vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/381623 / HZ ZA 20-481 Vonnis van 22 september 2021 in de zaak van 1 [eisende partij 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [eisende partij 2], wonende te [woonplaats] , eiseressen, advocaat mr. E.J. Moll te Doetinchem, tegen 1. [gedaagde partij 1] , zowel in hoedanigheid van executeur als in hoedanigheid van erfgenaam van wijlen mevrouw [erflaatster] , laatstelijk wonende te [woonplaats], wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. G.S. Ebbeng-Horstman te Nijmegen, 2. [gedaagde partij 2], zonder bekende woonplaats in Nederland of daarbuiten, gedaagde, niet verschenen, 3. [gedaagde partij 3], wonende te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen, 4. [gedaagde partij 4], wonende te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen. Eiseressen zullen hierna [eisende partij 1] en [eisende partij 2] worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde partij 1] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 10 maart 2021 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 14 april 2021 de akte houdende overlegging producties van [gedaagde partij 1] de akte uitlaten producties van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de antwoordakte van [gedaagde partij 1] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 27 mei 2019 is overleden te [woonplaats] mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Eerder was zij gehuwd met de heer [betrokkene 1] . Ten tijde van haar overlijden was zij ongehuwd. 2.2. Uit het huwelijk van erflaatster en de heer [betrokkene 1] zijn zes kinderen geboren, te weten: [eisende partij 1] (eiseres sub 1), [gedaagde partij 1] (gedaagde sub 1), [gedaagde partij 2] (gedaagde sub 2), [gedaagde partij 3] (gedaagde sub 3), [gedaagde partij 4] (gedaagde sub 4) en [eisende partij 2] (eiseres sub 2). 2.3. In haar laatste uiterste wilsbeschikking, op 5 oktober 2013 vastgelegd in een testament (hierna ook: het testament), heeft erflaatster bepaald dat [gedaagde partij 1] haar enige erfgenaam is. De overige kinderen zijn door haar onterfd. Erflaatster heeft aan ieder van haar kleinkinderen € 15.000,00 gelegateerd. In het testament heeft erflaatster haar kinderen opgeroepen geen beroep te doen op hun legitieme portie. Het testament bevat verder onder meer de bepaling dat als een legitimaris aanspraak maakt op zijn/haar legitieme portie, in afwijking van artikel 4:87 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de inkorting eerst zal plaatsvinden bij zijn/haar eigen kinderen. 2.4. In het testament van 5 oktober 2013 heeft erflaatster [gedaagde partij 1] benoemd tot executeur. [gedaagde partij 1] heeft zijn benoeming aanvaard. 2.5. Bij brief van 6 februari 2020, die is verstuurd aan [gedaagde partij 1] en aan de door hem ingeschakelde notaris, hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] aanspraak gemaakt op hun legitieme portie, zonder daarmee hun aanspraak op hun wettelijk erfdeel prijs te geven. Zij hebben zich het recht voorbehouden de geldigheid van het testament van erflaatster van 5 oktober 2013 (in rechte) aan te tasten. 2.6. [gedaagde partij 1] heeft laten weten dat de waarde van de nalatenschap volgens hem € 582.059,38 bedraagt, na aftrek van de kosten van de uitvaart. De legitieme portie bedraagt in die berekening € 48.504,95 per persoon. 2.7. Bij brief van 27 maart 2020 aan [gedaagde partij 1] hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] nogmaals aanspraak gemaakt op uitbetaling van de legitieme portie. Daarbij hebben zij [gedaagde partij 1] in gebreke gesteld en aanspraak gemaakt op de wettelijke rente per 1 april 2020. 2.8. Op 31 december 2020 – na de datum van de dagvaarding – heeft [gedaagde partij 1] de legitieme portie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2020 tot en met 31 december 2020, oftewel in totaal € 49.233,84 per persoon, uitgekeerd aan (onder meer) [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . 3Het geschil 3.1. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat de laatste wil van erflaatster van 5 oktober 2013 nietig is; [gedaagde partij 1] veroordeelt de in alinea 23 van de dagvaarding genoemde bescheiden te verstrekken aan [eisende partij 1] en [eisende partij 2] en de rechtbank, te weten: - aangifte erfbelasting; - alle aangiften inkomstenbelasting vanaf 2011 tot en met 2019; - alle aanslagen inkomstenbelasting vanaf 2011 tot en met 2019; - alle bankafschriften vanaf 2011 tot en met 2019; - volledige en waarheidsgetrouwe opgave van de door [gedaagde partij 1] en/of zijn kinderen ontvangen schenkingen; - de jaaropgaven vanaf 2010 tot het moment van overlijden; 3. de hoogte vaststelt van de legitimaire massa; 4. de hoogte bepaalt van de legitimaire aanspraak van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ; 5. [gedaagde partij 1] veroordeelt binnen twee dagen na betekening van het vonnis de legitimaire vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] aan hen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 april 2020, als betaling van de legitieme portie, dan wel, indien de laatste wil van erflaatster van 5 oktober 2013 nietig is, als deelbetaling in mindering op het erfdeel van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ; 6. [gedaagde partij 1] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat het testament van erflaatster van 5 oktober 2013 nietig is, omdat erflaatster op die datum niet meer in staat was haar wil te bepalen. Volgens [eisende partij 1] en [eisende partij 2] kan erflaatster niet hebben gewild alle kinderen, met uitzondering van [gedaagde partij 1] , te onterven. Bij het ontbreken van een eerder testament wordt teruggevallen op het wettelijk erfrecht, inhoudend dat de nalatenschap moet worden verdeeld tussen de zes kinderen, waarbij ieder kind recht heeft op een zesde deel van de nalatenschap. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] willen dat [gedaagde partij 1] de in 3.1 onder 2 genoemde gegevens verstrekt, omdat het volgens hen op zijn minst aannemelijk is dat er – middels schenkingen en/of geldleningen ten gunste van [gedaagde partij 1] en/of zijn kinderen – geld aan het vermogen van erflaatster is onttrokken. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] maken ten slotte aanspraak op uitbetaling van de legitieme porties. Die zijn opeisbaar geworden vanaf 27 november 2020, zes maanden na het overlijden van erflaatster. [gedaagde partij 1] is per 1 april 2020 in gebreke gesteld. Vanaf die datum maken [eisende partij 1] en [eisende partij 2] aanspraak op wettelijke rente. 3.3. [gedaagde partij 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in hun vordering tot nietigverklaring van het testament dan wel tot afwijzing van deze vordering. Hij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vorderingen tot het vaststellen van de hoogte van de legitimaire massa en de legitimaire aanspraak van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . Ten aanzien van de overige vorderingen concludeert [gedaagde partij 1] tot afwijzing. Tot slot betoogt [gedaagde partij 1] dat de proceskosten tussen partijen moeten worden gecompenseerd, gelet op hun familierelatie. 3.4. Tegen gedaagden 2, 3 en 4 is verstek verleend. 3.5. De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling. 4De beoordeling De kern van het geschil 4.1. Deze zaak draait om de vraag of de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 5 oktober 2013 nietig is omdat zij tijdens het opmaken daarvan leed aan een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW. Volgens [eisende partij 1] en [eisende partij 2] is dat het geval; volgens [gedaagde partij 1] niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat erflaatster leed aan een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW. De rechtbank zal hieronder motiveren hoe zij tot dit oordeel komt. Daarbij zullen eerst enkele andere aspecten van het geschil aan bod komen. De gedaagden 2, 3 en 4 4.2. De gedaagden 2, 3 en 4 zijn niet in de procedure verschenen. Nu [gedaagde partij 1] wel is verschenen, wordt op grond van artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) één vonnis tussen partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. De legitimaire massa en de legitimaire aanspraken 4.3. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben in hun akte uitlaten producties aangevoerd dat zij er – gelet op de inmiddels van [gedaagde partij 1] ontvangen betalingen van € 49.233,84 – geen belang meer bij hebben dat de rechtbank de omvang van de legitimaire massa en de legitimaire aanspraken vaststelt. Zij hebben de vorderingen die daarop betrekking hebben, en die hierboven zijn genoemd in 3.1 onder 3, 4 en 5, echter niet (expliciet) ingetrokken. Nu [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zelf aanvoeren dat zij bij deze vorderingen geen belang meer hebben, zal de rechtbank deze afwijzen. Het verstrekken van informatie 4.4. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben in hun akte uitlaten producties verder aangevoerd dat [gedaagde partij 1] op 17 mei 2021 aan hun informatievordering heeft voldaan. De rechtbank begrijpt dat zij hiermee doelen op de vordering die hierboven is genoemd in 3.1 onder 2. Ook deze vordering hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] echter niet (expliciet) ingetrokken. De rechtbank zal deze vordering bij gebrek aan belang eveneens afwijzen. Het testament van 5 oktober 2013 4.5. Dan resteert de vordering hierboven genoemd in 3.1 onder 1, die strekt tot een verklaring voor recht dat de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 5 oktober 2013 nietig is. 4.6. Bij de beoordeling van deze vordering stelt de rechtbank het volgende voorop. Het is noodzakelijk dat een beslissing over de nietigheid van de uiterste wilsbeschikking van een erflater ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen hetzelfde is, omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Ten aanzien van alle (mogelijke) partijen die in die rechtsverhouding – in dit geval de nalatenschap – zijn betrokken, moet hetzelfde gelden. Een testament kan immers niet ten aanzien van één of meer erfgenamen geldig zijn en ten aanzien van één of meer andere erfgenamen nietig. Nu in dit geval alle erfgenamen in de procedure zijn betrokken, ook al zijn de gedaagden 2, 3 en 4 niet in de procedure verschenen, kan de rechtbank een beslissing geven die hen allen bindt (vgl. Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). Daarom zal de rechtbank voor haar oordeel ten aanzien van gedaagden 2, 3 en 4 aansluiten bij haar oordeel op het door [gedaagde partij 1] gevoerde verweer. 4.7. [gedaagde partij 1] voert als primair verweer aan dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet ontvankelijk zijn in hun vordering. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen namelijk dat erflaatster voorafgaand aan het onderhavige testament geen ander testament heeft opgesteld en dat zij dus een belang hebben bij het instellen van hun vordering, maar zij onderbouwen dit belang niet, aldus [gedaagde partij 1] . De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor zover [gedaagde partij 1] meent dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] geen belang hebben bij hun vordering omdat er mogelijk een eerder testament was waarin zij ook al waren onterfd, had het op zijn weg gelegen om dat te onderbouwen, bijvoorbeeld door informatie hierover op te vragen bij het Centraal Testamentenregister en die informatie in het geding te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. In het uittreksel uit het Centraal Testamentenregister dat [gedaagde partij 1] heeft overgelegd (bijlage 3 in productie 4 bij conclusie van antwoord) staat uitsluitend het testament van 5 oktober 2013 vermeld. Gelet hierop houdt de rechtbank het er – bij gebrek aan onderbouwing van het tegendeel – voor dat dit het enige testament van erflaatster betreft. Het belang van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] is erin gelegen dat deze uiterste wilsbeschikking nietig wordt verklaard, omdat daarmee hun onterving van tafel is en zij dan aanspraak kunnen maken op hun wettelijk erfdeel, in plaats van op de (kleinere) legitieme portie. Het verweer van [gedaagde partij 1] faalt. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zijn ontvankelijk in hun vordering. De rechtbank gaat daarom nu over tot de inhoudelijke beoordeling daarvan. 4.8. Tussen partijen is in geschil of een met de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 overeenstemmende wil van erflaatster moet worden geacht te hebben ontbroken omdat zij een geestelijke stoornis had zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW. Indien dit het geval is, is de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig, aangezien het om een eenzijdige rechtshandeling gaat die niet tot één of meer bepaalde personen was gericht (vgl. Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:311). 4.9. Voorop staat dat erflaatster op 5 oktober 2013, toen het testament werd verleden, handelingsbekwaam was en dus bekwaam tot het maken van een uiterste wilsbeschikking. Zij was immers meerderjarig en niet wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld (vgl. artikel 4:55 BW in samenhang met artikel 3:32 BW). Uitgangspunt is in dat geval de testeervrijheid: ook aan de erflater met een geestelijke stoornis is het in beginsel zelf te bepalen aan wie hij zijn nalatenschap wil doen toekomen. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan door derden op die vrijheid een inbreuk worden gemaakt door het aanvechten van de geldigheid van hetgeen een erflater als zijn uiterste wilsbeschikking in een testament heeft neergelegd. 4.10. De vraag of erflaatster ten tijde van het verlijden van het testament wilsbekwaam was, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 3:34 lid 1 BW. Artikel 3:34 BW volgt op artikel 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende, op rechtsgevolg gerichte wil vereist. Artikel 3:34 lid 2 BW bepaalt dat een rechtshandeling nietig is als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen. In dat geval is sprake van wilsonbekwaamheid. Voor toepassing van artikel 3:34 BW is vereist dat sprake is van een geestelijke stoornis. Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.