← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2021:6546

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/254886-19 Datum uitspraak : 6 december 2021 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] . Raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 november

  1. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: [medeverdachte] op of omstreeks 10 maart 2019 te Geldermalsen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft/is hij, verdachte, met dat opzet, - een afspraak gemaakt met die [slachtoffer] en/of - ( vervolgens) naar die [slachtoffer] gelopen, terwijl die [slachtoffer] nog in de/zijn auto zat en/of - ( vervolgens) het portier van de bijrijderskant van die auto geopend en/of - ( vervolgens) meermalen met kracht en met gebalde vuist op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] geslagen en/of - ( vervolgens) meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden; tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 10 maart 2019 te Geldermalsen, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door: (op verzoek van en/of in samenspraak met die [medeverdachte] ) die [slachtoffer] naar een (met die [medeverdachte] ) afgesproken plek te rijden/te brengen. 2De standpunten De officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Medeverdachte [medeverdachte] is veroordeeld wegens zware mishandeling van [slachtoffer] als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft met [medeverdachte] afgesproken dat hij [slachtoffer] naar een ontmoeting met [medeverdachte] zou brengen, terwijl verdachte wist dat [slachtoffer] ruzie had met dealers en dat [medeverdachte] drugs dealde. [medeverdachte] had tegen verdachte gezegd dat [slachtoffer] straf zou krijgen. Hoewel niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat [medeverdachte] [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte wist dat [medeverdachte] [slachtoffer] een lesje wilde leren en dat dit zeer waarschijnlijk zou bestaan uit het geven van klappen. Het opzet van verdachte was gericht op mishandeling. Dit heeft voldoende verband met het gronddelict, te weten zware mishandeling. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van dertig uur, subsidiair vijftien dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. De verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het ‘meelokken’ naar een afspraak of ontmoeting is geen (voorwaardelijk) opzet op enig geweldsdelict. Verdachte wist niet wat [medeverdachte] van plan was en al helemaal niet dat hij een mes zou gaan gebruiken. De verklaring van [medeverdachte] is onbetrouwbaar en kan niet voor het bewijs worden gebezigd. 3Overwegingen ten aanzien van het bewijs De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf vereist is dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband. Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 10 maart 2019 hebben verdachte en [medeverdachte] afgesproken om elkaar tussen 17:30 en 18:00 uur te ontmoeten in Geldermalsen. [medeverdachte] wilde praten met [slachtoffer] en vroeg aan verdachte om [slachtoffer] mee te nemen naar de afspraak. Verdachte had het voorgevoel dat [slachtoffer] door [medeverdachte] bang zou worden gemaakt. Verdachte en [slachtoffer] zijn vervolgens met de auto naar de [straatnaam] te Geldermalsen gereden en hebben daar de auto neergezet. Verdachte was de bestuurder en [slachtoffer] zat op de bijrijdersstoel. Toen [medeverdachte] aankwam, zette hij zijn auto schuin voor de auto van verdachte, stapte uit en opende het portier van de bijrijderskant van de auto van verdachte. Vervolgens heeft [medeverdachte] [slachtoffer] meerdere vuistslagen tegen het hoofd gegeven en meermalen met een mes in het been van [slachtoffer] gestoken. Als gevolg van deze messteken is [slachtoffer] overleden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voorgaande, vastgesteld kan worden dat verdachte op verzoek van [medeverdachte] [slachtoffer] naar een afgesproken plek heeft gereden. Er is echter geen enkel bewijs voor de conclusie dat verdachte wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat [medeverdachte] [slachtoffer] aldaar met een mes zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, noch dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [medeverdachte] [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Er is geen enkele aanwijzing dat verdachte wist dat er een mes aanwezig was op of dat hij wist dat er een mes werd meegenomen naar de afspraak, noch dat er een plan was om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft hierover verklaard dat [medeverdachte] hem had gezegd dat hij met [slachtoffer] wilde praten. Verdachte had wel een voorgevoel dat [slachtoffer] door [medeverdachte] bang zou worden gemaakt, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat verdachte (voorwaardelijke) opzet had op het gelegenheid geven tot enig geweldsdelict, laat staan op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een mes. Dit betekent dat het tenlastegelegde niet is bewezen en dat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. 4De beoordeling van de civiele vorderingen De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.657,68 aan materiële schade en € 20.000,-- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.802,60 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.579,64 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Overweging van de rechtbank Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 5De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;  verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoedeman (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 december
  2. Mr. Van Wezel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.