vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/399866 / HA ZA 22-73 Vonnis van 20 juli 2022 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers in de hoofdzaak, verweerders in het vrijwaringsincident, eisers in het incident ex artikel 118 Rv, advocaat: mr. Th.C. Visser te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het vrijwaringsincident, verweerster in het incident ex artikel 118 Rv, advocaat: mr. T.J. van Veen te Ede Gld. Eisers zullen hierna afzonderlijk ‘[eiser 1]’ en ‘[eiser 2]’ en gezamenlijk ‘[eisers]’ worden genoemd en gedaagde zal ‘[gedaagde]’ worden genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van [eisers] van 3 februari 2022; - de conclusie van antwoord die strekt tot afwijzing van de vorderingen wegens het dagvaarden van de verkeerde partij inclusief de voorwaardelijke incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van 11 mei 2022; - de conclusie van antwoord in het incident inclusief de incidentele vordering ex artikel 118 Rv. van 25 mei 2022; - de antwoordakte in het incident ex artikel 118 Rv. van 15 juni
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser 2] en [eiser 1] vormden in het verleden samen Ontwikkelingscombinatie [naam bedrijf] (hierna: ‘[naam bedrijf]’). [naam bedrijf] heeft op 11 september 2009 een aannemingsovereenkomst gesloten met [naam bouwbedrijf] (hierna: ‘[naam bouwbedrijf]’), uit hoofde waarvan [naam bouwbedrijf] zich heeft verplicht om voor [naam bedrijf] een pand voor een autobedrijf te bouwen en een garage. 2.
- [naam bouwbedrijf] heeft als onderaannemer [naam onderaannemer] (hierna: ‘[naam onderaannemer]’) gecontracteerd om (een deel van) het autobedrijf en de garage te bouwen. 2.
- [naam bouwbedrijf] is op 13 juli 2020 in staat van faillissement verklaard. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.
- [eisers] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eisers] van:
- primair een schadevergoeding van € 110.400,00 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en subsidiair een schadevergoeding op te maken bij staat;
- de proceskosten. 3.
- [eisers] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht als onderaannemer van [naam bouwbedrijf] ten behoeve van het autobedrijf en de garage die in opdracht van [naam bedrijf] zijn gebouwd. [eisers] voert aan dat [gedaagde] in dat kader ondeugdelijk werk heeft uitgevoerd. 3.
- Bij wijze van verweer voert [gedaagde] aan dat [eisers] de verkeerde partij heeft gedagvaard en concludeert [gedaagde] tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in de hoofdzaak 4.
- [gedaagde] heeft in haar conclusie aangevoerd dat zij er uit proceseconomische overwegingen voor heeft gekozen om bij wijze van incident de rechtbank te vragen om zich uit te laten over haar verweer dat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen omdat de verkeerde partij is gedagvaard. 4.
- Hoewel [gedaagde] haar verweer heeft aangemerkt als incident, merkt de rechtbank het verweer in haar conclusie aan als verweer in de hoofdzaak. Door [gedaagde] wordt immers niet gesteld dat [eisers] niet kan worden ontvangen in haar vorderingen, maar wel dat die moeten worden afgewezen, omdat het bestaan van een onderaannemingsovereenkomst tussen [naam bouwbedrijf] en [gedaagde] gemotiveerd door [gedaagde] wordt betwist. In dat verband is door [gedaagde] ook de onderaannemingsovereenkomst overgelegd, waaruit blijkt dat [naam bouwbedrijf] heeft gecontracteerd met [naam onderaannemer] en niet met [gedaagde] . Een dergelijk verweer is geen incidenteel verweer, maar een conclusie van antwoord met een beperkte strekking, die door de rechtbank als zodanig zal worden behandeld. 4.
- Omdat het verweer van [gedaagde] tot één formeel punt beperkt is en – als het verweer slaagt – in beginsel direct leidt tot afwijzing van de vordering van [eisers] , ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van een mondelinge behandeling. Gelet op artikel 132 Rv krijgt [eisers] de gelegenheid om nog voor repliek te concluderen, waarna [gedaagde] nog voor dupliek mag concluderen. 5De beoordeling in het vrijwaringsincident 5.
- [gedaagde] heeft gevorderd dat haar wordt toegestaan om [naam adviesbureau] (hierna: ‘[naam adviesbureau]’) in vrijwaring op te roepen. De vordering tot oproeping in vrijwaring is voorwaardelijk gedaan, te weten voor het geval de rechtbank het verweer van [gedaagde] dat [eisers] de verkeerde partij heeft gedagvaard, zou verwerpen. [eisers] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 5.
- De rechtbank houdt de beslissing hierover aan tot partijen voor repliek en dupliek hebben kunnen concluderen. Als de vorderingen van [eisers] worden afgewezen, is niet voldaan aan de voorwaarde van de vordering tot vrijwaring en zal die niet worden behandeld. 6De beoordeling in het incident ex artikel 118 Rv 6.
- [eisers] heeft gevorderd dat haar wordt toegestaan om op grond van artikel 118 Rv [naam onderaannemer] in deze procedure op te roepen, om haar te laten deelnemen als medegedaagde. 6.
- [gedaagde] heeft aangevoerd dat [naam onderaannemer] niet als derde kan worden gezien en dat artikel 118 Rv niet bedoeld is om het dagvaarden van de verkeerde partij te herstellen. 6.
- Artikel 118 Rv is bedoeld voor zaken waarin meer dan twee partijen belangen hebben die alleen maar tezamen kunnen worden beslist of waarin sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarin alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen de gelegenheid moeten krijgen in het geding te worden betrokken. Dergelijke situaties doen zich in deze zaak niet voor. In deze zaak gaat het niet om een ondeelbare rechtsverhouding waarin een extra partij moet worden opgeroepen, maar om een rechtsverhouding waarin de juiste partij moet worden opgeroepen. [eisers] zal daarom niet in staat worden gesteld om [naam onderaannemer] in de procedure te betrekken door oproeping in de zin van artikel 118 Rv. 6.
- [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op nihil, omdat [gedaagde] geen werkzaamheden heeft verricht die afwijken van de werkzaamheden die zij heeft verricht in het kader van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. 7De beslissing De rechtbank in het vrijwaringsincident 7.
- houdt iedere beslissing aan, in het incident ex artikel 118 Rv 7.
- wijst de vordering af, 7.
- veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op nihil, in de hoofdzaak 7.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 augustus 2022 voor het nemen van een conclusie van repliek door [eisers] , 7.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. W van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2022.