vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/390717 / HZ ZA 21-254 Vonnis van 6 april 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiseres, advocaat mr. J.F.M. Hanus te Groningen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. M.J. Germs te Nijmegen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 november 2021 - de op 4 januari 2022 namens [gedaagde] overgelegde producties 3 en 4 - de op 6 januari 2022 namens [eiser] ingediende producties 13 en 14 - het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 12 januari 2022. Ter zitting is namens [eiser] overgelegd een bericht van [berichtgever] van 30 december 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. 2.2. Voor en tijdens het huwelijk heeft [gedaagde] pensioenrechten opgebouwd bij Stichting Shell Pensioenfonds. 2.3. Bij beschikking van 21 april 1994 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 18 juli 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Goedereede. 2.4. De pensioenrechten van [gedaagde] (dan nog aanspraken), opgebouwd bij Stichting Shell Pensioenfonds, zijn bij de echtscheiding niet in de verdeling van de gemeenschap betrokken. 2.5. Bij brief van 27 september 1995 heeft Stichting Shell Pensioenfonds aan [gedaagde] , voor zover hier van belang, laten weten: “(…) Naar aanleiding van het verzoek van [eiser] delen wij u het volgende mede. Op 18 juli 1994, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheiding in de Burgerlijke Stand, maakte u aanspraak op een uitgesteld pensioen van ƒ 22.343,76 per jaar, ingaande op 1 januari 2017. De hieraan verbonden contante waarde bedraagt ƒ 110.804,--. Het aan bovengenoemd pensioen verbonden weduwenpensioen bedraagt ƒ 15.640,56 per jaar; de contante waarde ƒ 37.188,--. (…)” 2.6. Bij brief van 7 februari 1997 heeft de voormalig advocaat van [eiser] aan de voormalig advocaat van [gedaagde] , onder meer, het volgende laten weten: “(…) Nog te verdelen zijn: (…) - ouderdomspensioen man: ik begrijp dat de man wil afkopen, de opstelling wordt dan aldus: - contante waarde ƒ 110.804,-- - weduwenpensioen ƒ 37.188,-- (…) -------------- f 147.992 : 2 = f 73.996,-- f 37.188,-- ------------- afkoopsom f 36.808,-- (…) Hierboven is de afkoopsom berekend waarbij wel de contante waarde van het weduwenpensioen is afgetrokken. Het kan gezien de jurisprudentie echter niet vaststaan dat uw client onder alle omstandigheden kan eisen dat voor het berekenen van de afkoopsom deze aftrek moet worden toegepast. (…) In het kader van een schikking is zij echter bereid genoegen te nemen met de hierboven berekende afkoopsom van f 36.600,--, mits deze dan ook op korte termijn betaalbaar wordt gesteld. (…)” 2.7. Vanaf 1 januari 2017 ontvangt [gedaagde] pensioen. 2.8. Bij brief van 30 september 2020 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] , onder meer, laten weten dat [eiser] recht heeft op een deel van het pensioen dat [gedaagde] ontvangt. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] verzocht om ervoor te zorgen dat de pensioenuitvoerders van [gedaagde] berekenen op welk deel van het pensioen [eiser] recht heeft. 2.9. Bij e-mail van 12 november 2020 heeft Achmea Pensioenservices N.V., namens Shell Pensioen, aan [eiser] , onder meer, laten weten dat de contante waarde van het ouderdomspensioen dat [eiser] zou moeten toekomen, € 290.444,89 bedraagt. Achmea Pensioenservices N.V. heeft daarbij benadrukt dat de waarde is gebaseerd op de actuariële factoren van 2020 en dat het voor het pensioenfonds ondoenlijk is om te rekenen met gegevens uit 1994. 2.10. Bij e-mail van 29 november 2020 heeft Achmea Pensioenservices N.V., namens Shell Pensioen, aan [eiser] over de berekening van de onder 2.9 genoemde contante waarde, voor zover hier van belang, laten weten: “(...) De aanspraken waarmee wij uw contante waarde hebben berekend is op basis van de gegevens van 2020 Het is voor het pensioenfonds ondoenlijk om te rekenen met gegevens uit 1994. Aan deze aanspraken kunnen géén rechten worden ontleend. De contante waarde o.b.v. het [arrest] is berekend met de volgende aanspraken. Verevend ouderdomspensioen zolang u beiden leeft € 11.218,61 bruto p.j. Verevend tijdelijk ouderdomspensioen tot 1-1-2024 € 4949,91 bruto p.j. (…)” 2.11. Bij brief van 15 april 2021 heeft Stichting Shell Pensioenfonds aan [eiser] een Uniform Pensioenoverzicht gestuurd. Hierin staat vermeld dat [eiser] bij overlijden van [gedaagde] € 11.048,02 bruto per jaar krijgt. 2.12. Bij brief van 28 juli 2021 heeft de heer [medewerker] , actuarieel rekenaar bij [Pensioen Consultancy] , de advocaat van [gedaagde] op diens verzoek een pensioenanalyse toegestuurd. De analyse is gebaseerd op het [arrest] van de Hoge Raad van 27 november 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4271) en neemt als uitgangspunt de bedragen in de brief van Stichting Shell Pensioenfonds van 27 september 1995. [Pensioen Consultancy] concludeert, onder meer, dat [eiser] recht heeft op een contante waarde van € 26.722,88. 3De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht zal verklaren dat [eiser] met ingang van 1 januari 2017 tot zolang beide partijen leven recht heeft op de helft van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk en daarvoor opgebouwde pensioen ter hoogte van een nog nader te bepalen bruto bedrag per maand inclusief 8% vakantietoeslag, alsmede een nog nader te bepalen bruto bedrag per maand tot 1 januari 2024, inclusief 8% vakantietoeslag, e.e.a. conform het onder punt 11 in de dagvaarding gestelde maandelijks aan haar over te maken; zal bepalen dat [gedaagde] het deel van het door hem opgebouwde pensioen waar [eiser] recht op heeft, vanaf 1 januari 2017, dan wel zoveel eerder of later dat [gedaagde] pensioen ontving, dan wel zoveel eerder of later als de rechtbank juist en redelijk acht, aan [eiser] over zal maken op een door [eiser] aan te geven bankrekening; [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten; [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, inbegrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [eiser] en de nakosten; [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de toe te kennen bedragen vanaf datum dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening. 3.2. [eiser] legt het volgende aan de vorderingen ten grondslag. Partijen zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest en [gedaagde] heeft voor en tijdens het huwelijk pensioenrechten opgebouwd. De voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zijn nooit in de verdeling betrokken. [eiser] vordert nu alsnog verrekening van de waarde van die pensioenrechten conform het [arrest] . 3.3. Voor wat betreft de gevorderde bedragen verwijst [eiser] naar de brief van Achmea Pensioenservices N.V. namens Stichting Shell Pensioenfonds van 29 november 2020 (zie 2.10). De daarin genoemde bedragen zijn € 11.218,61 bruto per jaar aan ouderdomspensioen zolang partijen beiden leven en € 4.949,91 bruto per jaar aan tijdelijk ouderdomspensioen tot 1 januari 2024. 4Het verweer 4.1. [gedaagde] concludeert dat de rechtbank [eiser] in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart althans haar deze ontzegt als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met compensatie van de proceskosten. 4.2. [gedaagde] legt het volgende aan het verweer ten grondslag. De waarde van de pensioenrechten moet worden verrekend conform het [arrest] . Uit de berekening van [Pensioen Consultancy] volgt dat [eiser] recht heeft op een contante waarde van € 26.027,80 (na indexering). Er bestaat geen recht op een maandelijkse uitkering. [eiser] heeft geen recht op de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskosten, aangezien [gedaagde] zich van meet af aan constructief heeft opgesteld. [eiser] heeft betaling van het haar toekomende bedrag (€ 26.027,80) geweigerd, zodat van verzuim en dus van verschuldigdheid van wettelijke rente geen sprake is. 5De beoordeling 5.1. Vooropgesteld wordt dat ter zitting namens [gedaagde] is gesteld dat de vordering onder 3.1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.