vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen Zaakgegevens : 8203579 CV EXPL 19-5648 uitspraak van : 2 juni 2021 vonnis in de zaak van de besloten vennootschap ANWB B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, eisende partij, (rol)gemachtigde: A. Niekus en mr. E. Krom, tegen [gedaagde partij] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1Het verdere procesverloop 1.1. Op 22 juli 2020 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Voor het verloop van de procedure tot aan dat moment wordt naar dit tussenvonnis verwezen. 1.2. Bij akte van 16 december 2020 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht. 2De verdere beoordeling 2.1. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. 2.2. Naar aanleiding van de akte van de eisende partij overweegt de kantonrechter als volgt. Verzekeringsovereenkomst 2.3. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als verzekeringsovereenkomst. De eisende partij heeft dit in haar akte beaamd, waar zij zich op het standpunt stelt dat de Wegenwacht Service een verzekering betreft. Om deze verzekering te kunnen afsluiten, is een ANWB-lidmaatschap vereist. De eisende partij stelt dat sprake is van één overeenkomst, waarvan de onderdelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. 2.4. De kantonrechter begrijpt het standpunt van de eisende partij aldus, dat het lidmaatschap ten dienste staat van en accessoir is aan de Wegenwacht Service (de verzekeringsovereenkomst). Bij de verdere beoordeling neemt de kantonrechter dan ook tot uitgangspunt dat (enkel) sprake is van een verzekeringsovereenkomst. Gevolgen kwalificatie verzekeringsovereenkomst Toepasselijkheid Wft 2.5. In de akte stelt de eisende partij zich op het standpunt dat de onderdelen sleutelhulp, transporthulp en repatriëring van de Wegenwacht Service vallen onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1:6 lid 1 onder e, onderdelen 1, 2 en 3 Wft. De onderdelen vervoer, toezenden onderdelen en een vervangend chauffeur vallen niet onder deze bepaling, zodat, zo stelt de eisende partij, de Wft op de Wegenwacht Service van toepassing is. 2.6. Nu de eisende partij niet heeft gespecificeerd welke van de hiervoor genoemde diensten in het onderhavige geval aan de gedaagde partij zijn verleend, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat de Wft op de onderhavige overeenkomst van toepassing is. (Pre)contractuele informatieverplichtingen 2.7. Op de onderhavige (in de winkel gesloten) verzekeringsovereenkomst zijn de informatieverplichtingen van toepassing zoals bedoeld in paragrafen 1 en 6 van afdeling 6.5.2b BW, artikel 4:20 Wft en de paragrafen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.6 BGfo. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, moet de kantonrechter er ambtshalve op toezien dat deze consumentenbeschermende voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. 2.8. De eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verwezen naar een flyer: “Wegenwacht Service: Kies zelf het pakket dat bij je past”. Deze flyer is voor het sluiten van de overeenkomst en met een toelichting van een winkelmedewerker aan de gedaagde partij verstrekt. De eisende partij stelt dat de gedaagde partij met die flyer is geïnformeerd over de voornaamste kenmerken van de overeenkomst, zoals haar naam, de aard van de dienstverlening en de tarieven. De eisende partij heeft de genoemde flyer overgelegd. 2.9. De eisende partij heeft in haar akte uiteengezet welke gegevens in de bevestigingsbrief en de factuur zijn opgenomen en welke informatie in de polisvoorwaarden te vinden is. De aan de gedaagde partij verzonden voorbeeld-bevestiging en factuur zijn overgelegd. De eisende partij heeft in haar eerdere akte een link naar de polisvoorwaarden opgenomen, een en ander in lijn met het landelijke ‘Informatieformulier voor zaken waarin de gedaagde een natuurlijke persoon is’. 2.10. De kantonrechter is van oordeel dat met hetgeen de eisende partij in de aktes heeft gesteld en onderbouwd, voldoende is gebleken dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen. Einde van de verzekeringsovereenkomst 2.11. De kantonrechter constateert dat de eisende partij nog steeds geen duidelijkheid heeft gegeven over de beëindiging van de overeenkomst met de gedaagde partij en daarover wisselende en onduidelijke stellingen heeft ingenomen. In de eerdere akte is gesteld dat de overeenkomst is beëindigd op grond van de algemene voorwaarden. In afwijking daarvan is in de nadere akte echter gesteld dat de overeenkomst aan het einde van de lopende contractperiode niet is verlengd en dat - zo begrijpt de kantonrechter - die (kennelijk toekomstige) beëindiging een ontbinding op grond van art. 6:265 BW betreft. 2.12. Gelet op de als productie IV overgelegde brief gaat de kantonrechter ervan uit dat de eisende partij het lidmaatschap en de Wegenwacht Service heeft beëindigd tegen het einde van de looptijd van de verzekering zoals bedoeld in haar algemene voorwaarden. Dit brengt met zich dat de overeenkomst is geëindigd per 1 januari 2020 en dat de gedaagde partij tot die datum premie verschuldigd is en tot die datum aanspraak heeft kunnen maken op haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten. Wat is toewijsbaar? 2.13. Als productie II is de factuur overgelegd waarvan de eisende partij betaling vordert. In de factuur staat dat de gedaagde partij een totaalbedrag van € 155,= verschuldigd is. Uit de overgelegde aanmaning en 14-dagenbrief blijkt dat de gedaagde partij heeft nagelaten dit bedrag (tijdig) te betalen. 2.14. De vordering tot betaling van € 155,= ligt gelet hierop voor toewijzing gereed. 2.15. Omdat de gedaagde partij in gebreke is gebleven met het tijdig voldoen van de factuur is zij de gevorderde wettelijke vertragingsrente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum te bepalen. 2.16. De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De eisende partij heeft aan de gedaagde partij een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. 2.17. De gedaagde partij wordt in deze zaak in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor genomen akte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.