RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21/3360 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR. (gemachtigde: mr. M. Ouhbib) Procesverloop In het besluit van 13 juli 2021 heeft het CBR verzoeker verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen. Daarnaast heeft het CBR de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 augustus 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. Het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waarover gaat deze zaak? 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om voorlopige voorziening dat gaat over het besluit van het CBR tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker en tot de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Verzoeker beschikt sinds 17 mei 2016 over een rijbewijs voor de categoriën AM (bromfiets/scooter) en B (auto). Op 18 april 2021 heeft de politie bij verzoeker een blaastest afgenomen, waarbij hij positief testte op alcohol. De gemeten hoeveelheid alcohol bedroeg 570 µg/l (1,311 promille). Op dat moment bestuurde hij een brom-/snorfiets. Omdat verzoeker beschikte over een beginnersrijbewijs heeft de politie het rijbewijs ingevorderd. Verzoeker heeft een klaagschrift ingediend tegen deze invordering. De raadkamer van de rechtbank Gelderland heeft dit gegrond verklaard en op 19 mei 2021 heeft verzoeker zijn rijbewijs teruggekregen. 1.2 Bij brief van 30 juni 2021 heeft de politie aan het CBR een mededeling gedaan van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of rijgeschiktheid. Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR in het besluit van 13 juli 2021 de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker geschorst en bepaalt dat hij een onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik.Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Het CBR zal beoordelen of dat bezwaar ertoe leidt dat het CBR van het besluit moet terugkomen. Dat oordeel wordt een ‘beslissing op bezwaar’ genoemd. Heeft verzoeker een spoedeisend belang? 2. Het kost enige tijd voordat het CBR die beslissing op bezwaar heeft genomen. Tot die tijd moet verzoeker meewerken aan een onderzoek en is zijn rijbewijs geschorst. Zoals hierna nog zal worden besproken kan verzoeker dat niet afwachten. Hij is werkzaam in de autobranche en heeft zijn rijbewijs dagelijks nodig. Zonder rijbewijs dreigt hij zijn baan te verliezen. Daarom heeft hij een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Op de zitting heeft verzoeker laten weten dat hij, als het moet, wel wil meewerken aan het onderzoek. De voorzieningenrechter zal de beoordeling dan ook beperken tot de vraag of het rijbewijs in afwachting van dat onderzoek geschorst moet blijven. Wat zijn de standpunten het CBR en verzoeker? 3. Het CBR stelt zich op het standpunt dat verzoeker de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht door een brom-/snorfiets te besturen met alcohol op. Volgens de regelgeving is verzoeker gehouden het onderzoek naar alcoholgebruik te doen. Het CBR heeft zijn besluit gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). De voor deze zaak belangrijke artikelen, zijn te lezen in een bijlage bij deze uitspraak. Op grond van het eerste lid, onder c van artikel 131 van de Wegenverkeerswet moet het CBR na een mededeling van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of rijgeschiktheid een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid op te leggen. Uit het artikel 23, eerste lid, onder b, van de Regeling volgt dat het CBR verplicht is een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen als bij verzoeker, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰. Dit is het geval bij verzoeker. In de artikelen 5 en 6 van de Regeling staat dat het CBR dan ook het rijbewijs van verzoeker schorst. Op de zitting heeft het CBR laten weten de situatie van verzoeker te betreuren, maar geen ruimte te zien om een belangenafweging te maken. De wettelijke bepalingen zijn dwingendrechtelijk voorgeschreven en het CBR zegt daar niet van te kunnen afwijken. 3.1 Verzoeker is het niet eens met het besluit van het CBR omdat er sprake is van een incident en hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Hij rouleert meermaals per dag de tussen de vestigingen van het autobedrijf en dat is met het openbaar vervoer niet mogelijk. Verder brengt hij bijna dagelijks auto’s of eigenaren naar hun huis. De rechter van de raadkamer heeft hem zijn rijbewijs teruggegeven omdat er sprake is van een incident en omdat hij zijn rijbewijs hard nodig heeft voor zijn werk. Ook zou de rechter hebben laten weten dat hij niet vervolgd zou worden als beginnend bestuurder, omdat hij nog maar even beginnend bestuurder zou zijn. Al zijn vrije dagen zijn opgeraakt in de periode dat hij eerder naar aanleiding van dit incident zijn rijbewijs is kwijt geweest. De beoordeling door de rechtbank. 4. De voorzieningenrechter is het met het CBR eens dat de wettelijke bepalingen in dit geval voorschrijven dat het CBR een onderzoek moet laten doen naar de rijgeschiktheid van verzoeker en dat tot die tijd het CBR het rijbewijs van verzoeker moet schorsen. Het is vaste rechtspraak dat de toepasselijke bepalingen uit de WVW 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Ook bij zo’n dwingende regeling kan het CBR echter gehouden zijn om bepalingen buiten toepassing te laten indien de gevolgen in een bijzonder geval kennelijk onredelijk zouden zijn. Bij de beantwoording van de vraag of zich een kennelijke onredelijkheid voordoet, kan onder meer van belang zijn vanwege welke feiten en omstandigheden de schorsing is gelast, welke gevolgen de schorsing in het concrete geval heeft en wat de overige omstandigheden in de individuele situatie zijn. Zoals hieronder zal worden uitgelegd is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat om te denken dat de schorsing van het rijbewijs vanwege een bijzonder samenstel van omstandigheden in dit geval kennelijk onredelijk kan zijn. 4.1. Hierbij is ook van belang dat nog onduidelijk is of het criterium ‘kennelijk onredelijk’ binnenkort zal worden verruimd. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de conclusie van de staadsraden advocaat-generaal Widdershoven en Wattel over de rechterlijke evenredigheidstoets in het geval van bestuurlijke sancties en maatregelen. Zij hebben geconcludeerd dat een wettelijke fixatie door middel van een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een formele wet, de rechterlijke toetsing van sancties op evenredigheid niet beperkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is artikel 23, eerste lid, onder b, van de Regeling zo’n wettelijke fixatie. Daarin is namelijk bepaald dat als bij een beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l onder meer het rijbewijs wordt geschorst. Als de conclusie op dit punt wordt gevolgd, zou dat dus inhouden dat in dit geval niet zozeer moet worden beoordeeld of de schorsing van het rijbewijs ‘kennelijk onredelijk’ is, maar of die schorsing ‘evenredig’ is. Dat is een ruimere beoordeling. Deze conclusie is op dit moment nog geen recht, maar is wel belangrijk voor de komende ontwikkelingen. 4.2. Er zijn in dit geval een aantal omstandigheden die, samen genomen, kunnen maken dat schorsing van het rijbewijs onevenredig en zelfs kennelijk onredelijk is. Ten eerste is van belang dat verzoeker precies 570 µg/l had geblazen, de exacte ondergrens voor de schorsing bij beginnende bestuurders. Had hij 1 µg/l minder geblazen, dan was zijn rijbewijs niet geschorst. Ten tweede zat verzoeker in zijn laatste maand als beginnend bestuurder. Als hij een kleine maand later was aangehouden zou een grenswaarde van 785 µg/l gelden en was zijn rijbewijs niet geschorst. Ten derde is verzoeker aangehouden op een scooter, dus niet in een auto. Hoewel dit voor de Regeling niet relevant is omdat ook een brommer een voertuig is, acht de voorzieningenrechter het bij de beoordeling van de evenredigheid wel van belang. Dat het dronken rijden op een brommer als minder ernstig wordt gezien dan dronken rijden in een auto volgt ook uit de toepasselijk strafmaten in het strafrecht. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat uit het besluit volgt dat de schorsing van het rijbewijs niet ziet op de categorie AM (brommer/scooter). Het is moeilijk uit te leggen dat verzoeker zijn autorijbewijs kwijtraakt omdat hij dronken op een brommer heeft gereden, maar vervolgens juist op die brommer wél mag blijven rijden. Op de zitting heeft het CBR desgevraagd ook erkend dat wanneer verzoeker een maand later (op het moment dat hij geen beginnend bestuurder meer was) zou zijn aangehouden terwijl hij aanzienlijk meer dronken (bijvoorbeeld met 700 µg/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.