vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/375861 / KG ZA 20-338 Vonnis in kort geding van 30 december 2020 in de zaak van de stichting STICHTING DERDENGELDEN VERHUUR GROENE HEUVELS, gevestigd te Beuningen en kantoorhoudende te Ewijk, eiseres, advocaat mr. H.C.J. Oomen te Beuningen , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. D.A. Boor te Ede. Partijen zullen hierna de stichting en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 12 de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde] de aanvullende producties 13 tot en met 15 van de stichting de mondelinge behandeling van 21 oktober 2020 en de namens beide partijen op de zitting overgelegde pleitaantekeningen de brieven van 28 oktober en 4 november 2020 van de stichting met het verzoek om aanhouding van het kort geding de brief van 10 november 2020 van de stichting met het verzoek om voortzetting van het kort geding de brief van 12 november 2020 van [gedaagde] , houdende een beslagverlof met producties de aanvullende producties 16 tot en met 20 van de stichting de aanvullende producties 6 tot en met 9 van [gedaagde] de aanvullende productie 21 van de stichting de brief van 15 december 2020 van de stichting, houdende een wijziging van eis de voortzetting van de mondelinge behandeling van 16 december 2020 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2020 met de daarin genoemde stukken, waarin de mondelinge behandeling op verzoek van partijen opnieuw is aangehouden ten behoeve van schikkingsonderhandelingen de brief van 22 december 2020 van de stichting met de mededeling dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en het verzoek vonnis te wijzen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is eigenaar van 26 vakantiehuisjes op vakantiepark De Groene Heuvels. De grond waarop de huisjes zijn geplaatst heeft [gedaagde] in ondererfpacht geleverd gekregen van De Groene Heuvels Holding B.V., die op haar beurt de grond in erfpacht heeft van Leisurelands B.V. Bij uitgifte van de grond is [gedaagde] lid geworden van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, genaamd VEBEGH, die de gezamenlijke belangen van de eigenaren van de huisjes zou behartigen (hierna: VEBEGH). 2.2. VEBEGH heeft de exploitatie van het vakantiepark en het onderhoud van de huisjes van eigenaren die lid zijn van VEBEGH uitbesteed en opgedragen aan Groene Heuvels Exploitatie B.V. (hierna: GHE). Enig (middellijk) bestuurder van GHE is de heer S.A.P. van der Weerden (hierna: Van der Weerden). 2.3. De eigenaren van huisjes hebben de keuze om de verhuur hiervan zelfstandig te regelen of dit collectief laten doen. De collectieve verhuur is door VEBEGH eveneens uitbesteed aan GHE. [gedaagde] laat zes huisjes collectief verhuren via GHE. De overige twintig huisjes verhuurt hij zelfstandig. 2.4. Tussen De Groene Heuvels Holding B.V. en GHE is een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten, waarin GHE is aangeduid als “opdrachtnemer”. Deze overeenkomst is mede ondertekend door VEBEGH. In de overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald: Artikel 6 – Financiële afwikkeling/vergoedingen (...) 6.6. De opdrachtnemer heeft het recht de kosten die verband houden met de verhuur en/of de instandhouding van de recreatiebungalows alsmede hetgeen de individuele eigenaar uit welke hoofde dan ook jegens De Groene Heuvels Holding B.V. / de VEBEGH verschuldigd is, te verrekenen met de huuropbrengsten van de individuele eigenaren van de recreatiebungalows. (...) 2.5. GHE brengt maandelijks, namens VEBEGH, bij iedere eigenaar van een huisje op het park parklasten in rekening om daarmee de kosten die samenhangen met de verhuur en onderhoud van de huisjes te dekken. 2.6. Bij akte van 20 december 2017 heeft GHE (vertegenwoordigd door Van der Weerden) de stichting opgericht. In de akte van oprichting is, voor zover relevant, het volgende bepaald: (...) De verschenen persoon geeft vooraf te kennen: - dat aan na te noemen Groene Heuvels Exploitatie B.V. (...) uit hoofde van haar werkzaamheden of activiteiten bij voortduring gelden worden toevertrouwd, die door Groene Heuvels Exploitatie B.V. aan derden moeten worden doorbetaald; - dat deze gelden (...) zich in civielrechtelijke zin vermengen met het vermogen van de door Groene Heuvels Exploitatie B.V. gedreven onderneming; - dat het als wenselijk wordt ervaren dat deze gelden zijn afgescheiden van het vermogen van de onderneming van Groene Heuvels Exploitatie B.V.; - dat om die reden de stichting wordt opgericht; - dat wordt beoogd alle betalingen van gelden te doen plaatsvinden aan en vanuit deze stichting, opdat slechts vermenging zal plaatsvinden waar het betreft de gelden onderling, doch geen vermenging mogelijk is tussen de gelden en het vermogen van de onderneming van Groene Heuvels Exploitatie B.V. (...) 2.7. Enig bestuurder van de stichting is Van der Weerden. De stichting heeft een bankrekening geopend waarop huurders van (collectief verhuurde) huisjes de huur betalen. Vanaf dat moment worden de huuropbrengsten van de eigenaren na aftrek van provisie en kosten, en eventueel na verrekening van hetgeen een eigenaar aan parkbijdragen verschuldigd is aan GHE/VEBEGH, rechtstreeks van de bankrekening van de stichting aan de eigenaren overgemaakt. 2.8. GHE heeft vervolgens de stichting Spaarsysteem Groene Heuvels opgericht (hierna: de stichting Spaarsysteem). Op de bankrekening van deze stichting Spaarsysteem wordt door GHE maandelijks een bedrag van € 250,00 euro per collectief verhuurd huisje gereserveerd/betaald vanaf de bankrekening van de stichting. Dit bedrag wordt maandelijks ingehouden op de huuropbrengsten van de huisjes met als doel te sparen ten behoeve van het opknappen van de huisjes in 2022. 2.9. In maart/april 2020 is tussen GHE en [gedaagde] een geschil ontstaan over het uit te voeren onderhoud aan de huisjes die [gedaagde] in eigendom heeft. [gedaagde] heeft hierop zijn betalingen aan GHE voor het onderhoud van de huisjes, alsmede de betaling van de parklasten opgeschort. 2.10. In de loop van 2020 is tussen GHE en [gedaagde] tevens een geschil ontstaan over de reeds voor zijn zes collectief verhuurde huisjes gespaarde bedragen op de bankrekening van de stichting Spaarsysteem. Naar aanleiding van dit geschil en van een verzoek van [gedaagde] om het door hem betaalde spaargeld terugbetaald te krijgen, heeft Van der Weerden aan de stichting Spaarsysteem opdracht gegeven om een bedrag van € 20.390,62 aan betaald spaargeld ten behoeve van [gedaagde] over te maken aan de stichting. 2.11. De stichting, althans GHE, heeft dit bedrag van € 20.390,62 niet aan [gedaagde] uitbetaald, maar het bedrag vervolgens verrekend met door haar gestelde openstaande vorderingen van VEBEGH op [gedaagde] . 2.12. Krachtens daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 31 juli 2020 heeft [gedaagde] conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekening van de stichting bij de ABN AMRO bank. De overbetekening van het exploot heeft op 18 augustus 2020, en daarmee niet binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn, plaatsgevonden. Het beslag is om die reden weer opgeheven. 2.13. Bij brief van 6 augustus 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] GHE, kort samengevat, bericht dat de huurinkomsten over de maanden april tot en met juni 2020 door de stichting niet aan [gedaagde] waren betaald en haar gesommeerd deze huurinkomsten, alsmede de inkomsten over de maand juli 2020, vermeerderd met rente en kosten, voor een totaalbedrag van € 33.711,36, binnen acht dagen te voldoen. 2.14. Bij brief van 20 augustus 2020 heeft de advocaat van de stichting de advocaat van [gedaagde] , kort samengevat, bericht over de te late betekening van het beslagexploot en hem verzocht het beslag integraal op te heffen. Voorts staat in deze brief, voor zover relevant, het volgende: (...) Uw cliënt heeft een vordering op Groene Heuvels Exploitatie B.V. waar het gaat om de huurafrekening. Aanvankelijk heeft uw client besloten om een gedeelte van de huurafrekening te bestemmen als spaargeld. (...) Vanaf het moment, dat uw cliënt het spaargeld alsnog uitgekeerd wenste te hebben heeft uw cliënt een vordering op Groene Heuvels Exploitatie B.V., maar in ieder geval nooit op de Stichting Derdengelden Verhuur Groene Heuvels. Uw cliënt is ermee bekend dat Groene Heuvels Exploitatie B.V. zich op het standpunt stelt, dat zij nog een aanzienlijke vordering heeft op uw cliënt. (...) Ook is het uw cliënt bekend, dat Groene Heuvels Exploitatie B.V. de vorderingen over en weer zou verrekenen, en dit is ondertussen allang geschied. Op basis van het hiervoor gestelde (...) kan slechts de conclusie zijn, dat uw cliënt geen vordering heeft op de Stichting Derdengelden Verhuur Groene Heuvels B.V., maar ook niet op Groene Heuvels Exploitatie B.V. ter zake van het spaargeld. Voorts is het spaargeld minder dan het door u in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 22.500,-. (...) 2.15. Krachtens daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 augustus 2020 heeft [gedaagde] nogmaals conservatoir derdenbeslag gelegd op de genoemde bankrekening van de stichting bij de ABN AMRO bank (hierna: het beslag van 21 augustus). In het verkregen beslagverlof is de vordering (inclusief kosten) begroot op € 26.507,80. 2.16. Op 21 augustus 2020 heeft [gedaagde] de stichting en GHE gedagvaard voor de kantonrechter. In deze procedure vordert [gedaagde] betaling door de stichting van een bedrag van € 20.390,62, waaronder begrepen de reeds verschenen rente, en te vermeerderen met rente en kosten, inclusief beslagkosten. Aan zijn vordering legt [gedaagde] , kort samengevat, ten grondslag dat het door hem voldane bedrag van € 20.390,62 aan de stichting Spaarsysteem onverschuldigd is betaald en dat hij recht heeft op terugbetaling van dit bedrag. GHE heeft bij conclusie van antwoord een eis in reconventie ingediend, waarin zij betaling door [gedaagde] vordert van een bedrag van € 16.089,14, te vermeerderen met rente en kosten. GHE legt aan haar vordering, kort samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] dit bedrag, na verrekening van het in conventie genoemde bedrag, nog is verschuldigd ter zake van onderhoudsdiensten en parklasten. 2.17. De op 21 oktober 2020 gehouden mondelinge behandeling in dit kort geding is aangehouden op verzoek van partijen voor schikkingsoverleg. 2.18. Krachtens daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 29 oktober 2020 heeft [gedaagde] op 30 oktober 2020 opnieuw conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekening van de stichting bij de ABN AMRO bank (hierna: het beslag van 30 oktober 2020). De vordering betreft achterstallige betaling van huurinkomsten over de maanden maart tot en met september 2020 en is begroot (inclusief kosten) op € 73.457,36. 2.19. Bij brief van 10 november 2020 heeft de advocaat van de stichting de rechtbank verzocht de mondelinge behandeling van 21 oktober 2020 voort te zetten. Hij heeft de rechtbank, kort samengevat, bericht dat partijen tijdens de mondelinge behandeling op 21 oktober 2020 een regeling waren overeengekomen die inhield dat [gedaagde] het op 21 augustus 2020 gelegde beslag onder de stichting zou opheffen na betaling van een bedrag van € 26.507,80 op de derdengeldrekening van de advocaat van [gedaagde] , zodat de stichting weer zou kunnen beschikken over het resterende saldo op haar bankrekening bij de ABN AMRO bank en dat door het op 30 oktober 2020 door [gedaagde] gelegde beslag de tussen partijen overeengekomen regeling is gefrustreerd, omdat de stichting zich opnieuw geconfronteerd ziet met een bankrekening waarop beslag ligt en waarover zij dus niet kan beschikken. 2.20. Bij brief van 12 november 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] de rechtbank, kort samengevat, hierop bericht dat het op 7 augustus 2020 gelegde beslag (bedoeld zal zijn: het op 21 augustus 2020 gelegde beslag, vzr) is opgeheven, zodat [gedaagde] uitvoering aan de tussen partijen getroffen regeling heeft gegeven en dat [gedaagde] een nieuw beslagverlof heeft verkregen voor een geheel andere vordering, uit hoofde waarvan hij het op 30 oktober 2020 gelegde beslag heeft gelegd. 2.21. Op 13 november 2020 heeft [gedaagde] de stichting, GHE en VEBEGH gedagvaard voor deze rechtbank. In deze procedure vordert [gedaagde] , onder meer, betaling door GHE en VEBEGH van een bedrag van € 227.231,48 ter zake van schadevergoeding wegens niet nagekomen onderhoudsverplichtingen en betaling door de stichting, althans GHE, van een bedrag van € 56.505,66 ter zake van achterstallige (collectieve) verhuuropbrengsten voor de huisjes van [gedaagde] . Partijen hebben nadien de kantonrechter verzocht de eerste op 21 augustus 2020 aanhangig gemaakte bodemprocedure (zie 2.16.) op de voet van artikel 98 Rv te verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, met het verzoek aan de rechtbank om die procedure na verwijzing te voegen met de hiervoor bedoelde tweede bodemprocedure. 2.22. Bij brief van 13 november 2020 heeft de ABN AMRO bank verklaard dat het saldo van de bankrekeningen van de stichting op het moment van beslaglegging respectievelijk € 25.348,29 en € 293.745,04 bedroeg. 2.23. Op 16 december 2020 heeft een voortzetting van de mondeling behandeling van dit kort geding plaatsgevonden. Schikkingsonderhandelingen tussen partijen nadien hebben niet tot overeenstemming geleid. 3Het geschil 3.1. De stichting vordert, na wijziging en aanvulling van eis, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis het door hem op 21 augustus 2020 ten laste van de stichting gelegde conservatoire beslag onder de ABN AMRO bank op te heffen onder de voorwaarde dat de stichting binnen twee dagen na dit vonnis meewerkt aan betaling van een bedrag van € 26.507,80 op de derdengeldrekening van de advocaat van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen; II. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis het door hem op 30 oktober 2020 ten laste van de stichting gelegde conservatoire beslag onder de ABN AMRO bank op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen; III. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling. 3.2. De stichting legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Ten aanzien van het beslag van 21 augustus 2020 stelt zij zich op het standpunt dat [gedaagde] geen vordering heeft op de stichting omdat er geen (rechtstreekse) rechtsverhouding tussen partijen bestaat. Hiermee is reeds summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] gebleken, aldus de stichting. Verder stelt zij dat, ook in het geval [gedaagde] zich beroept op het bestaan van een vordering op GHE, eveneens summierlijk van de ondeugdelijkheid van die vordering is gebleken, omdat [gedaagde] nog een bedrag verschuldigd is aan GHE dat hoger is dan het terug te betalen bedrag uit de stichting Spaarsysteem en GHE deze vorderingen heeft verrekend. Het beslag is bovendien onredelijk bezwarend voor de stichting, nu het doel heeft getroffen voor een veel hoger bedrag dan in het beslagverlof is begroot en de bedrijfsvoering van de stichting daarmee in gevaar komt. Voor zover al sprake zou zijn van een vordering van [gedaagde] op GHE dient het beslag beperkt te worden tot het in de bodemprocedure genoemde bedrag van € 26.507,00, aldus de stichting. Nu partijen zijn overeengekomen dat de stichting voor dit bedrag vervangende zekerheid zou stellen door middel van het voldoen van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van [gedaagde] is het beslag dat op 30 oktober 2020 is gelegd in strijd met de genoemde regeling en daarmee onrechtmatig, aldus de stichting. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat summierlijk de ondeugdelijkheid van zijn vordering niet is aangetoond, nu met het beroep van de stichting op verrekening is gebleken dat [gedaagde] wel degelijk een gegronde vordering heeft. Voor opheffing van het beslag van 21 augustus 2020 bestaat dan ook geen grond, aldus [gedaagde] . Het beslag van 30 oktober 2020 betreft een andere vordering (achterstallige huuropbrengsten) en is noodzakelijk teneinde zijn rechten te stellen, zodat voor opheffing van dat beslag evenmin grond bestaat, aldus [gedaagde] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Tussen partijen is in geschil of de door [gedaagde] op 21 augustus 2020 en op 30 oktober 2020 gelegde conservatoire derdenbeslagen op de bankrekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.