RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 20/4518 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , [eiser], , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser] , te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. K.M. van Leeuwen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, en de burgemeester van de gemeente Voorst, verweerders (gemachtigde: mr. R. van der Plank). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. J. Kevelam). Procesverloop In het besluit van 17 december 2019 (primair besluit I) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst (hierna: het college) aan de derde-partij op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften opgelegd met betrekking tot het aspect “geluid”. In het besluit van 18 december 2019 (primair besluit II) heeft het college aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het horecabedrijf als zalenverhuur/partycentrum. In het besluit van 19 december 2019 (primair besluit III) heeft de burgemeester van de gemeente Voorst (hierna: de burgemeester) aan de derde-partij een ontheffing voor het sluitingsuur verleend. In het besluit van 20 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard, en de bezwaren tegen het primaire besluit II gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. De burgemeester heeft de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit III ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerders hebben een verweerschrift ingediend. De derde-partij heeft een reactie ingediend. Bij drie besluiten van 12 januari 2021 hebben verweerders de drie primaire besluiten gewijzigd ten aanzien van de openingstijden van de terrassen. Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met het onderzoek in zaak nr. 19/7340, plaatsgevonden op 25 februari 2021. Verschenen zijn [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser] , bijgestaan door hun gemachtigde mr. K.M. van Leeuwen en vergezeld door ing. R. Herik (geluiddeskundige). Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van der Plank en H.E. Oussoren. Namens de derde-partij is verschenen [derde-partij] , bijgestaan door gemachtigde mr. J. Kevelam en vergezeld door ing. J. Voortman (geluiddeskundige). Overwegingen 1. De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het bestemmingsplan “ [woonplaats] ” staan – voor zover deze niet in de uitspraak zelf zijn opgenomen – in de bijlage bij deze uitspraak. 2. De derde-partij exploiteert op het perceel [locatie] te [woonplaats] een horecabedrijf. Deze horecagelegenheid bestaat uit een bowlingcentrum en vier zalen. Buiten het gebouw zijn drie terrassen aanwezig. Leeswijzer 3. De rechtbank zal in deze uitspraak eerst ingaan op de beroepsgronden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor het gebruik van het horecabedrijf als zalenverhuur/partycentrum. Daarna komen de beroepsgronden tegen de maatwerkvoorschriften en de ontheffing van de sluitingstijd aan bod. Algemene beroepsgronden die op alle besluitonderdelen betrekking hebben komen daarna aan bod en tot slot gaat de rechtbank in op de dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Goede procesorde 4. Eisers hebben betoogd dat de reactie van de derde-partij van 12 februari 2021 buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank ziet daar geen aanleiding toe. Dit stuk is meer dan 10 dagen voor de zitting ingediend en het stuk is ook niet zodanig veelomvattend dat niettemin sprake is van strijd met de goede procesorde. Wijzigingsbesluiten van 12 januari 2021 5. In deze drie besluiten hebben verweerders de besluiten inzake de omgevingsvergunning, de maatwerkvoorschriften en de ontheffing van de sluitingstijd gewijzigd om langer gebruik van de terrassen mogelijk te maken. Zoals reeds op de zitting is toegelicht, zal de rechtbank op grond van artikel 6:19, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen deze besluiten verwijzen naar verweerders ter behandeling als bezwaar. De rechtbank acht daarvoor van belang dat de beroepstermijn tot 23 februari 2021 liep. Op de zitting van 25 februari 2021 was daarom niet vast te stellen of er nog andere beroepen waren ingesteld. Omgevingsvergunning 6. Het perceel is in het bestemmingsplan “ [woonplaats] ” bestemd als “Cultuur en ontspanning” met de aanduiding “bowlingbaan”. Ter plaatse van de aanduiding “bowlingbaan” is een bowlingcentrum, inclusief horeca tot en met categorie 2 van de 'Staat van Horeca-activiteiten' toegestaan. De derde-partij heeft op 13 juni 2019 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om het horecabedrijf ook te kunnen gebruiken voor zalenverhuur en als partycentrum. In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat zalenverhuur/partycentrum volgens de als bijlage bij de planregels opgenomen ‘Staat van Horeca-activiteiten’ valt onder horecacategorie 3 en daarom in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft voor dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo en artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor. Kan de aanvraag worden vergund met een kruimelgevallenafwijking? 7.1. Eisers betogen dat de aanvraag ook betrekking heeft op de uitbreiding van de keuken. Dit blijkt volgens eisers uit de plattegrond waarop “uitbreiding keuken” rood omlijnd is. Volgens eisers kan artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor echter niet worden toegepast bij nieuwbouw en bij het uitbreiden van het bebouwd oppervlak. Zij verwijzen daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:338). Omdat het bouwplan slechts kan worden vergund op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing, aldus eisers. 7.2. De Afdeling heeft in de door eisers aangehaalde uitspraak overwogen dat op grond van artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor geen vergunning kan worden verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een gebouw dat niet feitelijk aanwezig en vergund is. In die zaak ging het over sloop en nieuwbouw van een bedrijfsgebouw. De voorliggende zaak is niet vergelijkbaar, omdat sprake is van het wijzigen van het gebruik van een bestaand horecapand. De aanvraag heeft ook geen betrekking op de activiteit “bouwen” voor de uitbreiding van de keuken. Dat tussen partijen in geschil is of voor de uitbreiding van de keuken een omgevingsvergunningplicht geldt, neemt niet weg dat in deze omgevingsvergunning geen bouwactiviteiten worden vergund die de bestaande bebouwde oppervlakte vergroten. Het college heeft zich daarom terecht bevoegd geacht om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. De beroepsgrond slaagt niet. Structuurvisie “Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst” 8.1. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning in strijd is met de structuurvisie omdat geen sprake is van het in stand houden van (horeca)voorzieningen maar van het toevoegen van een nieuwe functie. 8.2. Uit de structuurvisie volgt niet dat het wijzigen of toevoegen van horeca niet is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet. Ecologie, luchtkwaliteit en verkeer 9.1. Eisers betogen dat in de omgevingsvergunning niet nader is onderbouwd wat de effecten van het gebruik zijn op ecologische waarden, op de luchtkwaliteit en op het verkeer. 9.2. Op pagina 8 van de bij de omgevingsvergunning behorende ruimtelijke onderbouwing van Rho adviseurs wordt aangegeven dat het projectgebied door middel van een inrit en uitrit wordt ontsloten op de Twelloseweg. De Twelloseweg wordt in oostelijke richting ontsloten via de Hoge Worp op de Rijksstraatweg N344 richting Deventer en Twello. De provinciale N-weg richting Deventer en Twello heeft voldoende capaciteit voor de verkeersafwikkeling van de feitelijk bestaande functies binnen het projectgebied. Aangezien de afwikkeling niet door het dorp gaat, maar rechtstreeks, ontstaat er ook geen negatief effect, aldus de ruimtelijke onderbouwing. Op pagina 17 van de ruimtelijke onderbouwing is verder aangegeven dat projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging op grond van de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op pagina 18 is ten slotte aangegeven dat deze ontwikkeling geen activiteiten mogelijk maakt die een negatief effect kunnen hebben op dier- en plantensoorten. Deze motivering is door eisers niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet. Behoefte 10.1. Eisers betogen dat de behoefte aan een partycentrum op deze locatie niet is onderzocht. 10.2. Uit artikel 5.20 van het Bor volgt dat slechts voor zover een omgevingsvergunning met toepassing van het bepaalde onder 3o van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt verleend de ladder voor duurzame verstedelijking uit artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro van toepassing is. Omdat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning heeft verleend, is de ladder voor duurzame verstedelijking dus niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening aan de orde kan komen of de ontwikkeling voorziet in een behoefte. Nu op het perceel reeds zaalverhuur plaatsvindt en bruiloften worden georganiseerd, is de rechtbank van oordeel dat deze behoefte voldoende is aangetoond. In hoofdstuk 5 van de ruimtelijke onderbouwing is daarnaast ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan. Deze motivering is door eisers niet gemotiveerd betwist. De beroepsgrond slaagt niet. Geluid en milieuzonering 11. Het college heeft in het primaire besluit overwogen dat een richtafstand van 10 meter geldt uitgaande van de typering van de omgeving van de horecagelegenheid als “gemengd gebied” op grond van de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeente (hierna: VNG-brochure). Volgens het college wordt niet voldaan aan deze richtafstand van 10 meter voor wat betreft het aspect “geluid” zodat een akoestische onderbouwing noodzakelijk is. Daarnaast gaat het in dit geval niet om een gemiddeld horecabedrijf maar om een combinatie aan horeca-functies waaronder een grote feestzaal. Ook in dat kader is een akoestische beschouwing nodig. Deze nadere akoestische onderbouwing is gegeven met het “Akoestisch onderzoek Deventer Buitensociëteit & bowling bv aan de [locatie] te [woonplaats] ” van Voortman Ingenieurs van 11 november 2019. Volgens het college blijkt uit dit geluidrapport dat de beoogde bestemming in te passen is in de omgeving als aan de voorschriften bij de omgevingsvergunning wordt voldaan. De overschrijdingen op de gevels van [locatie] bedragen maximaal 1 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. De geringe overschrijding is volgens het college in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen. Het college heeft naar aanleiding van de geluidonderzoeken voorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen. Deze voorschriften staan in de bijlage bij deze uitspraak. Gemengd gebied 11.1. Eisers betogen dat het college de omgeving ten onrechte heeft aangemerkt als “gemengd gebied” en dat daarom van te korte richtafstanden tot omliggende woningen is uitgegaan. 11.2. Het college heeft in het bestreden besluit de VNG-brochure gehanteerd. De richtafstanden uit deze VNG-brochure dienen als richtlijn of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Als niet wordt voldaan aan de richtafstand dan kan met een aanvullende motivering, bijvoorbeeld in de vorm van een akoestisch onderzoek, alsnog worden gemotiveerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt vast dat het college zich in het primaire besluit conform deze systematiek op het standpunt heeft gesteld dat niet voldaan werd aan de richtafstand uit de VNG-brochure, zodat een nader geluidonderzoek was vereist om te bepalen of er sprake was van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen. Deze motivering is in de beslissing op bezwaar niet gewijzigd. Dat in de bij het primaire besluit behorende ruimtelijke onderbouwing en akoestisch onderzoek staat dat wel wordt voldaan aan de richtafstanden maakt het voorgaande niet anders. Het is immers de motivering in het besluit zelf die bepalend is. De rechtbank acht deze motivering ook juist; de richtafstand wordt niet gehaald. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de door eisers aangehaalde uitspraak van 24 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1481), dient die afstand te worden gemeten van de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De rechtbank stelt vast dat de afstand van de bestemmingsgrens tot de gevel van de woning aan de Twelloseweg minder bedraagt dan 10 meter, zodat het college terecht heeft overwogen dat niet aan de richtafstand voor “gemengd gebied” wordt voldaan en een nader geluidonderzoek is vereist. Omdat niet voldaan wordt aan de richtafstand voor “gemengd gebied” en het college ook een geluidonderzoek aan het besluit ten grondslag heeft gelegd kan de rechtbank buiten beschouwing laten of het gebied aan moet worden gemerkt als “gemengd gebied” of een “rustige woonwijk” op grond van de VNG-brochure. Dit is verder niet van belang. De beroepsgrond slaagt niet. Geluidonderzoek 12.1. Eisers betogen dat in het geluidonderzoek van een te lage geluidbelasting op de omliggende woningen is uitgegaan. Zij voeren daartoe het volgende aan: het geluidonderzoek heeft zich ten onrechte toegespitst op feesten en partijen in zaal 1 en 2. De omgevingsvergunning staat dit gebruik ook toe in de andere ruimten inclusief de terrassen en het buitenterrein c.q. gazon aan de voorzijde; het geluidonderzoek heeft zich ten onrechte toegespitst op stemgeluid van de bezoekers van terrassen. Ook het stemgeluid van feesten en partijen op het gazon aan de voorzijde van het pand en het stemgeluid van arriverende en vertrekkende bezoekers hadden in het onderzoek moeten worden betrokken; het stemgeluid van terras 3 na 22.45 vanwege gebruik door rokers is ten onrechte niet meegenomen; het geluidonderzoek is ten onrechte slechts toegespitst op versterkt stemgeluid tijdens trouwceremonies buiten en tot het (reguliere) stemgeluid van slechts 130 bezoekers op het terras; het stemgeluid op de parkeerplaatsen is ten onrechte niet meegenomen en de geluidsgevolgen van de nieuwe parkeeroplossing zijn ook niet onderzocht; ten onrechte is uitgegaan van normaal stemgeluid gelet op de openingstijden van de terrassen; het onoverdekte terras aan de Kweekweg is ten onrechte niet meegenomen; de rookruimte is ten onrechte beoordeeld als een gesloten ruimte, terwijl het dak open is; het geluid van arriverende en vertrekkende auto’s van bezoekers buiten het terrein is niet onderzocht; hun woningen hadden ook als meetpunten moeten worden meegenomen. Door ing. R. Herik van Akoestisch buro Tideman wordt daarnaast in notities van 18 januari 2021 en 7 februari 2021 het volgende aangevoerd: - een toelaatbaar geluidniveau voor muziek van 90 dB(A) is niet voldoende voor livemuziek. Diverse bands weigeren op te treden als het geluidniveau niet minimaal 95-100 dB(A) mag bedragen. Voor diverse live-instrumenten zoals een drumstel of blaasinstrumenten is het namelijk niet mogelijk om maximaal 90 dB(A) ten gehore te brengen. Het inpluggen van de band in het geluidsysteem werkt niet bij livemuziek. Het inpluggen op de eigen installatie of het aanbrengen van een deugdelijke begrenzer is niet geborgd, zodat in de praktijk een band de eigen installatie kan opstellen en met 100 dB(A) aan het werk kan gaan. in de berekening is niet meegenomen dat met een vol terras mensen in- en uit zullen lopen waardoor de deuren van het gebouw zijn geopend. Daarom moet ook rekening gehouden worden met het muziekgeluid (van 78 dB(A)); voor stemgeluid op een terras dient niet uitgegaan van een bronsterkte voor rustig spreken van 65 dB(A), maar van een bronsterkte van 70 dB(A). Daarbij wordt verwezen naar de normen die de gemeente Utrecht voor stemgeluid hanteert en naar de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:23); op de terrassen dient gelet op de oppervlakte van 400 m² uitgegaan te worden van het stemgeluid van 285 personen en niet van (twee terrassen met 50 personen en één terras van 30 personen) 130 personen, aangezien het maximale aantal bezoekers niet in de vergunning is gemaximeerd; de afzuiging van de keukens is ten onrechte niet als geluidbron meegenomen. Indirecte hinder (verkeer) 12.2. De rechtbank stelt vast dat in paragraaf 8 van het geluidonderzoek wordt ingegaan op verkeer van en naar het horecabedrijf. Dat het geluid van arriverende en vertrekkende auto’s van bezoekers buiten het terrein niet zou zijn onderzocht is daarom onjuist. De beroepsgrond slaagt niet. Beoordelingspunten 12.3. Uit bijlage 6 bij het geluidonderzoek blijkt dat de woningen aan de Worp 1 en 3 zijn meegenomen als beoordelingspunten. Naar het oordeel van de rechtbank bestond geen aanleiding om de woningen aan de Worp 5 en verder ook mee te nemen als beoordelingspunten, aangezien de geluidbelasting voor deze woningen lager zal zijn dan bij de dichterbij gelegen woningen. De beroepsgrond slaagt niet. Maximale gebruiksmogelijkheden (representatieve bedrijfssituatie) 12.4. In paragraaf 2.4 van het geluidonderzoek wordt ingegaan op de representatieve bedrijfssituatie. Daarin is aangegeven dat wordt uitgegaan van een worst-case situatie waarin alle omschreven activiteiten in een etmaal optreden. Bepalend voor de geluiduitstraling naar de omgeving zijn de volgende relevante activiteiten: • Feesten en live-muziek met muziekgeluid in de zaal 1 en 2; • De bowlingbanen met muziekgeluid; • Technische installaties op het dak (ventilatoren etc.); • Verkeersbewegingen door bezoekers en leveranciers van de inrichting; • Versterkt stemgeluid tijdens een (trouw)ceremonie buiten. Daarnaast is ook het stemgeluid van bezoekers van het terras meegenomen en bijkomende nevenwerkzaamheden zoals grasmaaien en bladblazen. Voor wat betreft het overdekt terras (aan de kant van de Kweekweg) is aangegeven dat dit een volledig afgesloten rookruimte betreft. In deze ruimte zullen rokende bezoekers (meestal in groepjes van 2 of 4 personen) gedurende een korte periode van circa 10 minuten een sigaret roken waarbij gepraat wordt. Stemgeluid vanuit de afgesloten ruimte naar de dichtstbijzijnde woning op circa 25 meter afstand is akoestisch niet relevant. 12.5. De rechtbank stelt vast dat de horecagelegenheid ook nog beschikt over zalen 3 en 4, welke niet zijn betrokken in het geluidonderzoek. In het geluidonderzoek wordt aangegeven dat slechts zalen 1 en 2 worden gebruikt voor feesten en partijen en ook de voorschriften zijn gericht op het gebruik van deze zalen, en niet op zalen 3 en 4. In de parkeerberekening zijn zalen 3 en 4 ook aangemerkt als restaurant, en niet als aparte feestzalen en voor deze zalen is ook de lagere parkeernorm voor een restaurant gehanteerd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verleende omgevingsvergunning geen betrekking heeft op het gebruik van zalen 3 en 4 voor zaalverhuur. Zoals de Afdeling heeft overwogen in overweging 6.3 van de uitspraak van 9 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3394) kan het geluidonderzoek, als onderdeel van de aanvraag, ook een nadere specificering van de voorgenomen activiteiten en maatregelen bevatten, en in die zin mede de grenzen van de omgevingsvergunning bepalen. Nu het vergunde gebruik geen betrekking heeft op deze zalen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in het geluidonderzoek is uitgegaan van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie door deze zalen niet mee te nemen. De terrassen en het gebruik van het gazon zijn daarnaast ook meegenomen in de representatieve bedrijfssituatie. Op de vraag of de geluidbelasting vanwege stemgeluid vanuit het terras is onderschat, zal de rechtbank in de volgende paragrafen ingaan. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in het geluidonderzoek is uitgegaan van een te beperkte representatieve bedrijfssituatie. De ventilator van de keuken is blijkens paragraaf 5.4 meegenomen in de geluidberekening als stationaire geluidsbron. Ook als dit de ventilator van de oude keuken betreft, en niet de in aanbouw zijnde nieuwe keuken, dan ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de ventilator op een nieuwe plaats wordt gerealiseerd geen aanleiding om de uitkomsten van de geluidberekening voor onjuist te houden. De rookruimte betreft voorts een afgesloten ruimte, en geen terras, zodat het college deze in redelijkheid buiten beschouwing heeft kunnen laten bij de representatieve bedrijfssituatie. In voorschrift 20 staat dat de deuren gesloten moeten blijven. Gelet op dit verbod om deuren open te laten staan is in het geluidonderzoek muziekgeluid in zoverre terecht buiten beschouwing gelaten voor de representatieve bedrijfssituatie. De beroepsgrond slaagt niet. Bronsterkte (live-muziek) 12.6. In voorschrift 5 is het geluidniveau van live-muziek beperkt tot 90 dB(A). Als een live-band toch speelt met een hoger aantal decibels, dan kan het college hiertegen handhavend optreden. De beroepsgrond slaagt niet. Parkeerterrein 12.7. Uit paragraaf 5.5 blijkt dat geluid door auto’s op het parkeerterrein is meegenomen als geluidbron(nen), met een maximaal bronvermogen van 98 dB(A). In het geluidonderzoek is bij de berekening echter geen rekening gehouden met de wijziging van de ligging van het parkeerterrein door het toevoegen van extra parkeerplaatsen. Dit terwijl deze parkeerplaatsen wel noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Deze parkeerplaatsen komen bovendien deels dichter bij de woningen van eisers te liggen dan de bestaande parkeerplaatsen. Nu de geluidbronnen dichter bij de woningen komen te liggen, en het bovendien geluidbronnen betreft die ook gelden voor de nachtperiode, dienen ook deze parkeerplaatsen te worden meegenomen in de geluidberekening. De beroepsgrond slaagt. Stemgeluid 12.8. In paragraaf 5.6 van het geluidonderzoek wordt ingegaan op stemgeluid bij trouwceremonies. In paragraaf 5.7 wordt ingegaan op het stemgeluid van het terras. Daarin staat dat op terras 1, 2 en 3 maximaal circa 50, 50 en 30 personen aanwezig kunnen zijn, maar dat zal doorgaans niet gelijktijdig het geval zijn. In de berekening wordt er (worstcase) vanuit gegaan dat alle terrassen gelijktijdig een volle bezetting hebben. Voor terras 1, 2 en 3 wordt, uitgaand van een maximale bezetting van respectievelijk 50, 50 en 30 personen, gerekend met 25, 25 en 15 gelijktijdig pratende bezoekers tussen 11.00 uur en 22.00 uur. Hierbij wordt er van uit gegaan dat een pratende bezoeker ca. 2/3 deel van de aanwezige tijd daadwerkelijk spreekt. Het bronvermogen (Lw) van het menselijk stemgeluid van een (normaal) sprekend mens bedraagt 65 dB(A). Voor het geluidbronvermogen van het stemgeluid dat is gemodelleerd als oppervlaktebron is gebruik gemaakt van de kengetallen van de VDI-richtlijn 3770. In tabel 5.6 zijn de gehanteerde bronvermogens en bedrijfsduren weergegeven: Bronvermogen 12.9. Voor wat betreft de normen voor stemgeluid overweegt de rechtbank dat het college niet gebonden is aan normen voor stemgeluid die een andere gemeente hanteert. De rechtbank stelt echter wel met eisers vast dat in jurisprudentie, zie bijvoorbeeld de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:23) maar ook de uitspraak van 24 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:386), voor stemgeluid van een hogere bronsterkte van 70 dB(A) is uitgegaan. Evenals in de uitspraak van 24 februari 2021 zal de horecagelegenheid worden gebruikt voor zalenverhuur en worden de terrassen gebruikt bij trouwerijen, feesten en partijen. Bij een dergelijk gebruik door grote groepen waar ook alcohol wordt geschonken kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer uitgegaan worden van een bronsterkte van 65 dB(A) van een normaal sprekend mens, zodat de beroepsgrond slaagt. De rechtbank merkt in het verlengde hiervan op dat in het geluidonderzoek niet slechts is uitgegaan van een bronvermogen van 65 dB(A), maar dat dit is verhoogd tot een bronsterkte van 77/79 dB(A) voor een groep van 15/25 personen. De rechtbank kan echter niet beoordelen of – als een bronsterkte van 70 dB(A) wordt gehanteerd – ook deze bronsterktes aanpassing behoeven. Terras 12.10. Het maximale aantal personen dat is toegestaan op een feest is 400. De rechtbank is van oordeel dat het college in het geluidonderzoek, gelet op de omstandigheid dat bij een feest niet iedereen tegelijk op het terras aanwezig zal zijn, in redelijkheid uit heeft kunnen gaan van een worst-case bezetting van maximaal 50, 50 en 30 personen per terras. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. 12.11. Uit tabel 5.6 in het geluidonderzoek volgt dat stemgeluid van het terras tijdens de dag- en avondperiode is meegenomen. In voorschrift 15 zijn regels opgenomen voor het gebruik van terrassen. Voor wat betreft terras 3 geldt dat hiervan geen gebruik mag worden gemaakt tussen 22.45 en 07.00 uur. Na 22.45 uur mag terras 3 echter nog wel worden gebruikt voor rokers, maar er mogen dan geen consumpties meer worden geserveerd. De rechtbank stelt vast dat een uitzondering is gemaakt voor terras 3 voor rokers en dat het terras dus ook na 22.45 uur, dus tijdens de nachtperiode, open mag zijn. Bij een feest met maximaal 400 personen acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat het terras gebruikt zal worden door een aanzienlijk aantal (rokende) personen in de nachtperiode. Gelet op dit toegestane gebruik is in het geluidonderzoek stemgeluid van terras 3 tijdens de nachtperiode ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De beroepsgrond slaagt. 12.12. In het geluidonderzoek is stemgeluid op het parkeerterrein niet als aparte geluidbron meegenomen. De deskundige heeft hierover op de zitting aangegeven dat het lastig is om deze geluidbron te modelleren omdat deze over het gehele parkeerterrein voor kan komen. Dit is wellicht het geval, maar dit vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om daarom deze geluidbron buiten beschouwing te laten. De beroepsgrond slaagt. Geluidvoorschriften 13.1. Eisers betogen dat het onduidelijk is wanneer de maatregelen in voorschriften 8, 10, 17, 21, 22, 23 en 25 moeten zijn getroffen. Voorts wordt het volgende aangevoerd: Voorschrift 9 is volgens eisers niet te begrijpen, omdat na 1.00 de inrichting dicht moet zijn en achtergrondmuziek dan niet meer aan de orde is; Voorschrift 13 beperkt ten onrechte niet het opbouwen en opruimen van de apparatuur; Voorschrift 14 ziet ten onrechte alleen op versterkt geluid; Voorschrift 15 maakt ten onrechte het onbeperkte gebruik van terras 3 voor rokers mogelijk. Deze kunnen gebruik maken van de rookruimte. Het gebruik alleen door rokers is ook niet handhaafbaar; De oppervlaktes uit voorschrift 15A zijn niet controleerbaar; Voorschrift 21 is volgens eisers niet handhaafbaar. Ook het bordes wordt gebruikt als rookplek en de gevolgen van dit gebruik zijn niet onderzocht; Voorschriften 22 en 23 zijn niet handhaafbaar en concreet genoeg; Voorschrift 24 bevat ten onrechte een uitbreiding van de openingstijden. 13.2. De rechtbank overweegt dat het college op grond van deze omgevingsvergunning handhavend op kan treden tegen de derde-partij als het horecabedrijf in werking is zonder dat de voorgeschreven voorzieningen zijn gerealiseerd. In de voorschriften is daarnaast voldoende duidelijk omschreven welke maatregelen moeten worden getroffen en deze maatregelen zijn ook afdoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Parkeren 14. In de ruimtelijke onderbouwing wordt nader ingegaan op het aspect “parkeren”. Deze motivering is in de memo “Aanvulling aspect parkeren” van Rho van 6 juli 2020 op onderdelen gewijzigd. In deze memo is de volgende berekening van de parkeerbehoefte opgenomen: Omdat de gemeente Voorst geen parkeerbeleid heeft is voor de gehanteerde parkeernormen aansluiting gezocht bij de CROW-publicatie 381, ‘Toekomstbestendig Parkeren” van 1 december 2018 waarbij is uitgegaan van de kengetallen voor een locatie in de schil van het centrum in een sterk stedelijk gebied. Voor de zalenverhuur (zaal 1 en 2) is uitgegaan van de parkeerkencijfers voor een discotheek. Volgens het college zijn op eigen terrein 91 parkeerplaatsen aanwezig, zodat er gelet op de parkeerbehoefte van 95 parkeerplaatsen sprake is van een tekort van 4 parkeerplaatsen. Omdat op eigen terrein 16 aanvullende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, zijn er volgens het college genoeg parkeerplaatsen om in de parkeerbehoefte te voorzien. Bruto vloeroppervlakte 14.1. Eisers betogen dat de afmetingen niet te controleren zijn, zodat onduidelijk is of van een correcte bruto vloeroppervlakte (bvo) is uitgegaan. Eisers geven aan dat uit de bouwtekening uit 1996 een oppervlakte van 1.900 m² voor het gebouw volgt. De oppervlakte van de nieuwe keuken, de terrassen 1 en 2 en de verdieping is daarnaast ten onrechte buiten beschouwing gelaten in de parkeerberekening, aldus eisers. 14.2. Het college heeft voor de parkeerberekening de CROW-publicatie toegepast. In deze CROW-publicatie wordt bij de berekening van de parkeerbehoefte van bepaalde functies, zoals de meeste horecavormen, uitgegaan van de bruto-vloeroppervlakte. Voor bowlingzalen wordt de parkeerbehoefte echter berekend per bowlingbaan. Het college heeft voor wat betreft de bowlingzalen binnen de horecagelegenheid in de parkeerberekening dan ook terecht het aantal bowlingzalen als uitgangspunt genomen, en niet de bruto vloeroppervlakte. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet blijkt van welke bruto vloeroppervlakte van het gebouw het college is uitgegaan. In de berekening staat slechts wat de bruto vloeroppervlakte van bepaalde delen van het gebouw is. Daaruit blijkt niet dat de oppervlakte van ruimtes zoals de keuken, toiletruimten, gangen, bovenverdieping en overige ruimten in het gebouw kenbaar in de berekening zijn betrokken, terwijl deze wel meetellen bij het bepalen van de bruto vloeroppervlakte en dus bij de berekening van de parkeerbehoefte. De beroepsgrond slaagt. Maximale gebruiksmogelijkheden 15.1. Eisers betogen dat in de parkeerberekening niet is uitgegaan van de maximale gebruiksmogelijkheden die zijn aangevraagd en vergund. 15.2. De rechtbank volgt niet het standpunt van het college dat bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. De jurisprudentie waar het college naar heeft verwezen ziet op de berekening van de parkeerbehoefte bij een bestemmingsplan en niet op een omgevingsvergunning. De parkeerbehoefte dient – met uitzondering van de bowlingbanen – te worden berekend aan de hand van de bruto-vloeroppervlakte van het gebouw, waarbij voor de parkeernorm naar de toegestane functie moet worden gekeken. De parkeerbehoefte per 100 m² bvo voor een zaal is hoger dan die van een restaurant. Als zaal 3 en 4 op grond van deze omgevingsvergunning ook kunnen worden gebruikt voor zalenverhuur dan dient ook voor zaal 3 en 4, de bar/keuken en de terrassen voor de hogere parkeernorm voor zaalverhuur uit te worden gegaan. Zoals de rechtbank in overweging 12.5 heeft geoordeeld heeft de omgevingsvergunning echter geen betrekking op zaal 3 en 4, zodat het college in de parkeerberekening voor zaal 3 en 4 van de lagere parkeernorm van een restaurant uit heeft kunnen gaan. De beroepsgrond slaagt niet. Parkeernorm 16.1. Eisers betogen dat het college in de parkeerberekening is uitgegaan van een onjuiste stedelijkheidsgraad. Het gebied is volgens eisers gelet op het aantal adressen van 833 per km² niet aan te merken als een “sterk stedelijk gebied”, maar als “weinig stedelijk” of “matig stedelijk” waarvoor hogere parkeernormen gelden. Volgens eisers is ook ten onrechte uitgegaan van “schil centrum” en had het gebied moeten worden aangemerkt als “rest bebouwde kom”. 16.2. Uit de CROW-publicatie volgt dat de stedelijkheidsgraad wordt bepaald door de omgevingsadressendichtheid (adressen per km²) conform de onderstaande tabel. Eisers hebben aangegeven dat de omgevingsadressendichtheid van [woonplaats] 833 adressen per km² bedraagt, dus “weinig stedelijk”, en van de “De Hoven” 1144 adressen per km², dus “matig stedelijk”. Het college heeft deze adressendichtheid niet betwist. Gelet op deze omgevingsadressendichtheid is de rechtbank van oordeel dat het college ten onrechte is uitgegaan van de parkeernormen voor een “sterk stedelijk” gebied. Dat de gemeente [woonplaats] in haar parkeerbeleid voor de wijk “de Hoven” is uitgegaan van “sterk stedelijk” maakt niet dat het college dit ook kan doen. Het college past immers de CROW-publicatie toe en niet het parkeerbeleid van de gemeente [woonplaats] . Als het college een andere stedelijkheidsgraad aan het gebied had willen toekennen, dan had daarvoor parkeerbeleid moeten worden vastgesteld. De beroepsgrond slaagt. 16.3. [woonplaats] wordt van het centrum van [woonplaats] gescheiden door de IJssel. Deze afscheiding maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het college deze wijk niet aan heeft kunnen merken als “schil centrum”. De beroepsgrond slaagt niet. Parkeren bezoekers en fietsparkeren 17.1. Eisers betogen dat in het parkeeronderzoek geen aandacht is besteed aan het parkeren door personeel, artiesten, leveranciers en fietsparkeren. 17.2. De parkeernorm uit de CROW-publicatie is inclusief het bezoekersparkeren, zodat geen aanleiding bestond om apart in te gaan op parkeren door personeel, artiesten en leveranciers. Op het terrein zijn daarnaast voorzieningen aanwezig voor fietsparkeren. Niet is gebleken dat deze fietsparkeervoorzieningen onvoldoende zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Overige gronden over parkeren 18.1. Eisers betogen dat in voorschrift 24A wordt aangegeven dat aan de parkeeroplossing uit de memo van Rho moet worden voldaan en dat deze in stand moet worden gehouden. Volgens eisers is niet voorgeschreven wanneer hieraan moet worden voldaan. Figuur 1 en 2 verschillen volgens eisers van elkaar. De nieuw aan te leggen 16 parkeerplaatsen zijn verder volgens eisers slecht bereikbaar, zodat het de vraag is of deze volledig kunnen worden gebruikt. Drie parkeerplaatsen zijn ingetekend waar nu bomen staan. Ook de parkeerplaats voor de in- en uitgang is niet bruikbaar. De 12 parkeerplaatsen naast het gebouw zijn ’s avonds niet bruikbaar, omdat hier geen verkeersbewegingen zijn toegestaan om aan de geluidnormen te voldoen. Eisers verwijzen in dat verband naar route M05 uit het geluidonderzoek. Ook is volgens eisers niet na te gaan of de parkeervakken voldoen aan de afmetingseisen uit de CROW-publicatie of het gemeentelijk beleid. Bovendien zijn het veelal niet-afgebakende vakken wat leidt tot inefficiënt parkeren. 18.2. Voorschrift 24A luidt als volgt: “Vergunninghouder is verplicht de parkeervoorzieningen op eigen terrein overeenkomstig de figuren 1 en 2 uit bijlage 1 in te richten, beschikbaar te hebben en beschikbaar te houden.” 18.3. Zodra vergunninghouder gebruik gaat maken van de omgevingsvergunning dient hij aan de voorschriften te voldoen en de parkeerplaatsen conform de figuren uit de bijlage (de memo van Rho van 6 juli 2020) in te richten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college in voorschrift 24A een termijn had moeten opnemen. Dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank ook niet rechtsonzeker. In de memo van Rho staat dat de 16 parkeerplaatsen uit figuur 2 zijn bedoeld als overloop. Als deze nodig zijn dan komen de twee als blauw aangegeven parkeerplaatsen op figuur 1 te vervallen, en zijn er (91 + 16 – 2 =) 105 parkeerplaatsen beschikbaar. Figuur 1 ziet dus op de “standaardsituatie” en figuur 2 ziet op situaties waar alle parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat deze nieuwe parkeerplaatsen niet bereikbaar zouden zijn of dat Rho in de figuren is uitgegaan van te kleine parkeerplaatsen, en daardoor van een te hoog aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Dat de parkeervakken niet zijn afgebakend, maakt ook niet dat van een te laag aantal parkeerplaatsen is uitgegaan. 18.4. Uit het geluidonderzoek volgt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LArLT) in de avond- en nachtperiode van 45 en 40 dB(A) ter plaatse van beoordelingspunt 8 ([locatie]) met respectievelijk 1 en 1 dB(A) wordt overschreden. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode ter plaatse van beoordelingspunt 10 (Twelloseweg 1) wordt met 1 dB(A) overschreden. Maatgevend in de avondperiode zijn de verkeersbewegingen en het stemgeluid. Ter plaatse van beoordelingspunt 8 wordt daarnaast het maximaal geluidsniveau (Lmax) in de nachtperiode van 60 dB(A) met 5 dB(A) overschreden door personenauto’s op route M05. In het geluidonderzoek zijn twee varianten (A en B) doorberekend om toch aan de geluidnormen te voldoen. Variant A betreft het verplaatsen van de verkeersbewegingen van route M05 naar route M07 en M08 in de avond en nachtperiode door het afzetten van parkeerplaatsen. Variant B betreft een geluidscherm. De rechtbank stelt echter vast dat er door het college niet voor is gekozen om deze varianten toe te passen, aangezien deze niet zijn geborgd in de (voorschriften bij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.