beslissing RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem Wrakingskamer zaaknummer: C/05/391771 / KG RK 21-601 Beslissing van 9 augustus 2021 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] wonende te [woonplaats] gemachtigde: [… 1] hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot herziening van de beslissing van de wrakingskamer van 21 juli 2021 in de zaak met nummer C/05/390431 / KG RK 21-
- 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het schriftelijke verzoek tot herziening van 26 juli 2021, per e-mail binnengekomen bij de griffie van de wrakingskamer op 2 augustus
- 2Het herzieningsverzoek 2.
- Bij beslissing van 21 juli 2021 in de zaak met nummer C/05/390431 / KG RK 21-509 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van verzoeker in de verzetzaak bij de bestuursrechter met nummer 20/2859 V (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek tot wraking was ingediend nadat in die hoofdzaak reeds een einduitspraak was gedaan. 2.
- Verzoeker verzoekt om herziening van de beslissing van de wrakingskamer van 21 juli 2021 in verband met nieuwe en andere feiten en omstandigheden. Verzoeker stelt dat voormelde beslissing van de wrakingskamer een miskenning is van het recht van de burger op een eerlijke rechtsgang. Volgens verzoeker is de zaak bij de bestuursrechter misgelopen omdat deze slechts is gegaan over niet betaalde griffierechten. Van deze bijzaak is ten onrechte een hoofdzaak gemaakt en hiermee worden verzoeker alle rechtsmiddelen uit handen geslagen op onwettige en onrechtmatige wijze door dwaling van de bestuursrechter en de wrakingskamer. Er is daarom sprake van institutionele vooringenomenheid en ongekend onrecht. De beslissing van de wrakingskamer van 21 juli 2021 kan daarom niet in stand blijven, aldus verzoeker. 3De beoordeling 3.
- Verzoeker is het om meerdere reden niet eens met de beslissing van de wrakingskamer van 21 juli
- Op grond van artikel 8:18 lid 5 Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) staat tegen de beslissing van de wrakingskamer geen rechtsmiddel open. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de beslissing op een verzoek tot wraking geen einduitspraak als bedoeld in afd. 8.2.6 Awb (ABRvS 28 augustus 2002, nr. 200204201/2). Daarom is geen herziening mogelijk van de beslissing op het verzoek tot wraking. 3.
- Op grond van het voorgaande is verzoeker daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek om herziening, zodat een mondelinge behandeling van zijn verzoek achterwege kan blijven. 4De beslissing De wrakingskamer van de rechtbank: - verklaart verzoeker (kennelijk) niet-ontvankelijk in het verzoek tot herziening van de beslissing van de wrakingkamer van 21 juli
- Deze beslissing is gegeven door de mr. S.J. Peerdeman, voorzitter, en mrs. A.F. Germs- de Goede en M.J.M. Verhoeven in tegenwoordigheid van de griffier [… 2] en in openbaar uitgesproken op 9 augustus 2021 de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.