← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2021:5916

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/881372-18 Datum uitspraak : 5 november 2021 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2021. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks 01 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, te Doetinchem en/of in de gemeente Doesburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (5 en/of 10 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, in de gemeente Doesburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(

  1. en)en/of alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere pers(o)n(
  2. en)een hoeveelheid van (ongeveer) 0,5 en/of 1 gram cocaïne, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(
  3. en)van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(
  4. en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op of omstreeks 28 augustus 2018, te Doesburg, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 8 milliliter van een vloeistof bevattende gamma-hydroxyboterzuur, zijnde amfetamine en/of gamma-hydroxyboterzuur (een) middel(
  5. en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2. Van feit 3 moet verdachte worden vrijgesproken. Het standpunt van de verdediging Er is geen bewijsverweer gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 en feit 2 Verdachte is een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen feit 1 - het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , p. 589-592; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , p. 777-778 en 782-783; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2021. Bewijsmiddelen feit 2 - het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , p. 777-778 en 782-783; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] , p. 533-539; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 5] , p. 575-579; - het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] , p. 561-565; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 540-541; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 553-555; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2021. Feit 3 Op 28 augustus 2018 zijn in de woning aan de [adres 2] in Doesburg een hoeveelheid pillen en een flesje met vloeistof aangetroffen. De pillen en de vloeistof zijn alleen indicatief getest. Gelet op de ontkennende verklaring van verdachte is dit onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te achten dat verdachte amfetamine en/of GHB aanwezig heeft gehad. Daarom zal de rechtbank hem van dit feit vrijspreken. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, te Doetinchem en/of in de gemeente Doesburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (5 en/of 10 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 28 augustus 2018, in de gemeente Doesburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(
  6. en)en/of alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere pers(o)n(
  7. en)een hoeveelheid van (ongeveer) 0,5 en/of 1 gram cocaïne, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(
  8. en)van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(
  9. en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en daarnaast een taakstraf van 240 uur, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest. Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf alles kwijt raakt. Hij kan een taakstraf uitvoeren. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft samen met zijn broer gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar cocaïne gedeald. Zij hebben daarmee het gebruik van dat middel door anderen mogelijk gemaakt. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn broer als ‘lopers’ hebben gefunctioneerd en dat niet is gebleken dat zij grote geldbedragen hebben verdiend met de handel. Zij hebben hooguit kunnen voorzien in hun eigen drugsgebruik. Ter zitting heeft verdachte hierover wat meer duidelijkheid gegeven. Er is geen reclasseringsadvies over verdachte beschikbaar. Hij heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij begeleiding (vanuit de gemeente) krijgt, afgekeurd is voor werk en een uitkering heeft. Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat er geen sprake is van relevante veroordelingen. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is. Hierbij wijst de rechtbank op het aanzienlijke tijdsverloop en op de persoon en omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat de hulpverlening op dit moment goed verloopt en zij wil die ook niet doorkruisen door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een voorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank wel nodig om ervoor te zorgen dat verdachte in de toekomst andere keuzes maakt en zich niet laat verleiden om weer strafbare feiten te plegen. Gelet op de eerdergenoemde omstandigheden en de rol van verdachte komt de rechtbank tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 150 uur, met een aftrek voor de tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht. 8Beslag Ten laste van verdachte is een iPhone telefoon in beslag genomen. De rechtbank stelt vast dat met deze telefoon niet is gebruikt om de bewezen verklaarde feiten te plegen. De rechtbank zal de teruggave van deze telefoon gelasten. In het geval de telefoon is vernietigd, dient aan verdachte het bedrag te worden vergoed dat de telefoon bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet. 10De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van feit 3;  verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;  bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;  legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;  beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;  gelast de teruggave van de iPhone dan wel het bedrag dat deze telefoon bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht aan verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. R. Raat en mr. S.P.H. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 november 2021. mr. Snijders en mr. Brinkman zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Recherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossier ON3201806 (onderzoek Pleonasme), gesloten op 26 november 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.