← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2021:3297

proces-verbaal RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 8947363 \ CV EXPL 20-12053 \ \ 34124 uitspraak van Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 20 mei 2021 in de zaak van de stichting Stichting Woonstede gevestigd te Ede eisende partij gemachtigde LAVG Groningen tegen 1 [gedaagde 1 ] wonende te [woonplaats]

  1. [gedaagde 2] wonende te [woonplaats] gedaagde partijen gemachtigde mr. M. van Hunnik Partijen worden hierna Woonstede en [gedaagden] (vrouwelijk enkelvoud) genoemd. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 3 maart 2021 en de daarin genoemde processtukken. 1.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei
  4. St. Woonstede is verschenen, bijgestaan door mr. Koers. [gedaagden] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. van Hunnik. 1.
  5. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. 2De beslissing De kantonrechter, 2.
  6. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 2.208,84, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.913,78 vanaf 10 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening; 2.
  7. compenseert de proceskosten tussen partijen; 2.
  8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 2.
  9. wijst het meer of anders verzochte af. 3De beoordeling 3.
  10. De kantonrechter geeft hiervoor de volgende motivering. 3.
  11. Vaststaat dat [gedaagden] een huurachterstand heeft laten ontstaan van € 1.913,
  12. De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt dan ook toegewezen als gevorderd. Datzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente. 3.
  13. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 287,
  14. Genoegzaam is gebleken dat er incassowerkzaamheden zijn verricht en dat deze terecht waren gelet op de ontstane huurachterstand. Bovendien is het gevorderde bedrag in overeenstemming met het Besluit buitengerechtelijke incassokosten. 3.
  15. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. 3.
  16. Het laten ontstaan van een huurachterstand levert een tekortkoming op in de nakoming van de huurovereenkomst. In de gegeven omstandigheden rechtvaardigt de tekortkoming echter niet de ontbinding van de huurovereenkomst. De huurachterstand bedraagt thans minder dan drie maanden. Verder betaalt [gedaagden] de lopende huur en zij verricht maandelijks aflossing op de achterstand. Tot slot is van belang dat [gedaagden] al in januari 2020 heeft verzocht om een huurverlaging in verband met de aanvraag huurtoeslag en dat Woonstede hier eerst in december 2020 op heeft beslist. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee samenhangede ontruiming van het gehuurde wordt afgewezen. 3.
  17. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. S.S. van Nijen, kantonrechter, in het openbaar uitgesproken en vastgelegd op 20 mei 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.