RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen Zaakgegevens: 8519415 CV 20-1710 Grosse aan: mr. J. Zeegers Afschrift aan: mr. I. Ruesink Verzonden d.d. 16 september 2020 vonnis d.d. 16 september 2020 van de kantonrechter in de zaak van [eis.conv./verw.reconv.] wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,gemachtigde: mr. J. Zeegers, tegen de stichting STICHTING SITÉ WOONDIENSTEN, gevestigd te Doetinchem, verwerende partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. I. Ruesink. Partijen worden hierna [eis.conv./verw.reconv.] respectievelijk Sité genoemd. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 juni 2020 en de daarin genoemde processtukken; - conclusie van antwoord in reconventie zijdens [eis.conv./verw.reconv.] ; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 augustus 2020. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Tussen Sité en de heer [vader] , vader van [eis.conv./verw.reconv.] , (hierna: vader) is op 16 september 1967 een huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De huurprijs bedroeg laatstelijk EUR 450,00 per maand. 2.2. [eis.conv./verw.reconv.] is op [geboortedatum] geboren en heeft vanaf zijn geboorte tot heden onafgebroken in de woning gewoond. 2.3. Op 25 november 2019 is de heer [vader] overleden. Hij was toen 82 jaar oud. 2.4. [eis.conv./verw.reconv.] heeft Sité verzocht om de huur op de voet van het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW te mogen voortzetten. 2.5. Bij brief van 6 december 2019 heeft Sité dat verzoek afgewezen. 3De vordering en het verweer in conventie 3.1. [eis.conv./verw.reconv.] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [eis.conv./verw.reconv.] de huur van de woning gelegen aan de [adres] te ( [woonplaats] ex artikel 7:268 lid 2 BW voortzet c.q. huurder wordt van voornoemde woning; II. dat Sité Woondiensten zal worden veroordeeld in de proceskosten. 3.2. [eis.conv./verw.reconv.] legt daaraan het volgende ten grondslag. heeft vanaf zijn meerderjarigheid een duurzame gemeenschappelijke huishouding met vader gevoerd. [eis.conv./verw.reconv.] heeft vanaf zijn geboorte bij vader gewoond en nooit de intentie gehad de duurzame gemeenschappelijke huishouding te beëindigen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat [eis.conv./verw.reconv.] en vader als gezin/partners samenleefden. Zo deden zij samen de boodschappen, het huishouden en kookten samen. Daarnaast hadden zij ook gezamenlijk sociale activiteiten zoals tv kijken, op visite bij vrienden, in het weekend samen naar de camping, samen op wintersport en samen vissen. Er is sprake van wederkerigheid in de relatie tussen vader en [eis.conv./verw.reconv.] . [eis.conv./verw.reconv.] en vader verdeelden ook de kosten van de huishouding. De duurzame gemeenschappelijke huishouding blijkt tot slot uit overgelegde verklaringen van buren, kennissen en familie. [eis.conv./verw.reconv.] heeft een vaste baan en geen financiële problemen en biedt aldus voldoende waarborg voor de huur, aldus [eis.conv./verw.reconv.] . 3.3. Sité heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing, met veroordeling van [eis.conv./verw.reconv.] in de proceskosten. De inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig aan de orde komen. 4De vordering en het verweer in reconventie 4.1. In reconventie vordert Sité dat: de kantonrechter voor recht verklaart dat [eis.conv./verw.reconv.] zonder recht of titel in de woning verblijft en [eis.conv./verw.reconv.] veroordeelt om voormelde onroerende zaak c.a. binnen 3 weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis met al wie en/of wat er zich vanwege [eis.conv./verw.reconv.] daarin mocht bevinden te ontruimen, te verlaten en met overgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen; [eis.conv./verw.reconv.] zal worden veroordeeld in de proceskosten. 4.2. Sité legt aan haar vorderingen onder meer de volgende stellingen ten grondslag. Sité is van mening dat [eis.conv./verw.reconv.] zonder recht of titel in de woning verblijft. Het feit dat een kind na zijn meerderjarig worden nog bij zijn ouder in een gemeenschappelijke huishouding blijft wonen, brengt volgens Sité niet mee dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. 4.3. [eis.conv./verw.reconv.] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing. De inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig aan de orde komen. 5 5. De beoordeling 5.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de kantonrechter deze gezamenlijk bespreken. 5.2. [eis.conv./verw.reconv.] vordert voortzetting van de huurovereenkomst tussen vader en Sité. Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW zet de persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad de huur na het overlijden van de huurder zes maanden voort en kan de rechter bepalen dat deze persoon de huur ook na die zes maanden voortzet. Volgens artikel 7:268 lid 3 BW wijst de rechter de vordering bedoeld in lid 2 in ieder geval af wanneer, kort samengevat: geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding; eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor behoorlijkenakoming van de huur; eiser niet in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning voor de betreffende woonruimte. 5.3. In deze procedure staat tussen partijen uitsluitend ter discussie de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Voor wat betreft de overige twee afwijzingsgronden is niet in geschil dat [eis.conv./verw.reconv.] daaraan voldoet. 5.4. Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.