RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummer: AWB 19/6199 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaak tussen [naam eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat. Procesverloop Verweerder heeft eiser bij beschikking van 30 november 2018 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 62.583. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2019 de beschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 30 oktober 2019, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft bij brief van 4 november 2021, ontvangen door de rechtbank op 5 november 2021, gereageerd op het verweerschrift. Bij deze reactie zijn een aantal bijlagen gevoegd. Verweerder heeft op 11 november 2021, op verzoek van de rechtbank, nadere stukken ingediend. Partijen hebben over en weer van elkaars nadere stukken kennisgenomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2021. Eiser is verschenen met de gemachtigde en [persoon A] . Namens verweerder zijn verschenen [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] . Ter zitting hebben beide partijen een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota’s worden tot de gedingstukken gerekend. Het beroep is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met het beroep van [naam persoon E] ( [persoon E] ). Het beroep van [persoon E] is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 19/6279. In die zaak zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan. Overwegingen Feiten 1. Eiser en [naam persoon E] ( [persoon E] ) zijn beiden 50%-aandeelhouder van [naam Holding] (de Holding). De Holding is op haar beurt enig aandeelhouder van [naam B.V.] (de B.V.). 2. De ondernemingsactiviteiten van de B.V. bestaan in ICT-consultancy. [persoon E] doet de acquisitie en verzorgt de administratie, daarbij wordt hij ondersteund door de boekhouder. Eiser is de IT-specialist, die veelal het inhoudelijke werk uitvoert. In de periode 2010 tot 2013 exploiteerde de B.V. ook een computerwinkel in [plaatsnaam] (onder de naam [naam bedrijf] ). [persoon E] heeft de aangiften Omzetbelasting (OB) namens de B.V. ingediend. 3. In 2016 heeft de Belastingdienst bij de B.V. een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften OB over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Van het boekenonderzoek is, met dagtekening 27 juli 2016, een rapport opgemaakt (het Rapport). In het Rapport staat, onder meer, dat de aangiften OB over de genoemde tijdvakken niet aansluiten bij de gevoerde administratie en dat er ten onrechte geen suppletieaangiften zijn gedaan door de B.V. Over de tijdvakken 2010 tot en met 2015 gaat het in totaal om een BTW-correctie van € 38.950. 4. Met betrekking tot de boete staat in het Rapport het volgende: “5.1. Boete omzetbelasting Boete artikel 67f AWR: (…) Motivering boete: Bij het onderzoek is gebleken dat in de jaren 2011 tot en met 2015 stelselmatig onjuiste periodieke aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Er is te weinig omzetbelasting betaald. Het is niet aannemelijk dat deze gedragingen niet meer zijn dan een vergissing of ernstige nalatigheid. Er is sprake van een bewust handelen. De belastingplichtige moet zich bewust zijn geweest dat haar handelen tot gevolg zou hebben dat er te weinig omzetbelasting werd betaald. Het is daarom aan belastingplichtige zijn opzet te wijten dat er te weinig omzetbelasting is betaald. Boete artikel 10a AWR (…) Motivering boete art. 10a AWR: Ingaande 2012 is art 10a opgenomen in de AWR. In dat artikel is de verplichting opgenomen om zodra men kennis neemt van onjuistheden of onvolledigheden in de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens, de inspecteur daarvan in kennis te stellen. Bij het opmaken van de jaarrekeningen over 2011 tot en met 2015 bleek uit de herrekening omzetbelasting dat er aanvullende afdrachten nodig waren. Toch is daarvan geen aangifte gedaan. De schuld werd gepassiveerd op de balansen. Het is niet aannemelijk dat het belastingplichtige is ontgaan dat er nog substantiële bedragen afgedragen dienden te worden. De adviseur geeft ook aan dat de belastingplichtige is meegedeeld dat er aanvullende afdrachten noodzakelijk waren. Toch zijn de suppleties blijven liggen: de belastingplichtige onderneemt niet de in eerder genoemd wetsartikel vereiste actie. De belastingplichtige heeft willens en wetens de reële kans aanvaard dat er te weinig omzetbelasting zou worden betaald. Er is sprake van (voorwaardelijke) opzet. De grondslag voor de boete is het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de eerder genoemde verplichting niet of niet tijdig is geheven. Matiging: De boete wordt gematigd tot eenmaal 50% vanwege het feit dat de twee boetes gecumuleerd leiden tot een absolute boete die niet in verhouding staat tot de gedraging.” 5. In navolging van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn over de tijdvakken 2011, 2012, 2013 en 2015 de volgende (naheffings-)aanslagen OB, boetes en beschikkingen belastingrente, aan de B.V. opgelegd: Tijdvak Dagtekening aanslag Bedrag inclusief boete en belasting-rente Boete Belastingrente Vervaldag van de aanslag € € € 2011 26-11-2016 3.626 639 430 10-12-2016 2012 26-11-2016 11.482 2.057 1.195 10-12-2016 2012 10-02-2017 2.057 - - 24-02-2017 2013 26-11-2016 22.687 4.154 1.915 10-12-2016 2013 10-02-2017 4.154 4.154 - 24-02-2017 2015 26-11-2016 12.141 2.357 356 10-12-2016 2015 10-02-2017 2.282 2.282 - 24-02-2017 Totaal 58.429 15.643 3.896 6. Bij brief van 7 december 2016 heeft de B.V., bij monde van [persoon E] , een verzoek tot uitstel van betaling ingediend bij de Belastingdienst, kantoor Zwolle. Daarin is voorgesteld de met dagtekening 26 november 2016 opgelegde naheffingsaanslagen OB in 12 maandelijkse termijnen te betalen. Dit verzoek is afgewezen. 7. Bij brief van 7 mei 2017 heeft [persoon E] namens de B.V. een voorstel gedaan ter finale kwijting. Voorgesteld is een bedrag van € 5.849 te betalen. Dit voorstel is afgewezen (de beschikking afwijzing kwijtschelding). 8. De B.V. heeft de belastingschulden, alsmede de vervolgingskosten van € 4.132, niet voldaan. Hierdoor is de B.V. in gebreke gebleven. 9. Op 21 juli 2017 heeft verweerder aan eiser (en [persoon E] ) een kennisgeving voornemen aansprakelijkstelling (het voornemen aansprakelijkstelling) gestuurd. Daarbij is een concept beschikking aansprakelijkstelling en een aanslagen overzicht gevoegd. Het aanslagen overzicht ziet op de tijdvakken 2011 tot en met 2015. 10. Op 26 juli 2017 heeft de gemachtigde een zienswijze ingediend tegen het voornemen aansprakelijkstelling (de zienswijze). 11. Op 24 augustus 2017 heeft [persoon E] namens de B.V. schriftelijk gereageerd op de beschikking afwijzing kwijtschelding. 12. Met dagtekening 26 oktober 2017 is voor het tijdvak 2016 aan de B.V een aanslag OB opgelegd van € 2.680. Van dit bedrag is € 2.455 door de B.V. tijdig voldaan. Het restant van € 225 is niet voldaan. 13. Op 6 november 2018 heeft de gemachtigde een nadere toelichting en motivering op het kwijtscheldingsverzoek ingediend bij verweerder. Hierin is aangegeven dat de bestuurders hebben besloten dat de B.V. zal worden geliquideerd bij gebrek aan baten en opdrachten en dat wordt gevraagd om een overleg aangaande het verzoek om kwijtschelding. Ook wordt nogmaals een aanbod tegen finale kwijting gedaan. Hierop is wederom afwijzend gereageerd. 14. Bij beschikking van 30 november 2018 is eiser als bestuurder van de B.V. aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven OB, daaronder begrepen rente, boetes en invorderingskosten, over de jaren 2011 tot en met 2016, voor een bedrag van € 62.583. Dit bedrag is onderbouwd aan de hand van het bij de beschikking gevoegde aanslagen overzicht, welk overzicht ziet op de tijdvakken 2011 tot en met 2016. 15. Bij brief van 3 december 2018 (ontvangen door verweerder op 13 december 2018) heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de beschikking aansprakelijkstelling. 16. Op 14 juni 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Eiser, [persoon E] en de gemachtigde waren daarbij aanwezig. Op 5 juli 2019 is het verslag van het hoorgesprek aan de gemachtigde toegezonden. De gemachtigde heeft schriftelijk op het verslag gereageerd. 17. Bij brief van 27 juni 2019 heeft de gemachtigde nogmaals een betalingsvoorstel tegen finale kwijting aan verweerder gedaan. Deze brief heeft verweerder pas na het verzenden van het hoorverslag bereikt. Op 22 juli 2019 heeft verweerder ook dit laatste betalingsvoorstel afgewezen. 18. Op 20 september 2019 is uitspraak op bezwaar gedaan. Geschil 19. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (IW) terecht als bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven belastingschulden, inclusief de belastingrente, de boeten en de vervolgingskosten, van de B.V. Eiser beantwoordt die vraag ontkennend. Verweerder is de tegenovergestelde mening toegedaan. 20. Niet in geschil is dat eiser in het tijdvak waarop de naheffingsaanslagen OB zien bestuurder was van de B.V. Beoordeling van het geschil Omzetbelasting 21. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Wet OB) moet de in een tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting op aangifte worden voldaan. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) moet de belasting op aangifte binnen één maand na afloop van het tijdvak worden voldaan. 22. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968 is een belastingplichtige, zodra hij constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald, gehouden alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. De suppletie moet gedaan worden zo spoedig mogelijk op de door de inspecteur aangegeven wijze (derde lid). Het niet of niet tijdig doen van de suppletie, bedoeld in het eerste lid, en het niet doen van de suppletie op de op grond van het derde lid aangegeven wijze worden aangemerkt als een overtreding. Bestuurdersaansprakelijkheid 23. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de IW is iedere bestuurder van een lichaam hoofdelijk aansprakelijk voor onder meer de omzetbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam zoals de B.V. Een lichaam is verplicht om onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van de omzetbelasting in staat is, daarvan mededeling te doen aan de ontvanger (tweede lid). Indien aan deze verplichting is voldaan, is de bestuurder slechts aansprakelijk voor de belastingschuld indien aannemelijk is dat het niet kunnen betalen van de verschuldigde belasting het gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur voor een periode van drie jaar voorafgaand aan de melding (derde lid). De bewijslast ter zake rust op de ontvanger. 24. Indien niet aan de meldingsplicht is voldaan, dan geldt voor de bestuurder een periode van drie jaar voorafgaand aan het moment waarop gemeld had moeten zijn, een vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder wordt alleen tot weerlegging van dat vermoeden toegelaten als hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat niet tijdig is gemeld (vierde lid). De bewijslast rust dan op de bestuurder. 25. Ingevolge artikel 32 van de IW strekken de bepalingen van hoofdstuk VI van de IW, waaronder artikel 36 van de IW valt, zich mede uit tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting (inclusief boete en belastingrente) waarvoor de aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten. 26. In artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de meldingsverplichting. De melding betalingsonmacht moet worden gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan (eerste lid). In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag (tweede lid). Bij de melding wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald (derde lid). 27. In het kader van de bewijslastverdeling en het wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur, dient te worden vastgesteld vanaf wanneer de ontvanger op de hoogte was van de betalingsonmacht. De ontvanger kan via een melding betalingsonmacht (of langs andere weg) op de hoogte komen van betalingsonmacht. Inhoudelijke beoordeling van het geschil 28. De rechtbank stelt voorop dat het bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard. In de uitspraak op bezwaar staat namelijk dat de aanslag OB 2016 van 26 oktober 2017 (zie hiervóór onder 12.) niet voortvloeit uit het controlerapport van 27 juli 2016 en dat deze aanslag, groot € 225, daarom buiten de aansprakelijkstelling dient te blijven. In de uitspraak wordt het bezwaar evenwel afgewezen. Gelet hierop dient het beroep (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.