vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Nijmegen zaakgegevens 8645358 \ CV EXPL 20-2325 \ 676 \ 40141 uitspraak van 25 februari 2022 vonnis in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] eisende partij gemachtigde mr. R.K.A. Kop tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd. 25 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 juli 2020; - de akte houdende het verstrekken van inlichtingen zoals door de kantonrechter bevolen met producties. 2De feiten 2.
- [eiseres] is actief in de branche financiële holdings, beheren en beleggen. Op 21 december 2018 heeft [eiseres] met [gedaagde] een geldleningsovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst werd aan [gedaagde] op 1 januari 2019 een lening verstrekt van € 15.000,- tegen een rente van 5% per jaar. Aflossing zou in 1 termijn plaatsvinden uiterlijk op 31 december
- 2.
- Op 12 juni 2020 heeft de gemachtigde van [eiseres] per brief [gedaagde] ingebreke gesteld en verzocht tot betaling van een bedrag van € 16.086,
- 3De vordering en het verweer 3.
- [eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] een bedrag van € 15.000,- te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% en een bedrag van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
- Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten. [gedaagde] komt zijn verplichtingen op grond van die overeenkomst (terugbetaling van de lening met rente) ondanks aanmaningen en herinneringen niet na en daarom wordt nu in rechte nakoming gevorderd. 3.
- [gedaagde] is niet verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd. 4De beoordeling 4.
- Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [gedaagde] verstek verleend 4.
- Zoals in het tussenvonnis is overwogen moet de rechter, als sprake is van een geschil waarbij een consument partij is, de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht toepassen. De stelling van [eiseres] dat er voor de kantonrechter geen aanleiding bestaat het Europese consumentenrecht toe te passen omdat [eiseres] geen kredietverstrekker was en is en/of omdat er geen sprake is van een kredietovereenkomst, maar van een geldleningsovereenkomst gaat niet op. [eiseres] is actief in de branche financiële holdings, beheren en beleggen, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [eiseres] geen kredietgever is (art. 7:57 BW). Daarnaast geldt dat een geldleningsovereenkomst een bijzondere vorm van een kredietovereenkomst is (art. 7:129 BW). 4.
- Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding en de akte van [eiseres] is de vordering getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. [eiseres] heeft in het informatieformulier dat bij tussenvonnis aan haar is verstrekt, bij de vragen 15 en 16 “nee” ingevuld. Dat betekent dat [eiseres] stelt dat zij bij het aangaan van de kredietovereenkomst niet aan de (pre)contractuele (informatie)verplichtingen heeft voldaan en ook de kredietwaardigheidstoets niet heeft uitgevoerd. [eiseres] heeft ook geen Europese Standaardinformatie Inzake Consumentenkrediet (ESIC formulier) of bewijsstukken met betrekking tot de kredietwaardigheidstoets overgelegd. Nu art. 7:59, 7:60, 7:61 BW en art. 4:34 Wft niet zijn nageleefd, is niet voldaan aan een regel van openbare orde. Nationale consument-beschermende bepalingen die voortvloeien uit (een omzetting van) Europese richtlijnen moeten namelijk gelijkgesteld worden aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. De kantonrechter vernietigt daarom ambtshalve de kredietovereenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW. Het voorgaande heeft tot gevolg dat geen vordering kan worden gegrond op de kredietovereenkomst en dat de vordering van [eiseres] tot nakoming niet toewijsbaar is. 4.
- Door de terugwerkende kracht van de vernietiging (art. 3:53 BW) is sprake van een situatie waarin het geldbedrag dat [eiseres] aan [gedaagde] beschikbaar heeft gesteld (de kredietsom) zonder rechtsgrond is verstrekt. Daarom moet [gedaagde] de kredietsom terugbetalen op grond van art. 6:203 BW (onverschuldigde betaling). Verder geldt dat [gedaagde] geen rente en (buitengerechtelijke) kosten op grond van de (nietige) overeenkomst verschuldigd is (geworden). 4.
- Gelet op het vorenstaande en het gestelde in de dagvaarding resteert een bedrag van € 15.000,- dat door [gedaagde] moet worden terugbetaald. Hij zal worden veroordeeld tot deze betaling. Toewijzing van wettelijke rente is onder deze omstandigheden niet aan de orde, omdat daarvoor geen grondslag is gesteld of gebleken. 4.
- Gelet op de uitkomst van deze procedure wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag van € 15.000,- te betalen; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiseres] vastgesteld op € 85,09 aan dagvaardingskosten, € 996,- aan griffierecht en € 373,- aan salaris voor de gemachtigde; 5.
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022.