← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2022:3586

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 8942708 \ CV EXPL 20-11920 \ 676 \ 40141 uitspraak van 6 juli 2022 vonnis in de zaak van de naamloze vennootschap de Volksbank N.V. gevestigd te Utrecht eisende partij gemachtigde Flanderijn Gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde] wonende te Arnhem gedaagde partij niet verschenen 1Het procesverloop De zaak is aanhangig gemaakt bij de aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende (kopie) dagvaarding met het hiervoor genoemde zaaknummer. De eisende partij heeft veroordeling gevorderd van de gedaagde partij overeenkomstig het gestelde in de dagvaarding. De gedaagde partij is niet verschenen. Daarna is vonnis bepaald. 2Beoordeling en beslissing Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen de gedaagde partij verstek verleend. Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding is de vordering getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. Er is sprake van een consumentenkrediet afgesloten na 25 mei 2011. Daarop zijn onder andere de artikelen 7:59 tot en met 7:61 BW en 4:34 Wft van toepassing. In het kader van de informatieverplichtingen heeft de eisende partij gesteld dat zij tijdens het aanvraagproces op de website aan de gedaagde partij de in art. 6 van de Richtlijn Consumentenkrediet bedoelde informatie heeft gegeven. Ook heeft de eisende partij verwezen naar het ESIC formulier dat gebruikt is. Geen van de gegevens (aanvraagproces op de website en ESIC formulier) is overgelegd. De overgelegde producties 7 en 8 zijn te algemeen; daaruit volgt niet het specifieke proces dat de gedaagde partij heeft doorlopen. De eisende partij heeft verder gesteld dat de betreffende gegevens, als ze niet bij de dagvaarding zijn gevoegd, niet meer beschikbaar zijn, zodat daarvan zal worden uitgegaan en de eisende partij niet in de gelegenheid zal worden gesteld alsnog de betreffende stukken in het geding te brengen. Nu de eisende partij niet onderbouwd heeft dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen, wordt ervan uitgegaan dat zij in zoverre haar verplichtingen heeft geschonden. Daarom zal de kantonrechter de kredietovereenkomst ambtshalve vernietigen op grond van art. 3:40 lid 2 BW. Vernietiging betekent dat de gedaagde partij het geleende geld moet terugbetalen (€ 1.000,00) en de eisende partij hetgeen [naam] betaald heeft aan hem moet teruggeven (€ 50,00). Er is dan geen grondslag voor in rekening gebrachte rente en kosten. Deze sancties acht de kantonrechter doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend. Gelet op het voorgaande wordt de primaire en subsidiaire vordering van de Volksbank afgewezen. De meer subsidiaire vordering (onverschuldigde betaling) komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen. De eisende partij heeft niet onderbouwd in hoeverre zij het bedrag van € 500,00 vordert op (één of meer van) de verschillende aangevoerde gronden. Van het gevorderde bedrag van € 500,00 wordt toegewezen een bedrag van € 500,00 aan hoofdsom. Gelet op de uitkomst van de procedure, zal de gedaagde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op: € 124,00 aan griffierecht; € 105,09 aan explootkosten; € 75,00 aan salaris gemachtigde. De kantonrechter verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.