vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/377577 / HA ZA 20-574 Vonnis in incident van 2 december 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid I.E.S. INVESTMENTS B.V., gevestigd te Oss, opposante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. R.L.A. van Buul te Eindhoven, tegen de vennootschap naar Belgisch recht HYPOFINANCE BVBA, gevestigd te Antwerpen (België), geopposeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. I. van Bekkum te Nijmegen. Partijen zullen hierna I.E.S. Investments en Hypofinance genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de inleidende dagvaarding van Hypofinance van 3 juli 2020, met 8 producties, het verstekvonnis van deze rechtbank van 12 augustus 2020, met zaaknummer / rolnummer C/05/373367 / HA ZA 20-420, de (verzet)dagvaarding tevens houdende incidentele vorderingen tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en zekerheidstelling, van 28 september 2020, met 12 producties, de conclusie van antwoord in het incident, van 28 oktober 2020. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 12 augustus 2020 (met zaaknummer / rolnummer C/05/373367 / HA ZA 20-420) tussen Hypofinance als eiseres en I.E.S. Investments als gedaagde, heeft de rechtbank - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - I.E.S. Investments veroordeeld: - om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te hebben meegewerkt aan eigendomsoverdracht aan Hypofinance van het door Hypofinance van I.E.S. Investments gekochte registergoed, vrij van huur of ander gebruiksrecht, leeg en ontruimd, welk registergoed betreft het Hotel und Gaststätte, gelegen te Dortmund (B.R.D.) aan de Martenerstraße 337, in het Grundbuch geregistreerd onder nummer Dortmund Blatt 21922 BV-Nr. 13, Gemarkung Marten, Flur 1, Flurstück 427, Gebäude- und Freiflache, Martenerstraße 337 (groot 301 m2), en BV-Nr. 14, Gemarkung Marten, Flur 1, Flurstück 428, Gebäude- und Freiflache, Martenerstraße 337 (groot 33 m2); - om aan Hypofinance een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 3.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt; - in de proceskosten, aan de zijde van Hypofinance tot dan toe begroot op € 1.288,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling; - in de na het vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van het vonnis tot aan de voldoening. 2.2. Het vonnis is op 31 augustus 2020 door de advocaat van Hypofinance toegezonden (niet betekend) aan de advocaat van I.E.S. Investments. 2.3. I.E.S. Investments is bij dagvaarding van 28 september 2020 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en vordert in de verzetprocedure bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad Hypofinance niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen en Hypofinance te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. In de dagvaarding heeft I.E.S. Investments tevens, voorafgaand aan haar inhoudelijke verweren, een incident opgeworpen. 3Het geschil in het incident 3.1. I.E.S. Investments vordert in het incident dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: Primair: - De uitvoering van het vonnis schorst totdat (primair) het vonnis in het onderhavige kort geding kracht van gewijsde heeft gekregen of (subsidiair) in de onderhavige procedure vonnis is gewezen; Subsidiair: - Aan Hypofinance de voorwaarde oplegt dat zij een bedrag van € 150.000,00, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, in depot bij de instrumenterend notaris stort en dat dit bedrag als zekerheid geblokkeerd blijft totdat het vonnis dat in de onderhavige zaak zal worden gewezen kracht van gewijsde heeft gekregen of subsidiair dat in deze zaak vonnis zal zijn gewezen; Primair en subsidiair: - Hypofinance veroordeelt in de kosten van de procedure, alsmede met veroordeling in de kosten van de executie van het vonnis te vermeerderen met nakosten á € 157,00 (zonder betekening) respectievelijk € 212,00 (met betekening), vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten als Hypofinance de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis heeft betaald. 3.2. Hypofinance voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. 4De beoordeling In het incident 4.1. Vooropgesteld wordt dat er bij de beoordeling in het incident vanuit zal worden gegaan dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is. I.E.S. Investments kan in zoverre dan ook in haar incidentele vorderingen worden ontvangen. 4.2. Ten aanzien van de primaire vordering in het incident, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, geldt daarnaast het volgende. Ingevolge artikel 145 Rv schorst het verzet de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis niet. In de wet ontbreekt een uitdrukkelijke bepaling op grond waarvan de rechtbank bevoegd is de schorsende werking van het verzet te herstellen. I.E.S. Investments baseert haar incidentele vordering op artikel 351 Rv, maar dat artikel ziet op de situatie waarin tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis hoger beroep is ingesteld. Een bepaling als artikel 351 Rv ontbreekt voor de procedure in verzet. Er is geen grond voor een analoge toepassing van het artikel voor een procedure in verzet zoals door I.E.S. Investments is bepleit. 4.3. Wél is er de mogelijkheid om ingevolge artikel 438 lid 2 Rv in kort geding te trachten om bij wijze van voorlopige voorziening de schorsing of staking van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis te verkrijgen. In dit verband is van belang dat I.E.S. Investments de incidentele vordering heeft ingesteld in het kader van een lopende bodemprocedure en dat die ziet op (ten minste) de periode totdat vonnis in deze procedure wordt gewezen. Gelet hierop zal de rechtbank de primaire incidentele vordering van I.E.S. Investments aanmerken als een (incidentele) vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv. De vraag is nu of dat wat in een executie-kort geding kan worden gevorderd ook middels een incidentele vordering kan. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De procedure ex artikel 223 Rv is immers gericht op het verkrijgen van een voorlopige voorziening die vergelijkbaar is met een in een executie-kort geding te verkrijgen voorziening. Niet valt in te zien dat wat met een kort geding kan worden bereikt niet met een daarop gerichte incidentele vordering zou kunnen. I.E.S. Investments heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Ook in zoverre kan I.E.S. Investments dus worden ontvangen in haar incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. 4.4. De rechtbank sluit voor die beoordeling van de (primaire) vordering in het incident aan bij de toetsingsmaatstaf voor een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, zoals door de Hoge Raad geformuleerd bij arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). De Hoge Raad overweegt in dat arrest (r.o. 5.8): ‘(…) a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.