beschikking RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 8549900 \ HA VERZ 20-93 \ 45950 \ 40141 uitspraak van 29 juli 2020 beschikking in de zaak van [verzoeker] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, gemachtigde: mr. H.C.E. van der Doelen, en de besloten vennootschap Coef Arnhem B.V., gevestigd in Arnhem, verwerende partij, gemachtigde: mr. G.W.J.M. van Mierlo. Partijen worden hierna [verzoeker] en Coef genoemd. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 29 mei 2020, ontvangen op 2 juni 2020, met producties, - het verweerschrift, met producties, - de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 14 juli 2020. 2De feiten 2.1. [verzoeker] is op 1 januari 2019 voor de duur van zeven maanden in dienst getreden bij Coef in de functie van verkoopster voor (gemiddeld) 30 uur per week. Aansluitend is de arbeidsovereenkomst op 31 juli 2019 verlengd voor de duur van acht maanden, tot 1 april 2020. Het salaris van [verzoeker] bedroeg in 2020 € 1.472,42 bruto per maand. 2.2. In de arbeidsovereenkomst van 31 juli 2019 staat in artikel 1.3 het volgende: “Werkgever is niet voornemens om na afloop van deze overeenkomst een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. Dit dient te worden beschouwd als een formele aanzegging conform artikel 7:668 BW dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31-3-2020.” 2.3. Op 31 augustus 2019 hebben Coef en [verzoeker] een opleidingsovereenkomst gesloten, waarin staat dat [verzoeker] de opleiding tot assistent bedrijfsleider zal volgen van 1 september 2019 tot en met 29 februari 2020. [verzoeker] heeft de opleiding gevolgd en maandelijks een opleidingstoeslag ontvangen van € 150,00 bruto. 2.4. Op 6 maart 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , regiomanager [naam] (hierna: [naam] ) en bedrijfsleider [naam 2] (hierna: [naam 2] ) over de opleiding van [verzoeker] . [naam] en [naam 2] hebben met [verzoeker] afgesproken dat het opleidingstraject zal worden verlengd, van 16 maart tot 16 juni 2020. 2.5. Op 17 maart 2020 is het opleidingstraject bevroren. De reden daarvoor was, zo staat in een e-mail van [naam] aan een aantal collega’s (inclusief [verzoeker] ), dat op dat moment niet voldoende aandacht kon worden gegeven aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft in maart wel gewoon bij Coef gewerkt. 2.6. Op 30 maart 2020 heeft [naam] namens Coef mondeling aan [verzoeker] meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst per 1 april 2020 niet wordt verlengd. In de e-mail van 31 maart 2020 aan [verzoeker] heeft [naam] dit als volgt toegelicht: “We vinden dat jij nog niet op het niveau bent wat we van een ass (in opleiding)binnen Coef verwachten. Omdat we afgelopen periode jou meerdere kansen hebben gegeven en geen verbetering hebben gezien verwachten we na opleiding geen grotere ontwikkeling. (…)” 3Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt, na vermindering van het verzoek ter zitting, om Coef te veroordelen tot betaling van een aanzegvergoeding ter hoogte van € 1.529,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van dit bedrag tot de voldoening. [verzoeker] verzoekt verder om verstrekking van een deugdelijke netto/bruto specificatie waarin dit bedrag is verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag vanaf de betekening van de beschikking, met een maximum van € 5.000,00. Tot slot verzoekt [verzoeker] om veroordeling van Coef in de proceskosten. 3.2. Aan haar verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. Uit het feit dat vlak voor de einddatum van de arbeidsovereenkomst het opleidingstraject is verlengd met een looptijd tot ver na die einddatum, volgt dat de samenwerking tussen partijen ook na 31 maart 2020 zou worden voortgezet. Dit blijkt ook uit het opleidingsplan van 6 maart 2020. Coef heeft op het laatste moment, namelijk pas op 30 maart 2020, toch afgezien van verlenging van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] is door deze gang van zaken niet tijdig geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Daarom is Coef de aanzegvergoeding als bedoeld in artikel 7:668 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd. Het is in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar dat Coef een beroep toekomt op de aanzegbepaling in artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst. 3.3. Coef betwist dat zij de aanzegvergoeding is verschuldigd. Met artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst heeft zij aan de aanzegverplichting voldaan. Toen het opleidingstraject werd verlengd is niet overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst na 31 maart 2020 zou worden voortgezet. Er is op 6 maart 2020 niet gesproken over de arbeidsovereenkomst en bovendien was bij dat gesprek geen personeel van Coef aanwezig dat bevoegd was om afspraken over eventuele verlenging van de arbeidsovereenkomst te maken, aldus Coef. 4De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 7:668 lid 1 BW informeert de werkgever de werknemer schriftelijk, uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.