vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/369397 / KG ZA 20-128 Vonnis in kort geding van 26 mei 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. J. Eerbeek te Veenendaal, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] , gevestigd te Tiel, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] , gevestigd te Tiel, gedaagden, advocaat mr. J. Gonlag te Dordrecht. Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 11; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15; het faxbericht van 11 mei 2020 van de zijde van [eiser] met producties 12 tot en met 24; de in verband met de Corona maatregelen voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden pleitnota van [eiser] ; de door de griffier gemaakte aantekeningen van de, in verband met de Corona maatregelen, via Skype gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ) exploiteert een onderneming op het gebied van het snijden en bewerken van polyether/schuim en kussens. [gedaagde 1] heeft als handelsnaam [gedaagde 1] Van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2] ) enig aandeelhouder en enig bestuurder. De in totaal 40.300 aandelen in [gedaagde 2] werden tot 10 januari 2017 gehouden door de vader van [eiser] , (hierna te noemen: [vader van eiser] ) en zijn echtgenote. Op 10 januari 2017 heeft een aandelenoverdracht plaatsgevonden. Vanaf die datum wordt ongeveer 51% van de aandelen gehouden door [vader van eiser] en ongeveer 49% van de aandelen door [eiser] en zijn broer, [broer eiser] . 2.2. [broer eiser] en [eiser] zijn reeds vele jaren voor [gedaagde 1] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. De laatste jaren hebben zij mede leiding aan de onderneming gegeven. Op dezelfde dag als de dag van de aandelenoverdracht, te weten 10 januari 2017, hebben [vader van eiser] , [broer eiser] en [eiser] een aandeelhoudersovereenkomst ondertekend. Daarin is onder meer in artikel 5.1. bepaald dat [vader van eiser] samen met [broer eiser] en [eiser] het dagelijkse bestuur van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vormt en dat zij tot statutair bestuurders worden benoemd. In artikel 5.2. is bepaald dat het bestuur beslist met een gewone meerderheid van stemmen, maar dat [vader van eiser] tot 1 januari 2024 binnen het bestuur twee stemmen heeft. Tot benoeming van [broer eiser] en [eiser] tot statutair bestuurders is het - toen - niet gekomen. 2.3. Bij de processtukken bevinden zich recente salarisstroken waaruit volgt dat [eiser] bij [gedaagde 1] een dienstverband van 40 uren per week heeft tegen betaling van (laatstelijk) een bedrag van € 3.772,03 bruto per maand. 2.4. Bij verzoekschrift van 2 oktober 2017 hebben [broer eiser] en [eiser] in een tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [vader van eiser] gerichte procedure de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam onder meer verzocht één of meer deskundigen te benoemen die het beleid en de gang van zaken binnen [gedaagde 1] dienen te onderzoeken, alsmede een zodanige voorziening in het bestuur van [gedaagde 2] te treffen dat [vader van eiser] gedurende het onderzoek als bestuurder wordt geschorst en [broer eiser] en [eiser] tot gezamenlijk bestuurders worden benoemd, onder toekenning van een gelijk stemrecht als aandeelhouders aan [vader van eiser] , [broer eiser] en [eiser] . 2.5. Bij beschikkingen van 1 februari 2018 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij [gedaagde 2] en [gedaagde 1] over de periode vanaf 1 januari 2016 met bij beschikking van 5 februari 2018 benoeming van mr. D.P. Cras tot onderzoeker. Hierbij is overwogen dat de onderzoeker kan bezien welke bestuursstructuur [eiser] sr, [broer eiser] en [eiser] destijds (mogelijk op termijn) nu precies op het oog hadden alsook welke bestuursstructuur naar zijn oordeel gelet op de aard van de onderneming en de mogelijkheden van [vader van eiser] , [broer eiser] en [eiser] het meest aangewezen is. 2.6. Tevens is bij beschikkingen van 1 en 5 februari 2018 bij wijze van onmiddellijke voorziening en met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten van [gedaagde 2] – de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) naast [vader van eiser] benoemd tot bestuurder van [gedaagde 2] waarbij is bepaald dat [bestuurder] als bestuurder een doorslaggevende stem zal hebben. De verzoeken van [broer eiser] en [eiser] tot schorsing van [vader van eiser] als bestuurder en benoeming van hen beiden tot bestuurder zijn bij beschikking van 1 februari 2018 afgewezen. De Ondernemingskamer heeft daartoe als volgt overwogen: “3.7 De Ondernemingskamer acht het onder voornoemde omstandigheden voorts aangewezen bij wijze van onmiddellijke voorziening een bestuurder bij [gedaagde 2] te benoemen met doorslaggevende stem. Gelet op dit laatste alsmede op het feit dat onduidelijkheid bestaat omtrent de al dan niet tussen partijen gemaakte afspraken over de invulling van het bestuur van [gedaagde 2] acht Ondernemingskamer onvoldoende grond aanwezig om thans nader in dat bestuur in te grijpen. De verzoeken om, bij wijze van onmiddellijke voorziening, vader [eiser] te schorsen als bestuurder van [gedaagde 2] en [broer eiser] en [eiser] tot bestuurders van die vennootschap te benoemen, zullen dan ook worden afgewezen. De Ondernemingskamer kan zich voorstellen dat de te benoemen bestuurder door middel van een volmacht of procuratie een formele basis geeft aan de huidige positie van [broer eiser] en [eiser] (die thans, onbetwist, feitelijk leiding geven aan de onderneming). [...]." 2.7. Vervolgens heeft er tussen [vader van eiser] en zijn echtgenote enerzijds en [broer eiser] en [eiser] anderzijds een procedure bij de rechtbank Gelderland gespeeld, waarbij voor zover hier van belang, S [broer eiser] en [eiser] een tegenvordering hebben ingediend tot veroordeling van [vader van eiser] tot nakoming van de afspraak dat zij tot statutair bestuurder zouden worden benoemd. Deze procedure heeft tot het vonnis van 29 mei 2019 geleid waarbij de tegenvorderingen van [broer eiser] en [eiser] zijn toegewezen in die zin dat [vader van eiser] is veroordeeld tot nakoming van de afspraak die in artikel 5.1. van de aandeelhoudersovereenkomst (van 10 januari 2017) is vastgelegd door binnen veertien dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot ondertekening van het aandeelhoudersbesluit en het formulier van de KvK die als productie 29 en 30 op 5 maart 2018 namens [broer eiser] en [eiser] zijn ingediend. De beschikkingen van 1 en 5 februari 2018, gegeven door de Ondernemingskamer, hebben in die procedure deel uitgemaakt van de procestukken van de procedure bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank overweegt ter zake: "4.10 De vorderingen van de ouders [eiser] worden derhalve afgewezen. Omdat daaruit volgt dat de aktes in stand blijven, kan de tegenvordering tot - kort gezegd- verdere uitvoering van artikel 5.1. in de aandeelhoudersovereenkomst worden toegewezen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de benoeming van de zonen [eiser] tot statutair bestuurdes een uitvloeisel is van de aktes die niet vernietigd worden en derhalve verder moeten worden uitgevoerd. Dit staat los van de (andere) vraag die nog bij de de Ondernemingskamer voorligt namelijk welke bestuursstructuur [vader van eiser] , [broer eiser] en [eiser] destijds op het oog hadden, als ook welke bestuursstructuur naar het oordeel van de onderzoeker gelet de aard van de onderneming en de mogelijkheden van voornoemde drie personen naar zijn of haar oordeel het meest aangewezen is." 2.8. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. [vader van eiser] heeft, nadat het vonnis aan hem was betekend, uitvoering gegeven aan de veroordeling die in het vonnis van 29 mei 2019 is opgenomen. Hij heeft in september 2019 het besluit, dat op 17 augustus 2017 is gedateerd, ondertekend. 2.9. De door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker, mr. D.P. Cras, heeft het onderzoek op 20 december 2019 afgerond. In zijn verslag is onder meer vermeld dat veel van de problemen binnen (de onderneming van) [gedaagde 1] c.s. veroorzaakt zijn door het (ten onrechte) niet althans niet volledig c.q. onjuist uitvoering geven aan de tussen partijen (onder andere) in de Januari Stukken (opmerking vzr: januari 2017) gemaakte afspraken. Naar het oordeel van de onderzoeker is dat voor het grootse deel [vader van eiser] aan te rekenen. Volgens de onderzoeker is duidelijk dat de huidige situatie niet veel langer kan blijven voortbestaan. Wat betreft het bestuur van [gedaagde 1] c.s. is het volgens de onderzoeker het meest voor de hand liggend dat dat bestuur in handen komt van (uitsluitend) [broer eiser] en [eiser] en dat afspraken worden gemaakt en vastgelegd om het economisch belang van [eiser] sr en het commerciële belang van [gedaagde 1] c.s. te waarborgen. De onderzoeker geeft aan dat het beste zou zijn indien [vader van eiser] zijn resterende aandelen (vrijwillig) zou verkopen en overdragen aan [broer eiser] en [eiser] (of een derde). Ook aan een gezamenlijke verkoop van alle aandelen in [gedaagde 1] kan gedacht worden. 2.10. Op 3 februari 2020 heeft [bestuurder] [eiser] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In een e-mailbericht die [bestuurder] op diezelfde datum aan [eiser] heeft gezonden, is onder meer het volgende te lezen: [eiser] , Het valt me behoorlijk zwaar om je, na vele keren van overleg (o.a. hoe we bij [gedaagde 1] willen werken) deze mail te sturen: Hierbij de bevestiging van ons telefoongesprek van vanmiddag 17.59 uur waarin ik je op non-actief heb gesteld. Je hoeft niet meer naar je werk te komen, [gedaagde 1] zal je gaan ontslaan. Ik heb graag de naam en contactgegevens van je advocaat om daarmee je ontslag te kunnen afronden. Je hebt een groot aantal essentiële zaken niet naar behoren gedaan; Zonder overleg en toestemming van mij heb je veel meer vakantie genomen en dit niet aangegeven en/of verrekend met je salaris. Je hebt meerdere personeelsleden zeer onheus, willekeurig en denigrerend behandeld. Dit is onvolwassen gedrag waarmee je nooit een leidinggevende in een organisatie hoort te zijn Je bent zonder overleg of toestemming van mij, of zonder overleg met anderen binnen [gedaagde 1] , zeer regelmatig/ bijna dag dagelijks vele uren afwezig geweest. Ook weer zonder dit door te geven mbt aanpassing aan je salaris. Dit is nu bijna een jaar aan de hand Door deze onaangekondigde afwezigheid was het werkrooster van het personeel veelvuldig niet beschikbaar en konden deze niets doen behalve afwachten. Hierdoor heeft [gedaagde 1] direct en indirect schade opgelopen Jij bent verantwoordelijk voor het vakantierooster 2019. Toen ik vandaag vroeg wanneer dat klaar zou zijn kreeg ik een vaag antwoord in de trant dat het op je bureau zou liggen. Omdat iedereen in de fabriek en kantoor zijn aanwezigheid, pauze, afwezigheid vast legt in de urenregistratie heb ik aan jou vandaag in de fabriek gevraagd dit ook te doen. Je hebt aangegeven dit te weigeren zonder degelijke motivering, anders dat dit voor jou niet gold omdat je je karakter niet zou gaan veranderen. In ons telefoongesprek heb je ten tweede male bevestigt dat je weigert aan deze geheel redelijke vraag mee te werken Buiten het feit dat je daarmee ook gecontroleerd kan worden op je gewerkte uren begrijp je heel goed dat dit alleen al nodig is in een fabriek zoals [gedaagde 1] ivm jouw eigen veiligheid en de veiligheid van de onderneming en de werknemers. Dat je jezelf verbijzondert t.o.v. alle andere medewerkers toont aan dat je je niet verantwoordelijk gedraagt en niet bewust bent van het feit dat jouw gedrag een precedent werking heeft voor alle medewerkers Je had trouwens weinig tijd voor ons gesprek vanmiddag want je moest om 16.00 weg terwijl je werktijd nog minimaal een uur doorloopt. Hetgeen aansluit bij punt 3. We zullen een berekening opstellen van de minder gewerkte uren, onbetaalde vakantiedagen etc., en je deze doen toekomen. Wil je uiterlijk as vrijdag met mij een afspraak maken waar en wanneer je je sleutels gaat inleveren, dus ook de masterkey. Ik kan me voorstellen dat je deze inlevert bij [medewerker] , laat dit wel weten. Mocht je jouw sleutels vrijdag niet ingeleverd hebben dan zijn we verplicht de sloten te vernieuwen en de (aanzienlijke) kosten aan je doorbelasten. Je hebt geen toestemming om ongevraagd het terrein of pand te betreden, mocht je dit wel doen dan zullen we ten alle tijden aangifte doen bij de politie. 2.11. Op 12 februari 2020 heeft [eiser] zich, na dat [vader van eiser] in september 2019 het benoemingsbesluit heeft getekend en op grond van welk besluit [eiser] zelf voor inschrijving in de registers van de KvK verantwoordelijk werd gesteld, voor het eerst bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven als bestuurder van [gedaagde 2] . Vervolgens heeft [bestuurder] [eiser] weer op 2 maart 2020 als bestuurder uit het Handelsregister uitgeschreven. 2.12. Bij brief van 25 februari 2020 heeft de raadsman van [eiser] de raadsvrouw van [gedaagde 1] verzocht om het integrale personeelsdossier van [eiser] te verstrekken. Dit verzoek is op 4 maart 2020 herhaald. 2.13. Toen namens [gedaagde 1] geen reactie volgde en [eiser] ook geen loon ontving, heeft de raadsman van [eiser] op 6 maart 2020 de raadsvrouw van [gedaagde 1] gesommeerd dat het personeelsdossier verstrekt dient te worden, het salaris betaald dient te worden onder verstrekking van een salarisstrook en dat [eiser] tot het werk en alle systemen van [gedaagde 1] dient te worden toegelaten. Ook op deze sommatie is niet gereageerd. 2.14. Bij e-mailbericht van 16 maart 2020 heeft [eiser] [bestuurder] medegedeeld dat hij zijn salaris niet heeft ontvangen en of [bestuurder] dit serieus wil nemen en zo spoedig mogelijk informatie wil geven. Hierop is niet gereageerd. 2.15. Bij e-mailbericht van 3 april 2020 wordt door de raadsman van [eiser] een kort geding-procedure aangekondigd. 2.16. Op 7 april 2020 is vervolgens door [gedaagde 1] het salaris over de maanden februari en maart 2020 overgemaakt, in totaal een bedrag van € 5.761,44 (netto) (zijnde twee maal een bedrag van € 2.880,72). 2.17. Inmiddels heeft [broer eiser] een verzoek tot de 2de fase van de enquêteprocedure bij de Ondernemingkamer ingediend. Dit verzoek strekt er onder meer toe dat [vader van eiser] en [eiser] worden ontslagen als bestuurder en werknemer van de vennootschap met benoeming van [bestuurder] tot tijdelijk commissaris van de vennootschap. Namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is een verweerschrift ingediend. Ook [eiser] heeft een verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend. De tegenverzoeken van [eiser] strekken ertoe [vader van eiser] en [broer eiser] te ontslaan als bestuurders van de vennootschappen en zodanige voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer gerade acht. De over en weer gedane verzoeken zullen op 28 mei 2020 door de Ondernemingskamer worden behandeld. 2.18. De verhouding tussen [broer eiser] en [eiser] staat op dit moment fors onder druk. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld: A. om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de Kamer van Koophandel op de voorgeschreven wijze te verzoeken om [eiser] met ingang van 17 augustus 2017 onafgebroken als statutaire bestuurder van [gedaagde 2] in het Handelsregister in te schrijven tot op de dag dat het statutaire bestuurderschap rechtsgeldig is geëindigd, B. om aan [eiser] een dwangsom te voldoen van € 1.000,00 per dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) (althans een zodanige dwangsom als de rechtbank in redelijkheid zal vaststellen) dat [gedaagde 2] niet tijdig en/of volledig voldoet aan de bovenstaande vordering, C. tot betaling van de kosten van de proceskosten. 3.2. [eiser] vordert verder dat [gedaagde 1] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld: D. om op grond van artikel 15 lid 3 van de Algemene verordening gegevensbescherming aan [eiser] binnen drie dagen na betekening van het vonnis een afschrift te zenden van alle fysieke en digitale stukken waarin persoonsgegevens (in de breedste zin des woords) van [eiser] zijn opgenomen c.q. zijn verwerkt, E. tot betaling van het loon op de gebruikelijke betaaldag (steeds de laatste dag van diezelfde maand) onder gelijktijdige verstrekking van de salarisspecificatie vanaf heden totdat de arbeidsovereenkomst van [eiser] rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, F. tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zijnde een nettobedrag van € 2.016,50, G. om [eiser] binnen 24 uur na betekening van het vonnis in de gelegenheid te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden overeenkomstig de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst (en aanvullingen daarop) te hervatten, H. om [eiser] binnen 24 uur na betekening van het vonnis toe te staan alle bedrijfs- c.q. kantoorfaciliteiten (waaronder zijn bedrijfsmatig e-mailaccount, alle andere bedrijfsmatige e-mailaccounts waartoe hij voorheen toegang had), de externe online toegang tot de loonadministratie, de personeelssystemen, het Boekhouding Online-account, de bankapp, de online toegang tot de beveiligingssystemen en de online toegang tot de bewakingscamera’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.