de verklaring van de huisarts betrokken, niet de schriftelijke verklaring van de tante en ook niet de reactie van eiseres op het schriftelijk horen. Waarom een huisarts geen onafhankelijke specialist zou zijn, acht eiseres onvoldoende onderbouwd. 5.
  11. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. 5.
  12. De medewerkers van [adviesbureau] beschikken over deskundigheid op medisch, psychiatrisch en psychosociaal gebied en zijn te beschouwen als een externe met specifieke deskundigheid. Het rapport van [adviesbureau] is een deskundigenadvies als bedoeld onder 5.
  13. 5.
  14. In het advies van [adviesbureau] van 11 mei 2020 staat dat de deskundige op 8 mei 2020 de woning heeft bezocht en daar heeft gesproken met eiseres en haar tante. Over de woonsituatie staat in het advies dat de tussenwoning een woonkamer met open keuken, drie slaapkamers, badkamer, zolder te bereiken via een vlizotrap, toilet en voor- en achtertuin met schuur heeft. Eiseres slaapt met haar dochtertje in een slaapkamer. Haar tante slaapt met haar jongste kind (anderhalf jaar) in de tweede slaapkamer. Haar oudste kind (vijf jaar) slaapt in de derde slaapkamer. Het advies houdt in dat er in feite op dit moment geen sprake is van een woonnoodsituatie. De huidige woning is adequaat voor vijf personen (twee volwassenen en drie kinderen). 5.
  15. Zoals volgt uit het onder 5.2 omschreven toetsingskader, mag het bestuursorgaan in beginsel op het advies van een deskundige afgaan. Er bestaat geen aanleiding aan te nemen dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat de woning is bezocht en een gesprek met eiseres en haar tante is gevoerd. Hoewel het advies van [adviesbureau] summier is in de motivering waarom van een woonnoodsituatie geen sprake is, zijn de overwegingen in het advies te volgen en ziet de voorzieningenrechter geen reden waarom de conclusie van dit advies niet zou aansluiten bij deze overwegingen. Hoewel uit de brief van de huisarts blijkt dat het hebben van een stabiele woonsituatie voor de overspannenheidsklachten van eiseres en de rust van haar dochtertje van groot belang is, geeft dit geen aanleiding hieraan alsnog te twijfelen. Verweerder mocht het advies van [adviesbureau] van 11 mei 2020 aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Gezien dit advies heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een woonnoodsituatie die binnen vier maanden moet worden opgelost. De beroepsgrond slaagt niet.
  16. Om voor een noodurgentieverklaring in aanmerking te komen moet aan alle drie in de Huisvestingsverordening genoemde onderdelen zijn voldaan. Dat betekent dat als aan één voorwaarde niet wordt voldaan, de overige voorwaarden niet meer hoeven te worden beoordeeld. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde dat sprake is van een persoonlijke noodsituatie. De voorzieningenrechter komt dus niet toe aan een bespreking van de overige onderdelen (eigen verantwoordelijkheid en onzelfstandige woonsituatie). Is er strijd met artikel 3 van het IVRK?
  17. Eiser betoogt dat de overwegingen van het bestreden besluit geen blijk geven van de belangen van de kinderen van zowel eiseres als haar tante, terwijl deze belangen een eerste overweging behoren te vormen op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Op basis van de ingebrachte verklaringen en de bijzondere omstandigheden meent eiseres, alle omstandigheden in aanmerking nemend, dat de belangen van de kinderen in dit geval nopen tot een uitgebreidere belangenafweging en daaropvolgende verlening van de urgentie. 7.
  18. Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. 7.
  19. Volgens verweerder is uit het advies van [adviesbureau] van problemen met (de ontwikkeling van) het dochtertje van eiseres niet gebleken. Ook uit de overige bekende informatie blijkt hier niet van. Volgens verweerder is dus voldoende rekening gehouden met de belangen van het dochtertje. Van strijd met het IVRK is dan ook geen sprake. 7.
  20. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van eiseres. De belangen van de dochter van eiseres zijn onder ogen gezien, maar hebben verweerder er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag op grond van de weigeringsgrond van artikel 10b, derde lid, van de Huisvestingsverordening. De voorzieningenrechter acht het standpunt van verweerder niet onredelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
  21. Eiseres betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de afwijzing niet tot onevenredige hardheid leidt. 8.
  22. Eiseres heeft het beroep op de in artikel 24 van de Huisvestingsverordening opgenomen hardheidsclausule geplaatst in de sleutel van de bijzondere omstandigheden waaronder de relatie is verbroken en de gevolgen hiervan voor haar. Omdat verweerder - zoals onder 5 tot en met 5.4 is uitgelegd - zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres zich niet in een persoonlijke noodsituatie bevindt, is geen grond aanwezig waarom verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat betekent dit voor het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening?
  23. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder in redelijkheid de urgentieaanvraag mocht afwijzen. Ook het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli
  24. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Bijlage Artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind
  25. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
  26. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
  27. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht. Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:81
  28. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. […] Artikel 4:83 Bij de bekendmaking van het besluit, inhoudende een beleidsregel, wordt zo mogelijk het wettelijk voorschrift vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het besluit, inhoudende een beleidsregel, betrekking heeft voortvloeit. Gemeentewet Artikel 84
  29. De raad, het college of de burgemeester kan andere commissies dan bedoeld in de artikelen 82, eerste lid, en 83, eerste lid, instellen.
  30. Artikel 83, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. […] Huisvestingswet 2014 Artikel 4 De gemeenteraad kan uitsluitend bij verordening voor de duur van ten hoogste vier jaar regels geven met betrekking tot: a. het in gebruik nemen of geven van woonruimte, en […] Artikel 12
  31. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
  32. De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën. […] Artikel 13
  33. Burgemeester en wethouders beslissen over de indeling van woningzoekenden in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, tweede lid. Burgemeester en wethouders kunnen van deze bevoegdheid mandaat verlenen. […] Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2020 Artikel 10b Urgentieverklaringen […]
  34. Burgemeester en wethouders kunnen een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie: a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen, en b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost, en c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een noodurgentieverklaring. […] Artikel 24 Hardheidsclausule
  35. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening. Reglement aanvragen noodurgentie woonruimteverdeling [plaats 1]-[plaats 2] 2020 Artikel 20 Beoordelingsaspecten voor persoonlijke noodsituatie Op grond van artikel 10b, derde lid van de huisvestingsverordening kan het college een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt. Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als: • het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie, • de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen, en • de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een noodurgentieverklaring. Daarnaast gelden de volgende beoordelingsaspecten. a. Eigen verantwoordelijkheid • De woonnoodsituatie moet buiten de schuld (of nalatigheid) van betrokkene zijn ontstaan. Betrokkene is niet verwijtbaar verantwoordelijk te stellen voor het ontstaan of voortbestaan van de problemen. Voor zover er sprake is van verwijtbare verantwoordelijkheid voor ontstaan of voort bestaan van het probleem geldt dit 3 jaar na het ontstaan van de woonnoodsituatie. • De woonnoodsituatie was voor betrokkene niet te voorzien, ofwel betrokkene was niet in staat tijdig maatregelen te nemen om de (huidige of aanstaande) woonnoodsituatie te voorkomen. • Verder was betrokkene niet in staat daarop te anticiperen door middel van tijdig reageren c.q. inschrijven als woningzoekende • Van betrokkene wordt verwacht eerst zelf aantoonbaar naar een oplossing van het probleem gezocht te hebben, voordat een urgentie wordt aangevraagd. […] c. Urgentie bij relatieverbreking […] Voor personen komend uit een onzelfstandige woonsituatie (thuissituatie of kamerbewoning) zal de eis gesteld worden dat het samenwonen tenminste twee jaar moet hebben geduurd om erkend te kunnen worden als een samenwoning die eventueel recht geeft op urgentie bij het beëindigen van die samenwoning. […] Zie onder meer ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
  36. Zie ABRvS 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2018:
  37. Zie onder meer ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1584.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.