RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/216624-20 Datum uitspraak : 4 juni 2021 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] . Raadsvrouw: mr. S. van Oers, advocaat in Nijmegen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 mei 2021. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 30 juni 2020 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] een of meerdere ma(a)l(
- en)met een ketting, althans enig voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij, op of omstreeks 30 juni 2020 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] een of meerdere ma(a)l(
- en)met een ketting, althans enig voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam, geslagen en/of gestompt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot doodslag (het primair tenlastegelegde). De poging tot zware mishandeling (het subsidiair tenlastegelegde) kan volgens de officier van justitie wel bewezen worden. Zowel aangever als getuige [getuige] hebben verklaard dat verdachte bij één van de twee geweldsincidenten die nacht, meerdere keren met een fietsketting tegen het hoofd van aangever heeft geslagen. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de poging tot doodslag als de poging tot zware mishandeling. De beoordeling door de rechtbank Op 30 juni 2020 heeft er een incident plaatsgevonden aan de Voorstenkamp in Nijmegen. Na dit incident is getuige [getuige] als eerste door de politie gehoord. Zij verklaarde dat haar ex-partner [slachtoffer] door haar buurman [verdachte] meerdere malen met een fietsketting tegen zijn hoofd werd geslagen. Ongeveer twee weken daarna deed [slachtoffer] aangifte waarbij hij verklaarde dat hij door verdachte met een ketting was geslagen. De rechtbank constateert dat aangever de naam van verdachte niet heeft genoemd tijdens zijn eerste contact met de politie in de nacht van het incident. Hij zei op dat moment dat hij de namen van zijn belagers niet wist, en verwees naar [getuige] die de naam wel zou weten. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat aangever de naam van verdachte [verdachte] pas in een later stadium van [getuige] heeft gehoord. In dat geval zou de informatie over het daderschap van verdachte uit slechts één bron afkomstig zijn, namelijk [getuige] . De rechtbank constateert verder dat het dossier ook bewijsmiddelen bevat die niet duiden op het daderschap van verdachte. Allereerst heeft [slachtoffer] in zijn aangifte een signalement gegeven van de persoon die hem aanviel met de fietsketting. Dit signalement komt op belangrijke punten – zoals leeftijd, gewicht, lichaamsbouw – niet overeen met dat van verdachte op dat moment. Daarnaast zei [slachtoffer] in het door hem gevoerde gesprek met de meldkamer van alarmnummer 1-1-2 het volgende: ‘ze slaan mij met een ketting helemaal kapot’. Deze uitspraak past niet bij het scenario waarin hij door alleen verdachte geslagen zou zijn. Ten slotte wijst de rechtbank nog op de anamnese die de arts bij de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis heeft genoteerd. Daarin staat dat verdachte tegen de arts vertelde dat er ‘mannen’ naar buiten kwamen en dat hij toen met het kettingslot werd geslagen. Dit wijkt af van zijn latere verklaring bij de politie waarin hij duidelijk alleen verdachte aanwijst als de dader met de fietsketting. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte met het kettingslot aangever heeft geslagen. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken. 3De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 578,40, aan materiële schade en € 3.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 4De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.H. Steenweg (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Elbersen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2021. mr. Hovens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.