RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05/880862-17 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [betrokkene] (hierna: betrokkene), geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Raadsman: mr. E.J.M.J Damen, advocaat te Arnhem. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op € 98.880,--. 2De procedure Ter terechtzitting van 28 mei 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. Het onderzoek is vervolgens geschorst. 3Het onderzoek ter terechtzitting De vordering is laatstelijk op 5 november 2020 ter terechtzitting behandeld. Daarbij is betrokkene verschenen, bijgestaan door mr. E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem. Het onderzoek is op 19 november 2020 gesloten. De officier van justitie, mr. L. Grooters, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat betrokkene samen met veroordeelde [veroordeelde] € 98.880,-- heeft weggenomen bij de [bank] in [plaats] . De officier van justitie heeft gevorderd dat dit verkregen voordeel pondspondsgewijs aan betrokkene en veroordeelde [veroordeelde] wordt toegerekend en dat betrokkene aldus wordt veroordeeld tot betaling van € 49.440,--. Betrokkene en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. Gelet op de bepleite integrale vrijspraak, heeft de verdediging verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen. 4De beoordeling van de vordering Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 3 december 2020 tegen betrokkene gewezen vonnis waarbij betrokkene is vrijgesproken van alle ten laste gelegde - en aan deze vordering ten grondslag liggende - feiten. Een veroordeling in de strafzaak is een noodzakelijke voorwaarde voor oplegging van de ontnemingsmaatregel. Nu betrokkene is vrijgesproken, en dus geen sprake is van een veroordeling in de strafzaak, is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige vordering moet worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: - wijst af de vordering van de officier van justitie. Aldus gegeven door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 december 2020.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.