RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/215833-21 Datum uitspraak : 1 maart 2022 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Marokko), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, op dit moment gedetineerd in de P.I. Arnhem in Arnhem, raadsman: mr. J.W.J. Hopmans, advocaat in Groesbeek. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 november 2021 en 15 februari 2022. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 22 juli 2021 in de gemeente Nijmegen, in een supermarkt genaamd [naam] , gevestigd aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade inhoudende een onbekend geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de supermarkt [naam] , in elk geval aan die [naam] en/of een derde toebehoorde(
(8)is door een verbalisant herkend als zijnde verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij een van de twee mannen was die bij aangever in de steeg waren. Op de plaats van het delict is een wapen gevonden. In meerdere bemonsteringen van het wapen is DNA aangetroffen. Het NFI heeft berekend dat de hypothese dat de bemonsteringen DNA van verdachte bevatten meer dan 1 miljard keer meer waarschijnlijker is dan de hypothese dat het DNA van willekeurige onbekende personen zou zijn. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het aangetroffen wapen het wapen is dat gebruikt is en dat het DNA van verdachte op dit wapen is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande voldoende dat het verdachte is geweest die door aangever als de verkoper is aangeduid en dat het verdachte is geweest die een wapen heeft gehanteerd. Verdachte was samen met een mededader, heeft met hem overlegd direct voorafgaande aan de afdreiging en beide daders hebben geworsteld met aangever. Daarmee is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van feit 3 Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 9 juli 2021 rond 04:00 uur over de Willemsweg in Nijmegen liep toen plotseling zijn telefoon (merk [merk] met grijs hoesje) uit zijn handen werd gegrist door een man. De man zei gelijk: “ik wil geld hebben”, waarbij hij een zwart klein handvuurwapen op aangever richtte, ter hoogte van zijn buik. Aangever gaf de man € 10,00. De man zei dat € 10,00 niet genoeg was en dat aangever moest gaan pinnen. Ze liepen vervolgens richting het tankstation aan de St. Annastraat. Toen ze bij een zijstraatje kwamen, stapte de man in een auto aan de bijrijderskant. Aangever moest ook instappen, maar dat deed hij niet. Aangever is naar het tankstation gelopen, terwijl de auto naast hem bleef rijden en terwijl de man hem bleef bedreigen. De man is samen met aangever bij het tankstation naar binnen gegaan. De man zei: “nu pinnen”. Vervolgens heeft aangever om 04:25 uur voor in totaal € 100,00 gepind. Het gepinde heeft de man direct aangepakt. De man stapte in de auto en reed weg. De telefoon heeft aangever niet terug gekregen. Op de camerabeelden van het tankstation is te zien dat twee mannen het tankstation binnen komen. Man 1 (de grootste man) pint en de medewerker van het tankstation legt een bon en geld in een lade. Man 2 (onder andere met een baardje) pakt direct met zijn rechterhand het stapeltje papieren uit de lade. Op afbeeldingen van deze camerabeelden herkende een verbalisant de man met een baard als verdachte. Verdachte heeft bekend dat hij aanwezig was in het tankstation terwijl aangever pinde en dat hij het gepinde geld heeft meegenomen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangever. Hij heeft gedetailleerd en consequent verklaard. Daarbij worden zijn verklaringen ondersteund door de camerabeelden. De omstandigheid dat verdachte zich het door aangever gepinde direct heeft toe-geëindigd bevestigt de verklaring van aangever dat hij niet vrijwillig geld pinde. Dat verdachte met de telefoon van aangever in een auto (met de telefoon van aangever) is weggereden, wordt bevestigd door het volgende. De telefoon van aangever straalde om 04:29:35 aan bij de mast aan het Stationsplein in Nijmegen. De pintransactie was om 04:25:17. Een logische looproute van het tankstation naar de zendmast aan het Stationsplein duurt circa 21 minuten. De telefoon moet dan ook in een auto zijn vervoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij slechts bij het pinnen aanwezig was, dat hij daar de opdracht toe kreeg van [medeverdachte] , die in de auto zat, en dat hij en [medeverdachte] samen in de auto zijn weggereden. Deze verklaringen zijn echter ongeloofwaardig, omdat [medeverdachte] vanaf 21 mei 2021 gedetineerd heeft gezeten in de PI in Veenhuizen en op 9 juli 2021 pas na 09:00 uur de PI heeft verlaten. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, subsidiair, en onder de feiten 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: N.N. op of omstreeks 22 juli 2021 in de gemeente Nijmegen, in een supermarkt genaamd [naam] , gevestigd aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade inhoudende een onbekend geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de supermarkt [naam] , in elk geval aan die [naam] en/of een derde toebehoorde(n), door - voorzien van een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of gekleed in onder meer een hoodie en/of met een doek voor de mond, in ieder geval gezichtsbedekkende kleding, naar die supermarkt te gaan en/of - dat vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten en/of gericht te houden op die [slachtoffer 1] en/of - tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend te zeggen: "kassa, lade, open, niet bellen, kassa, kassa.", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - dat vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op die [slachtoffer 2] en/of tegen die [slachtoffer 2] dreigend te zeggen: "I shoot you mother fucker.", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 juli 2021 in de gemeente Nijmegen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door - in de nabijheid van die supermarkt op de uitkijk te staan en/of - die N.N. te helpen met vluchten en/of - het verlenen van overige hand- en spandiensten; 2. hij op of omstreeks 11 juli 2021 in de gemeente Nijmegen, op de Industrieweg en/of Vlietstraat, in ieder geval op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van 200 Euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] , in elk geval aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(
- n)door - een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten en/of gericht te houden op de borst en/of buik, in ieder geval op het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of - tegen die [slachtoffer 3] dreigend en/of dwingend te zeggen dat hij het geld moest geven, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - met die [slachtoffer 3] kortstondig te vechten (waardoor verdachte en zijn mededader konden ontkomen); 3. hij op of omstreeks 9 juli 2021, in de gemeente Nijmegen, op de Willemsweg en/of St. Annastraat, in ieder geval op de openbare weg, omstreeks 04.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, een mobiele telefoon, merk [merk] met bijbehorend hoesje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en hij op of omstreeks 9 juli 2021, in de gemeente Nijmegen, op de Willemsweg, in ieder geval op de openbare weg, omstreeks 04.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van 10 Euro en/of 100 Euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 4] , in elk geval aan die [slachtoffer 4] en/of een derde toebehoorde(n), welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - de mobiele telefoon met kracht uit de hand(
- en)van die [slachtoffer 4] te grissen en/of - tegen die [slachtoffer 4] dreigend te zeggen: "ik wil geld hebben.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten en/of gericht te houden op de buik, in ieder geval op het lichaam van die [slachtoffer 4] en/of - tegen die [slachtoffer 4] dreigend en/of dwingend te zeggen dat 10 Euro niet genoeg was en dat hij moest gaan pinnen, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [slachtoffer 4] te dwingen naar een nabij gelegen tankstation te lopen, waarbij verdachte en zijn mededader in een auto achter die [slachtoffer 4] aanreden en/of die [slachtoffer 4] vervolgens te dwingen 100 Euro te pinnen door onder meer dreigend tegen die [slachtoffer 4] te zeggen: 'nu pinnen', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan afpersing feit 2: medeplegen van afpersing feit 3: diefstal, terwijl het feit vergezeld en gevolgd werd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om hetzij bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en terwijl het feit is gepleegd gedurende voor de nachtrust bestemde tijd op de openbare weg en afpersing. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor dergelijke zwaardere feiten. Hij heeft diploma’s behaald in de PI en heeft goede voornemens voor zijn periode nadat hij vrij zal komen. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de vreemdelingrechtelijke procedures waarin verdachte is verwikkeld. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie zware strafbare feiten. Deze feiten hebben in korte tijd plaatsgevonden. Bij alle feiten zijn slachtoffers met vuurwapens bedreigd en is getracht hen onder controle te brengen en hen te dwingen geld af te geven. Een van de slachtoffers is zelfs dusdanig bedreigd geweest dat hij een aanzienlijke afstand te voet heeft afgelegd om vervolgens te worden gedwongen te pinnen. Dit terwijl verdachte hem vanuit een auto onder controle had. Dit zijn zeer ernstige feiten die een grote impact op de slachtoffers en hun dierbaren moet hebben gehad. Het is stuitend met welk gemak verdachte een vuurwapen heeft gehanteerd en slachtoffers heeft gemaakt (feiten 2 en 3), danwel met welk gemakt hij behulpzaam is geweest aan een ander die een wapen hanteerde en hiermee slachtoffers maakte (feit 1). Kennelijk steeds om in zijn eigen drugsverslaving te voorzien. Het is verdachtes keuze geweest om, in plaats van hulp te zoeken, deze feiten te plegen. De rechtbank ziet daarom ook geen reden de consequenties van deze veroordeling voor zijn vreemdelingenrechtelijke status in strafverminderende zin mee te wegen. Het is juist dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld. Hij is echter wel voor vermogensdelicten veroordeeld. Met de huidige veroordeling erbij vormt zich een patroon van feiten die in ernst oplopen. Dit baart de rechtbank grote zorgen. Verdachte heeft tegenover de reclassering iedere betrokkenheid bij de feiten ontkend. De reclassering kon daarom geen advies over eventuele bijzondere voorwaarden formuleren om mogelijke recidive tegen te gaan. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank alleen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aan de orde zijn. Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden, zelfs gelet op de gedeeltelijke vrijspraak. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 150,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor het deel van de vordering waar sprake zou zijn van subrogatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Overweging van de rechtbank Uit de toelichting op de vordering blijkt dat verdachte de gevorderde € 100,00 aan schade van de Rabobank (uit coulance) vergoed heeft gekregen. Daarmee heeft deze benadeelde partij geen schade (meer) tot dat bedrag. De vordering dient voor dat deel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor het overige is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Toegewezen zal worden een bedrag van € 50,00 aan materiële schade. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden doordat hij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, in zijn persoon is aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op het gevorderde bedrag vaststellen. Ook zal zij wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 48, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren; veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 50,00 aan materiële schade en € 2.000 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 2.050,00 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. M.W.R. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 maart 2022. Mrs. Leemreize en Aalders zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal met zaaksregistratienummer 2021570131, proces-verbaalnummer 292, gesloten op 22 december 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 1] , p. 67 en 68. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 44 en 45. Proces-verbaal beeldverslag, p. 91 t/m 93. Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 15 februari 2022. Eigen waarneming van de rechtbank Eigen waarneming van de rechtbank Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 73. Proces-verbaal beeldverslag, p. 92. Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 15 februari 2022. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 419 t/m 421. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 424 en 425, 427. Proces-verbaal van bevindingen, p. 462. Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 15 februari 2022. Proces-verbaal van bevindingen, p. 538. Een NFI-rapport, p. 486 en 487. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , p. 717 en 718. Proces-verbaal van bevindingen, p. 731 en 733. Proces-verbaal van bevindingen, p. 739. Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 15 februari 2022. Proces-verbaal als bijlage bij het eerste aanvullend proces-verbaal, doorgenummerd als p. 991 en 992. Proces-verbaal van bevindingen, p. 835.