vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/390723 / HZ ZA 21-255 Vonnis van 26 januari 2022 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. J.H. Brouwer te Apeldoorn, tegen de stichting STICHTING GGNET, gevestigd te Zutphen, gedaagde, advocaat mr. M.L. Jinkes de Jong te Zoetermeer. Partijen zullen hierna [eisende partij] (of afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ) en GGNet worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 september 2021 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 25 november 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn de ouders van [zoon] , geboren op 8 januari 1993 (hierna: [zoon van eiser] ). 2.2. [zoon van eiser] leed aan autisme (Asperger) en ernstige depressie. Vanaf mei 2017 is [zoon van eiser] onder behandeling geweest bij GGNet, vestiging Apeldoorn. 2.3. Op 7 juli 2018 is [zoon van eiser] overleden als gevolg van een balanssuïcide. Na de suïcide van [zoon van eiser] heeft GGNet een interne onderzoeksprocedure gevolgd. GGNet heeft naar aanleiding van het onderzoek geen reden gezien te veronderstellen dat sprake is geweest van een calamiteit. Er is dan ook geen melding gedaan bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd en het intern onderzoeksverslag is gearchiveerd. 2.4. Bij e-mail van 5 april 2019 heeft [eisende partij] GGNet verzocht om toezending van een kopie van het medisch dossier van [zoon van eiser] . Bij brief van 7 mei 2019 heeft GGNet geantwoord dat aan het verzoek om informatie niet kon worden voldaan, kort gezegd omdat daarmee het beroepsgeheim zou worden doorbroken. 2.5. Nadien hebben (de toenmalige rechtsbijstandsverleners van) partijen veelvuldig gecorrespondeerd over het verzoek van [eisende partij] om inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] en de weigering van GGNet om aan dat verzoek gehoor te geven. GGNet is ook niet akkoord gegaan met het voorstel van [eisende partij] om het medisch dossier te laten toetsen door een onafhankelijke, deskundige derde. Onder meer de hierna genoemde brieven zijn gewisseld. 2.6. Bij brief van 11 november 2019 (productie 6 bij dagvaarding) heeft [eisende partij] GGNet aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van nalatig handelen. 2.7. Bij brief van 4 februari 2021 (productie 12 bij dagvaarding) heeft GGNet aan de advocaat van [eisende partij] onder meer geschreven: “(…)Ouders stellen dat de behandeling niet goed is verlopen, onder meer omdat psychiater [psychiater] de suïcidaliteit niet goed heeft ingeschat. De hiervoor geciteerde uitspraak van [psychiater] wordt hiermee uit zijn verband gehaald. De (mate van) suïcidaliteit bij patiënt was een doorlopend en integraal onderdeel van de behandeling. Echter, zoals ouders weten heeft patiënt ondanks het feit dat zijn suïcidale gedachten steeds met hem werd besproken, uiteindelijk voor iedereen verzwegen dat hij daadwerkelijk tot uitvoering van die gedachten over wilde gaan. Het idee dat de uitspraak van [psychiater] een aanwijzing is dat de behandeling (mogelijk) niet goed is verlopen, moeten wij dan ook verre van ons werpen. Het interne onderzoek dat standaard plaatsvindt na een suïcide heeft hier ook geen enkele aanwijzing voor gevonden. Het is ons ook volstrekt onduidelijk op grond waarvan ouders menen dat niet gehandeld is conform de multidisciplinaire richtlijn suïcide. Naar onze overtuiging is wel conform die richtlijn gehandeld en is de behandeling, ondanks de trieste afloop, lege artis verlopen. (…)” 3Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. GGNet veroordeelt om aan [eisende partij] inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van [zoon van eiser] te verstrekken, dan wel II. GGNet veroordeelt om inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van [zoon van eiser] te verstrekken op grondslag van het bepaalde in artikel 7:458b van het Burgerlijk Wetboek (BW); III. GGNet veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [eisende partij] legt aan zijn vordering primair artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW ten grondslag. Volgens [eisende partij] is sprake van bij leven door [zoon van eiser] gegeven toestemming voor inzage in het dossier in de zin van artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a, BW. Daarnaast stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat hij bij inzage een zwaarwegend belang heeft in de zin van artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW, omdat het vermoeden bestaat van een medische fout aan de zijde van GGNet. Subsidiair legt [eisende partij] aan zijn vordering artikel 7:458b lid 1 BW ten grondslag. Op grond van die bepaling kan, indien inzage in het medisch dossier vanwege een vermoeden van een medische fout wordt geweigerd aan degene die daarom verzoekt, inzage in het medisch dossier worden verstrekt aan een onafhankelijk arts. 3.3. GGNet voert verweer, dat er in de kern op neerkomt dat onvoldoende is gebleken dat het verzoek van [eisende partij] voldoet aan de vereisten van de artikelen 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW en 7:458b lid 1 BW. GGNet concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partij] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. 3.4. De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang. 4De beoordeling De kern van de zaak 4.1. Het geschil draait om de vraag of GGNet [eisende partij] inzage moet geven in het medisch dossier van [zoon van eiser] , die is overleden als gevolg van suïcide in de periode dat hij wegens psychische klachten onder behandeling was bij GGNet. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij komt kort gezegd tot de conclusie dat [eisende partij] recht heeft op inzage omdat hij daarbij een zwaarwegend belang heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] aannemelijk gemaakt dat dit belang door de weigering van GGNet om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW). Hieronder licht de rechtbank haar beslissing toe. Medisch beroepsgeheim (artikel 7:457 lid 1 BW) 4.2. Op grond van artikel 7:457 lid 1 BW mag een medisch hulpverlener geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt. Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt. Op de plicht tot geheimhouding zijn echter uitzonderingen mogelijk. 4.3. [eisende partij] doet een beroep op een aantal uitzonderingsbepalingen. Primair beroept hij zich op artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW en subsidiair op artikel 7:458b lid 1 BW. Deze bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2020. De periode waarin GGNet (voor het eerst) heeft geweigerd inzage te geven in het dossier van [zoon van eiser] , ligt vóór 1 januari 2020. Omdat [eisende partij] zijn vorderingen uitdrukkelijk op de genoemde bepalingen baseert en GGNet heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen analoge toepassing ervan, zal de rechtbank deze bepalingen tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling. Daarbij weegt mee dat doel van deze bepalingen onder meer is verduidelijking te geven aan nabestaanden over ‘veronderstelde toestemming’, omdat eenduidige jurisprudentie op dit punt ontbrak (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3). Toestemming door de patiënt (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW) 4.4. Artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW bepaalt dat – in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven. Die toestemming moet schriftelijk of elektronisch zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat in deze zaak geen sprake is van schriftelijk of elektronisch vastgelegde toestemming van [zoon van eiser] . 4.5. Volgens [eisende partij] is sprake van veronderstelde toestemming, in die zin dat kan worden verondersteld dat [zoon van eiser] bij leven toestemming zou hebben gegeven voor inzage door [eisende partij] in zijn medisch dossier. Deze doorbrekingsgrond van het medisch beroepsgeheim, die in de jurisprudentie is ontwikkeld, is echter in artikel 7:458a BW geen criterium meer waaraan wordt getoetst in geval een nabestaande vraagt om inzage in een dossier van een overleden patiënt. 4.6. Gezien het voorgaande biedt artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW geen grond voor inzage door [eisende partij] in het medisch dossier van [zoon van eiser] . De vordering is niet op die grond toewijsbaar. Zwaarwegend belang (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW) 4.7. Artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW bepaalt dat – eveneens in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Deze regel bestond volgens vaste rechtspraak al onder het vóór 1 januari 2020 geldende recht. 4.8. Voor een geslaagd beroep op deze doorbrekingsgrond moet volgens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3) aan twee cumulatieve criteria zijn voldaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.