vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/378022 / KG ZA 20-394 Vonnis in kort geding van 30 oktober 2020 in de zaak van [eiser] wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. Ö.G. Özutrk te Uitgeest, procederend onder toevoegingsnummer 40I1264, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROLO PROPERTIES B.V., gevestigd Hengelo (Ov), kantoorhoudende te Bosch en Duin, gemeente Zeist, gedaagde, advocaat mr. M. Wierenga te Utrecht. Partijen zullen hierna [eiser] en Rolo Properties genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 28 de e-mails van 20 oktober 2020 namens Rolo Properties met producties 1 tot en met 20 de e-mails van 20 oktober 2020 namens [eiser] met producties 29 tot en met 33 de mondelinge behandeling gehouden op 21 oktober 2020 de pleitnota van [eiser] de pleitnota van Rolo Properties. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser] is op 7 mei 2019 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [naam] (hierna: [naam]). Tijdens het huwelijk woonden zij gezamenlijk in de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De woning is eigendom van [naam]. 2.
- Bij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2020 zijn [naam] en haar vader onder meer hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 422.814,23 (exclusief proceskosten) aan Rolo Properties. 2.
- Op 6 juli 2020 heeft Rolo Properties executoriaal beslag gelegd op de roerende zaken die zich bevinden in de woning. 2.
- Op 22 juli 2020 is een verzoek tot echtscheiding tussen [eiser] en [naam] ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. 2.
- Op 22 oktober 2020 was de executoriale verkoop van de door Rolo Properties in beslag genomen roerende zaken gepland. Bij e-mail van 20 oktober 2020 heeft de deurwaarder bericht dat de geplande executoriale verkoop is uitgesteld. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Rolo Properties zal verbieden om de op 22 oktober 2020 geplande openbare verkoop doorgang te laten vinden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, II. het executoriaal beslag op de roerende zaken c.q. inboedelzaken, zoals vermeld in de beslagstukken van 6 juli 2020, zal opheffen, met veroordeling van Rolo Properties in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
- [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de roerende zaken waarop Rolo Properties executoriaal beslag heeft gelegd zijn eigendom zijn. Om die reden vordert hij opheffing van het executoriaal beslag en een verbod op de geplande openbare verkoop. 3.
- Rolo Properties voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Er is sprake van een executiegeschil. Het spoedeisende belang volgt uit de aard van de vorderingen. 4.
- Een derde kan zich op grond van artikel 456 Rv verzetten tegen de verkoop van in beslag genomen goederen die (deels) aan hem toebehoren. Uit de e-mail van de deurwaarder van 20 oktober 2020 blijkt dat de geplande executoriale verkoop op 22 oktober 2020 tot nader order is uitgesteld. [eiser] heeft hierdoor geen belang meer bij deze vordering. 4.
- Voorts geldt het volgende. [eiser] dient, nu ten laste van [naam] executoriaal beslag is gelegd, als ‘een derde’ in de zin van artikel 438 lid 5 van het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te worden aangemerkt. Ingevolge artikel 438 lid 5 Rv geschiedt verzet tegen de executie door een derde door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. [eiser] heeft alleen Rolo Properties, als executant, gedagvaard en niet ook [naam], als geëxecuteerde. Niet gesteld of gebleken is dat [naam] met deze procedure instemt. Het enkele feit dat zij mogelijk wist dat [eiser] deze procedure is gestart, is daarvoor niet voldoende. Hoewel [eiser] en [naam] (ex)echtelieden zijn is ook niet gesteld of gebleken dat zij dezelfde belangen hebben, in tegendeel, ter zitting is namens [eiser] toegelicht dat dat juist niet het geval is. Nu artikel 438 lid 5 Rv een voorschrift van dwingend recht betreft, dat ambtshalve door de voorzieningenrechter moet worden getoetst, en [eiser] heeft nagelaten ook [naam] in deze procedure te betrekken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk is. 4.
- [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rolo Properties worden begroot op: - griffierecht € 656,00 - salaris advocaat 633,00 Totaal € 1.289,
- 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, 5.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Rolo Properties tot op heden begroot op € 1.289,
- Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2020.