RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.100717.21 Datum uitspraak : 19 januari 2022 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] , ingeschreven aan het [adres 1] , op dit moment gedetineerd in de P.I. Vught, PPC in Vught. Raadsman: mr. C.W.J. de Bont, advocaat in Doetinchem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 13 april 2021, te Arnhem, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een stuk hout en/of karton, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een rooster en/of de gevel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het pand gelegen aan het [adres 2] en/of een of meerdere omliggende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte weliswaar erkent brand te hebben gesticht, maar dat als gevolg daarvan enkel een rooster is beschadigd. Van te duchten gemeen gevaar voor het pand aan het [adres 2] of gemeen gevaar voor andere goederen dan het rooster is geen sprake geweest en verdachte dient in zoverre dan ook vrijgesproken te worden. Beoordeling door de rechtbank Er is – behoudens het ten laste gelegde te duchten gemeen gevaar voor het pand gelegen aan het [adres 2] en/of omliggende panden, althans voor andere goederen dan het rooster – sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt ten aanzien van de opzettelijke brandstichting volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , nagekomen; - het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , gedateerd 13 april 2021, pag.
- - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 januari
- Ten aanzien van het gemeen gevaar voor goederen Als gevolg van de brand is schade ontstaan aan het pand aan het [adres 2] in Arnhem. Een kunststof rooster, dat zich in de gevel van het pand bevindt en daarmee onderdeel is van het pand, is door de hitte gesmolten en er is roetschade aan de gevel ontstaan. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat als gevolg van de brandstichting gemeen gevaar voor het pand te duchten was. Uit het dossier volgen geen concrete aanwijzingen dat gevaar te duchten was voor meer schade dan genoemd. De verklaring van getuige [getuige] , bevelvoerder van de brandweergroep die de brand heeft geblust, dat als de wind uit een andere richting was gekomen er wel een gevaarlijke situatie had kunnen ontstaan, maakt dit niet anders. Het gevaarzettende karakter van de brand was dan ook beperkt. Niettemin volgt uit het voorgaande dat bewezen kan worden dat als gevolg van de brandstichting gemeen gevaar voor het pand gelegen aan het [adres 2] te duchten was. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij, op of omstreeks 13 april 2021, te Arnhem, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een stuk hout en/of karton, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een rooster en/of de gevel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor het pand gelegen aan het [adres 2] en/of een of meerdere omliggende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat sprake was van een kleine buitenbrand in plaats van een containerbrand en dat geen gemeen gevaar voor het pand te duchten was. Dit maakt dat een andere categorie in de OM-richtlijn van toepassing is dan de categorie die de officier van justitie heeft gehanteerd. De richtlijn die aan de orde is, geeft aan dat een taakstraf passend is of een gevangenisstraf van twee tot drie maanden. Daarnaast dient te worden meegewogen dat verdachte het koud had en in een overlevingsmodus stond. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht om zich te verwarmen. Hierbij heeft hij schade toegebracht aan het pand aan het [adres 2] in Arnhem. De rechtbank acht dit een ernstig feit en rekent dit verdachte aan. Een brandstichting kan gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengen en veroorzaakt doorgaans ook (grote) financiële schade. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit feit de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank nog acht geslagen op het volgende. De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 11 november
- Verdachte is na 13 april 2021 twee keer veroordeeld voor winkeldiefstal tot (voorwaardelijke) gevangenisstraffen en er zijn na die datum aan hem twee boetes (in de vorm van strafbeschikkingen) opgelegd. Dit brengt mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Wat betreft het bewezenverklaarde feit is geen sprake van recidive. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek van 3 januari
- De psychiater heeft geconcludeerd dat ten tijde van het plegen van het strafbare feit geen sprake was van een delictgerelateerde stoornis bij verdachte. Het was een doelbewuste keuze van verdachte om een vuurtje te maken om het warm te krijgen. De psychiater heeft, nu geen stoornis is vastgesteld, geen interventieadvies kunnen geven of behandeling kunnen adviseren. Ten slotte heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 4 januari
- De reclassering heeft het recidiverisico ingeschat als hoog, omdat verdachte in relatief korte tijd diverse malen met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast lijkt verdachte geen ziektebesef/inzicht te hebben. De reclassering heeft op nagenoeg alle leefgebieden problemen geconstateerd. Toch heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Hoewel de rechtbank niets af wenst te doen aan de laakbaarheid van het gedrag van verdachte, neemt de rechtbank bij het bepalen van een passende straf uitdrukkelijk mee dat van een grotere gevaarzetting dan de opgetreden schade niet is gebleken, waardoor de rechtbank uitkomt op een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles overziende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden. Hierop komt in aftrek de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden; bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. M.W.R. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari
- Mr. Gielissen en mr. Van Damme zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021163092, gesloten op 14 april 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.