vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/395869 / KG ZA 21-402 Vonnis in kort geding van 17 december 2021 in de zaak van 1. de vennootschap onder firma [eisende partij 1] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] , 2. [eisende partij 2], wonende te [plaats] , 3. [eisende partij 3], wonende te [plaats] , eisers, advocaat mr. R.F. Rebel te Harderwijk, tegen [gedaagde partij ] , wonende te [plaats] , gedaagde, verschenen in persoon. Partijen zullen hierna [eisende partijen] en [gedaagde partij ] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 9 de brief van 2 december 2021 van de zijde van [eisende partijen] met bijgevoegd producties 10 en 11 de mondelinge behandeling, gehouden op 3 december 2021 de pleitnota van [eisende partijen] - het proces-verbaal van 3 december 2021 met daarin neergelegd de afspraak van partijen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Eisers sub 2 en 3 zijn de vennoten in de vof [eisende partij 1] (hierna: de [eisende partij 1] ). De [eisende partij 1] drijft een agrarische onderneming en houdt vee. In de boerderijwinkel op het erf van de [eisende partij 1] wordt boerderijzuivel en -vlees verkocht. Ook houdt de [eisende partij 1] zich bezig met boerderij-educatie. [eisende partijen] hebben in 2005 het perceel met daarop de boerderij gekocht, kadastraal bekend gemeente [kad.gegevens 1] (hierna: perceel [perceel 1] ). Ook het aangrenzende perceel kadastraal bekend gemeente [kad.gegevens 2] (hierna: perceel [perceel 2] ) is eigendom van [eisende partijen] 2.2. [gedaagde partij ] is eigenaar van (onder meer) het perceel met daarop een woonhuis aan de [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [kad.gegevens 3] (hierna: perceel [perceel 3] ). Dit perceel grenst over de gehele achterzijde aan perceel [perceel 1] van [eisende partijen] 2.3. [eisende partijen] en [gedaagde partij ] delen een inrit die beide partijen de toegang tot hun eigen erf verschaft. Deze inrit bestaat uit een breed pad dat tussen perceel [perceel 3] van [gedaagde partij ] en het perceel kadastraal bekend gemeente [kad.gegevens 4] van een derde (hierna: perceel [perceel 4] ) doorloopt. Het pad splitst zich op enig moment in een tweetal paden, waarbij het ene pad afbuigt naar perceel [perceel 3] van [gedaagde partij ] en het andere pad verder richting perceel [perceel 1] van [eisende partijen] voert. Naar verluid was deze inrit vroeger een doorgaande weg in het verlengde van de [adres 2] die verder doorliep tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] . 2.4. Een kadastrale kaart van de situatie ter plaatse ziet er als volgt uit waarbij perceel [perceel 1] geel gemarkeerd is met links onder in de hoek de boerderij: AFBEELDING 2.5. Tussen partijen is op enig moment een geschil ontstaan over het gebruik van de inrit door klanten en leveranciers van de [eisende partij 1] en de bijbehorende boerderijwinkel en andere bezoekers. [gedaagde partij ] heeft in dit verband aan [eisende partijen] te kennen gegeven dat hij hinder ervaart doordat bezoekers van de [eisende partij 1] en de boerderijwinkel op zijn deel van de inrit keren en (willekeurige) personen op of in de buurt van (zijn deel van) de inrit parkeren in verband met de aanwezigheid van een zogenaamde ‘geocaching’-locatie (zijnde onderdeel van een digitaal spel om per GPS-coördinaten digitale ‘schatten’ te vinden). [eisende partijen] heeft daarop op 14 oktober 2021 een verzoek gedaan tot verwijdering van de geocache. De geocache is vervolgens gedeactiveerd. 2.6. Partijen hebben nadien via Whatsapp met elkaar gecorrespondeerd. [gedaagde partij ] heeft in deze correspondentie laten weten voornemens te zijn keerwanden op de inrit te plaatsen. [eisende partijen] hebben hierop aan [gedaagde partij ] laten weten dat dit niet conform de afspraak is nu partijen hebben afgesproken gezamenlijk naar een passende oplossing te zoeken. 2.7. [gedaagde partij ] heeft op 20 oktober 2021 betonnen keerwanden geplaatst op het gedeelte van de inrit voor de splitsing. 2.8. [eisende partijen] hebben [gedaagde partij ] bij brief van 28 oktober 2021 gesommeerd de door hem geplaatste betonnen keerwanden binnen twee weken na dagtekening van de brief te verwijderen en verwijderd te houden. 2.9. [gedaagde partij ] heeft nadien nog twee betonnen keerwanden geplaatst, alle keerwanden aan de bovenzijde voorzien van een reling en een paal voor de (vanaf de openbare weg gezien) voorste keerwand geplaatst. 3Het geschil 3.1. [eisende partijen] vorderen - samengevat - bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij ] te veroordelen om uiterlijk binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de betonnen keerwanden te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde partij ] in de (na)kosten van dit kort geding. 3.2. [gedaagde partij ] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde het spoedeisend belang bij de vorderingen [eisende partijen] gegeven. Het spoedeisend belang is ook niet door [gedaagde partij ] betwist. 4.2. Allereerst moet worden geconstateerd dat partijen het niet eens zijn over het verloop van de erfgrens op de door hen gedeelde inrit. Ook uit de in het geding gebrachte stukken kan niet (zonder meer) worden afgeleid bij wie (welk deel van) de eigendom van de inrit ligt. [gedaagde partij ] heeft ter zitting aangevoerd dat hij zijn deel van de inrit door het Kadaster heeft laten inmeten en dat de keerwanden op zijn eigen erf dan wel de erfgrens staan maar dit laatste heeft [eisende partijen] gemotiveerd betwist. Vast staat in ieder geval dat bij de genoemde inmeting door het Kadaster enkel het deel van de oprit van [gedaagde partij ] is ingemeten en dat [eisende partijen] hierbij niet betrokken zijn geweest. Voor het antwoord op de vraag, in hoeverre de inrit van [eisende partijen] dan wel [gedaagde partij ] is, is dan ook nader onderzoek naar de feiten nodig, waarvoor zich een procedure in kort geding niet leent. Binnen het bestek van dit kort geding kan dan ook niet worden vastgesteld aan wie (deels) de eigendom van de inrit toekomt en of [gedaagde partij ] , zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, de betonnen keerwanden op zijn eigen erf c.q. de erfgrens heeft geplaatst. 4.3. [eisende partijen] stellen zich in deze procedure op het standpunt dat, ook indien het deel van de inrit waarop [gedaagde partij ] de betonnen keerwanden heeft geplaatst dan wel de gehele inrit van [gedaagde partij ] blijkt te zijn, zij in ieder geval op grond van het bepaalde in artikel 5:72 BW door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring eigenaar zijn geworden van een erfdienstbaarheid van overpad met betrekking tot de (gehele) inrit. Of aan [eisende partijen] ook daadwerkelijk de door hen gestelde erfdienstbaarheid van overpad toekomt, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. Dit is voorbehouden aan de rechter ten gronde, in een (eventueel) door partijen aanhangig te maken bodemprocedure. Thans is enkel aan de orde of, zoals tijdens de zitting door de voorzieningenrechter is toegelicht, een ordemaatregel moet worden getroffen totdat ten principale over de exacte perceelsgrenzen en in het verlengde daarvan over het bestaan van enige erfdienstbaarheid zal zijn beslist. Het is dan ook de vraag of [eisende partijen] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat ten gronde zal worden geoordeeld dat aan hen de gestelde erfdienstbaarheid van overpad toekomt. 4.4. Voor verkrijgende verjaring op de voet van artikel 5:72 BW juncto artikel 3:99 lid 1 BW dan wel extinctieve verjaring ex artikel 3:105 en artikel 3:306 BW van een erfdienstbaarheid van overpad is vereist dat de erfdienstbaarheid in bezit is genomen en dat dit bezit vervolgens langer dan tien respectievelijk twintig jaren heeft voortgeduurd, zodat de rechtsvordering van [gedaagde partij ] tot beëindiging van dit bezit is verjaard. 4.5. Artikel 3:107 BW definieert bezit als het houden van een goed voor jezelf. Artikel 3:108 BW bepaalt in dit verband dat de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet naar verkeersopvatting beoordeeld wordt met inachtneming van de regels van titel 5 van Boek 3 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten. Voor het verkrijgen van een recht van erfdienstbaarheid door middel van verjaring dient aldus gedurende de verjaringstermijn sprake te zijn van ondubbelzinnig bezit van die erfdienstbaarheid in die zin dat er feitelijke en/of uiterlijke omstandigheden, zoals gedragingen en een bestendige toestand van een erf, aanwezig zijn waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om een bevoegdheid als gerechtigde tot die erfdienstbaarheid uit te oefenen (Hoge Raad 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:ZC2060). Van ondubbelzinnig bezit is sprake als de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dat dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (Hoge Raad 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:ZC0826). Dit dient naar objectieve maatstaven beoordeeld te worden (Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:309). Voorts geldt dat op grond van het bepaalde in artikel 3:113 lid 2 BW enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn om inbezitneming aan te nemen. Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke eigenaar teniet wordt gedaan (Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2743). 4.6. Ter beoordeling ligt aldus de vraag voor of het bezit van de erfdienstbaarheid van overpad door [eisende partijen] dan wel hun rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.