vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/393151 / HA ZA 21-468 Vonnis van 27 juli 2022 in de zaak van de vennootschap naar Italiaans recht [eiser] , gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. W.Y. Hofstra te Hilversum, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. C.L.J.A. Spiertz te Nijmegen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 27 juli 2022 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 9 maart 2022 de conclusie van antwoord in reconventie de rolberichten van partijen van 23 maart 2022, waarin zij vonnis vragen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] was in 2021 doende in [vestigingsplaats] , Italië , een vakantiepark/resort met 10 villa’s te realiseren (hierna: het park). 2.2. Onderdeel van het park is een zwembad. Dit zwembad grenst aan een metersdiep ravijn. Door de overheid is aan opening van het park de voorwaarde gesteld dat het zwembad aan de kant van het ravijn omheind is. Op grond van EU-normen voor plaatsing van een dergelijke afscheiding (van glas) in publieke ruimtes moet het materiaal een hoogte hebben van (naar de rechtbank begrijpt: ten minste) 110 centimeter en een dikte van 15 millimeter. 2.3. [gedaagde] is onder meer leverancier van speciale glazen wanden en systemen die onder de naam Q-railing op de markt worden gebracht. 2.4. [eiser] , in de persoon van haar bestuurder [bestuurder eiser] (hierna: [bestuurder eiser] ), heeft op 8 juni 2021 contact opgenomen met [gedaagde] , in de persoon van haar bestuurder [bestuurder gedaagde] (hierna: [bestuurder gedaagde] ) met de vraag of het mogelijk zou zijn om in juni 2021 nog een glazen wand bij het zwembad van het park te plaatsen, dit in verband met de beoogde opening van het park op 18 juli 2021. [bestuurder eiser] en [bestuurder gedaagde] hebben telefonisch contact gehad over de te plaatsen wand. Ook bij alle verdere contacten tussen partijen in deze kwestie zijn zij vertegenwoordigd door [bestuurder eiser] en [bestuurder gedaagde] . 2.5. Op 9 juni 2021 heeft [gedaagde] aan [eiser] per e-mail een offerte gestuurd voor het leveren en plaatsen van de gewenste glazen wand. Deze offerte vermeldt de prijzen per te leveren onderdeel, alsmede een bedrag van € 10.800,00 excl. BTW voor montage, en komt uit op een totaalbedrag van € 43.579,90 inclusief BTW. Wat betreft het te leveren glas vermeldt de offerte 36 stuks “Q-glass” met een afmeting van “2500 x 1100mm”. In de begeleidende e-mail van [gedaagde] aan [eiser] staat onder meer het volgende: “Aangezien het aantal meters nog niet definitief is, heb ik een offerte gemaakt voor 90 Strekkende meter met een hoogte van 1100 mm.” 2.6. [gedaagde] heeft op 11 juni 2021 een opdrachtbevestiging gestuurd aan [eiser] voor de levering en montage van de glazen wand voor een bedrag van € 20.000,00 (BTW verlegd), te monteren op 23, 24 en eventueel nog 25 juni 2021. De opdrachtbevestiging vermeldt naast de totaalprijs ook de te leveren materialen (waaronder glas en bevestigingsprofielen), maar geen eenheidsprijzen en geen prijs voor de montage. Verder vermeldt de opdrachtbevestiging als betalingstermijnen 40% bij opdracht, 40% voor levering en 20% na montage. Wat betreft het te leveren glas staat in de opdrachtbevestiging achter afmeting “diverse”, en een aantal van 50 stuks. Onderaan de opdrachtbevestiging is met pen geschreven “maten conform email + app + foto’s”. [eiser] heeft deze opdrachtbevestiging ondertekend op 14 juni 2021 teruggestuurd. De opdrachtbevestiging met bovengenoemde handgeschreven toevoeging is ook ondertekend door [gedaagde] . 2.7. Op 12 juni heeft [eiser] aan [gedaagde] € 2.000,00 betaald, naar aanleiding van een factuur. Daarnaast heeft [eiser] rond die tijd ook € 3.000,00 betaald op de privérekening van [bestuurder gedaagde] . Laatstgenoemde betaling (die niet strekte in mindering op de in de opdrachtbevestiging genoemde prijs) waren partijen naar hun zeggen overeengekomen als tegenprestatie van [eiser] voor de door [gedaagde] verleende korting op het eerder geoffreerde bedrag. 2.8. Op 15 juni 2021 heeft [gedaagde] [eiser] bericht dat het glas standaard is maar dat de profielen dat niet zijn. Die profielen moeten om de 25 cm vastgemaakt worden. Partijen spreken af dat een plaatselijke aannemer een betonconstructie zal maken volgens de instructies en tekening van [gedaagde] . 2.9. Op 22 juni 2021 schrijft [gedaagde] aan [eiser] dat zij problemen voorziet met de plaatsing van de wand, omdat de fundering 100% waterpas moet zijn, hetgeen volgens [gedaagde] uitgaande van de door [eiser] gestuurde foto’s niet zo is. Zij adviseert [eiser] af te zien van het standaard glas en tegen betaling van een hoger bedrag te kiezen voor maatwerk. [eiser] heeft daarop gereageerd met de mededeling dat geleverd en gemonteerd moet worden zoals afgesproken. Zij heeft een plaatselijke aannemer werkzaamheden aan de constructie laten verrichten. 2.10. Op 24 juni 2021 heeft [gedaagde] [eiser] bericht dat zij de bestelling van het glas een paar dagen ‘on hold’ heeft gezet. [eiser] heeft hierop diezelfde dag nog gereageerd met een ingebrekestelling en gevorderd dat [gedaagde] voor 10 uur die dag bevestigt dat zij de wand op de overeengekomen dag zal plaatsen. Later op die dag heeft zij [gedaagde] meegedeeld dat de werkzaamheden uiterlijk 25 juni 2021 moeten zijn afgerond en dat [gedaagde] anders in verzuim komt. [eiser] schrijft dat zij bereid is tegen betaling van een schadevergoeding een andere datum voor levering en plaatsing overeen te komen. Zij heeft schade geleden doordat [bestuurder eiser] tevergeefs naar Italië is gevlogen om bij de plaatsing van de wand aanwezig te kunnen zijn. 2.11. Op 28 juni 2021 heeft [gedaagde] als compromis voorgesteld dat [eiser] 80% van de factuur van € 20.000,00 zal betalen. Een bedrag van € 1.000,00 zal op de factuur in mindering worden gebracht, omdat op een deel van de ondergrond (het schuine deel) geen glas geplaatst kan worden. Voorts zal [gedaagde] een bedrag van € 1.716,00 aan [bestuurder eiser] vergoeden voor de vliegtickets. [eiser] is met dit voorstel akkoord gegaan en aan haar is op 28 juni 2021 een bedrag van € 16.000,00 in rekening gebracht. Deze factuur heeft [eiser] diezelfde dag aan [gedaagde] voldaan. 2.12. In de ochtend van vrijdag 1 juli 2021 is [gedaagde] aangekomen in het vakantiepark in Italië en is zij begonnen met het lossen van het meegebrachte materiaal (glas en profielen) en het plaatsen van de wand. Aan het einde van de dag hebben haar medewerkers hun werkzaamheden gestaakt omdat het volgens hen niet mogelijk was de wand deugdelijk te plaatsen. De medewerkers van [gedaagde] zijn teruggegaan naar Nederland. Nadien werd nader overeengekomen dat [eiser] de daarop volgende week zou gebruiken om de ondergrond 100% waterpas te maken en dat [gedaagde] in die week zou nadenken over een andere oplossing. 2.13. Op 5 juli 2021 heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld dat haar werknemers op 13 juli weer zouden kunnen afreizen naar Italië om de wand verder te plaatsen. Zij verbindt daaraan de voorwaarde dat [eiser] een bedrag van € 3.570,00 extra zal betalen in verband met de reis- en verblijfskosten van haar medewerkers. Na enige correspondentie is [eiser] op 9 juli 2021 ermee akkoord gegaan dat zij nog een factuurbedrag van € 2.000,00 aan [gedaagde] zal betalen (hetgeen zij ook diezelfde dag heeft gedaan). Zij heeft daaraan in een e-mail van die datum de voorwaarde verbonden dat de overeengekomen onkostenvergoeding van € 1.716,00 aan [bestuurder eiser] wordt betaald zodra het bedrag van € 2.000,00 door [gedaagde] is ontvangen. Daarnaast is in de e-mailwisseling van 9 juli 2021 overeengekomen dat [eiser] nog een bedrag (over de hoogte waarvan partijen het in het kader van deze procedure niet eens zijn) zal betalen aan [gedaagde] door overmaking op de privérekening van [bestuurder gedaagde] in verband met de extra reis- en verblijfskosten aan de zijde van [gedaagde] . Op het verzoek van [eiser] om onmiddellijk na ontvangst van het bedrag van € 2.000,00 door [gedaagde] het bedrag van € 1.716,00 aan [bestuurder eiser] te betalen heeft [gedaagde] gereageerd met de mededeling dat laatstgenoemd bedrag kon worden verrekend met het nog door [eiser] op de rekening van [bestuurder gedaagde] te betalen bedrag. [eiser] is daarmee niet akkoord gegaan. 2.14. Bij (per e-mail verzonden) brief van 12 juli 2021 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en haar de mogelijkheid geboden alsnog na te komen door de montage uit te voeren en af te ronden uiterlijk op 16 juli 2021 en het bedrag van € 1.716,00 te betalen aan [bestuurder eiser] . [gedaagde] heeft in reactie daarop bij e-mail van dezelfde datum onder meer het volgende geschreven: “In elk geval weet je nu 100% zeker dat er niemand meer komt en heb jullie project nu van de planning gehaald.” 2.15. [eiser] heeft daarop bij e-mail van dezelfde datum onder meer geantwoord dat [gedaagde] de overeenkomst niet nakomt, in verzuim verkeert (omdat zij heeft meegedeeld helemaal niet meer te komen) en schadeplichtig is. Zij kondigt aan de werkzaamheden door een derde te zullen laten uitvoeren indien [gedaagde] niet voor 17.00 uur die dag bevestigt alsnog te zullen nakomen, en de kosten van die derde te zullen verhalen op [gedaagde] . 2.16. Op 14 juli 2021 is tussen partijen ten overstaan van de voorzieningenrechter van deze rechtbank een kort geding gevoerd, waarin [eiser] onder meer heeft gevorderd (primair) de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, (subsidiair) haar veroordeling tot nakoming van de overeenkomst, dan wel (meer subsidiair) haar veroordeling tot terugbetaling van de door [eiser] aan haar betaalde bedragen vermeerderd met de (meer)kosten van uitvoering van de werkzaamheden door een derde. De gevraagde voorzieningen zijn bij vonnis van diezelfde datum (onder latere aanvulling van de gronden) geweigerd en [eiser] is veroordeeld in de proceskosten. [bestuurder eiser] trad bij dit kort geding op als advocaat van [eiser] . 2.17. [gedaagde] is niet meer overgegaan tot montage van de glaswand op het park. De door haar geleverde materialen zijn door haar niet teruggenomen en zijn achtergebleven op het park. 3De vordering in conventie 3.1. [eiser] vordert (samengevat) dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan haar van bedragen van respectievelijk € 32.351,00 en € 17.725,52, vermeerderd met rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten inclusief de nakosten, vermeerderd met rente. 3.2. Zij legt aan haar vordering, zakelijk weergegeven en tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het volgende ten grondslag. De overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een zogenaamde gemengde overeenkomst, waarop het Weens Koopverdrag van toepassing is. Op grond van die overeenkomst mocht [eiser] zowel levering als plaatsing van de glaswand verwachten. Door niet de met [eiser] overeengekomen materialen te leveren en niet tijdig de glaswand te plaatsen is [gedaagde] toerekenbaar en wezenlijk tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst. [gedaagde] verkeert daarmee in verzuim, niet alleen omdat zij geen gehoor heeft gegeven aan de ingebrekestelling en omdat zij niet voor de uiterste datum 18 juli 2021 de wand heeft geplaatst, maar ook omdat zij op 12 juli 2021 expliciet heeft meegedeeld de overeenkomst niet te zullen nakomen. Als gevolg van die mededeling heeft [eiser] zich genoodzaakt gezien de glaswand door een derde (een Italiaans bedrijf) te laten leveren en plaatsen; zij heeft daarvoor aan die derde in totaal € 54.353,00 betaald. Nakoming door [gedaagde] is blijvend onmogelijk geworden. [eiser] heeft de verbintenis van [gedaagde] tot nakoming bij e-mail van 12 juli 2021 omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Op grond van het Weens Koopverdrag had zij gelet op de wezenlijke tekortkoming in de nakoming door [gedaagde] bovendien het recht de overeenkomst te ontbinden. De schade die [gedaagde] aan [eiser] dient te vergoeden bestaat uit het verschil tussen het door haar aan [gedaagde] betaalde bedrag van € 21.000,00 en het aan de uiteindelijk ingeschakelde derde betaalde bedrag van € 54.353,00, zijnde € 32.351,00. Daarnaast heeft [eiser] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] ook schade geleden bestaande uit de kosten die zij heeft gemaakt in verband met het tegen [gedaagde] gevoerde kort geding en in verband met de belangenbehartiging door [bestuurder eiser] . Die kosten bedragen in totaal € 17.725,52. 4Het verweer in conventie 4.1. [gedaagde] concludeert dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Dat het monteren van de glaswand in eerste instantie niet is gelukt is te wijten aan [eiser] , omdat de door haar ingeschakelde aannemer de ondergrond waarop gemonteerd moest worden niet goed had uitgevoerd. Partijen zijn daarom nader overeengekomen dat [eiser] in aanvulling op de eerder overeengekomen prijs van € 19.000,00 (zijnde het aanvankelijk overeengekomen bedrag minus een aftrek van € 1.000,00 in verband met vermindering van het aantal te leveren en monteren meters wand) nog een bedrag van € 3.570,00 zou betalen in verband met de extra kosten van die tweede montagepoging. Dat bedrag is nimmer door [gedaagde] ontvangen. Van de oorspronkelijke prijs was bovendien nog € 1.000,00 niet betaald. In verband met het nog te vorderen bedrag van in totaal € 4.570,00 en het feit dat [eiser] in betalingsonmacht verkeerde mocht [gedaagde] , die op zich kon en wilde nakomen, haar werkzaamheden opschorten. Van haar kon niet worden verlangd dat zij voor 4 dagen naar Italië zou reizen en werk zou verrichten zonder enige zekerheid dat zij daarvoor betaald zou worden. [eiser] had dat bedrag gewoon moeten betalen dan wel door storting op een derdengeldrekening de betaling moeten garanderen. [gedaagde] betwist dat de door haar geleverde materialen niet compleet waren en/of niet de juiste hoogte hebben. De kosten die [eiser] vordert als schadevergoeding in verband met de werkzaamheden van [bestuurder eiser] komen (overigens ook) niet voor vergoeding in aanmerking, omdat hij aanvankelijk als directeur/bestuurder/aandeelhouder van [eiser] bij de kwestie met de glazen wand betrokken is geweest en op enig moment een (tuchtrechtelijk verwijtbare) dubbelrol is gaan spelen door zich als advocaat van [eiser] te gaan bezighouden met hetzelfde onderwerp. [gedaagde] betwist dat [bestuurder eiser] in de hoedanigheid van advocaat opdracht had om tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor [eiser] naast zijn werk als bestuurder. Betwist wordt dat de kosten van het laten plaatsen van de glazen wand door de Italiaanse aannemer zo hoog zijn als door [eiser] gesteld. Ook wordt betwist dat de bedragen als genoemd in de door [eiser] overgelegde facturen door haar betaald zijn aan die aannemer. 5De vordering in reconventie 5.1. [gedaagde] vordert in reconventie dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, I. [eiser] zal veroordelen tot betaling van € 4.570,00 en II. [eiser] zal bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis aan [gedaagde] alle werktuigen ter beschikking te stellen op de bedrijfslocatie van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom, kosten rechtens. 5.2. [gedaagde] legt aan die vordering, in aanvulling op haar stellingen in conventie, het volgende ten grondslag. Van de overeengekomen prijs voor het leveren en monteren van de glaswand is in totaal € 4.570,00 nog onbetaald gebleven; dat is [eiser] dus nog aan [gedaagde] verschuldigd. Er bevinden zich nog gereedschappen van [gedaagde] bij [eiser] op het park, die [gedaagde] terug wil hebben. 6Het verweer in reconventie 6.1. [eiser] concludeert dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. Op haar verweren zal, voor zover relevant, hierna nader worden ingegaan. 7De beoordeling in conventie en in reconventie Rechtsmacht en toepasselijk recht 7.1. Deze zaak betreft een grensoverschrijdend geschil; partijen zijn immers in verschillende landen gevestigd. Dat betekent dat eerst onderzocht moet worden welke rechter (internationaal) bevoegd is en welk recht moet worden toegepast. Nu gesteld noch gebleken is dat tussen partijen een forumkeuze is overeengekomen heeft, met betrekking tot de vordering in conventie, ingevolge artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) 1215/2012 (herschikte EEX-verordening) de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat [gedaagde] als gedaagde in conventie in Nederland is gevestigd. Ingevolge artikel 8 lid 3 herschikte EEX-verordening heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van de vordering in reconventie rechtsmacht, omdat die (voor het merendeel) voortspruit uit dezelfde overeenkomst waarop de vordering in conventie gegrond is. 7.2. Omdat de overeenkomst tussen partijen inzake de glaswand waarop hun geldvorderingen gebaseerd zijn (hierna: de overeenkomst) ziet op de verkoop van roerende zaken tussen bedrijven die in verschillende lidstaten zijn gevestigd en de toepasselijkheid tussen partijen niet is uitgesloten, is op die geldvorderingen het Weens Koopverdrag (WKV) van toepassing (op grond van artikel 1 van dat verdrag). De overeenkomst tussen partijen is een gemengde overeenkomst, want [gedaagde] moest de te leveren glaswand ook plaatsen. Artikel 3 lid 2 bepaalt dat het WKV niet van toepassing is op overeenkomsten waarin het belangrijkste deel van de verplichtingen van de partij die de roerende zaken levert, bestaat in de verstrekking van arbeidskracht of de verlening van andere diensten. Uit de orderbevestiging en de stellingen van partijen met betrekking tot de relatieve waarde van de prestaties (levering en montage) blijkt niet dat die situatie zich hier voordoet. Het WKV is dus van toepassing. Voor onderwerpen die niet door het WKV worden geregeld, geldt dat, bij gebreke van een rechtskeuze, op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder a van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft, in dit geval dus door Nederlands recht. in conventie 7.3. Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat, hoewel [eiser] heeft aangevoerd dat zij tot ontbinding van de overeenkomst gerechtigd was, zij niet gesteld heeft dat zij de overeenkomst daadwerkelijk heeft ontbonden en evenmin de rechtbank heeft verzocht te ontbinding uit te spreken. Op de mondelinge behandeling heeft zij desgevraagd bevestigd dat zij zich niet op ontbinding beroept. Haar vorderingen zijn uitsluitend gebaseerd op (vervangende) schadevergoeding. 7.4. Zoals hiervoor reeds is overwogen is op de overeenkomst tussen partijen het WKV van toepassing, en slechts voor die onderwerpen waarvoor het WKV geen regeling inhoudt Nederlands recht. Het WKV kent een regeling met betrekking tot schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst door de verkoper (in dit geval [gedaagde] ). Dat betekent dat uitsluitend de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding van [eiser] op grond van het WKV voorligt en dat artikel 6:87 BW (inzake omzetting in vervangende schadevergoeding), waarop [eiser] zich mede beroept, niet van toepassing is. 7.5. Het recht van de koper op schadevergoeding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst vloeit, voor gevallen waar geen sprake is van ontbinding, voort uit de artikelen 45 en 74 WKV. Artikel 45 lid 1 WKV bepaalt dat, indien de verkoper tekort schiet in de nakoming van een krachtens de overeenkomst of het WKV op hem rustende verplichting, de koper schadevergoeding kan eisen. Artikel 74 WKV bepaalt dat de schadevergoeding wegens een tekortkoming van een partij bestaat uit een bedrag gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde winst, die door de andere partij als gevolg van de tekortkoming wordt geleden. De schadevergoeding mag echter niet hoger zijn dan de schade die de partij die in de nakoming is tekort geschoten bij het sluiten van de overeenkomst voorzag of had behoren te voorzien als mogelijk gevolg van de tekortkoming, gegeven de feiten die zij kende of die zij had behoren te kennen. Het recht op schadevergoeding bestaat bij iedere tekortkoming, ongeacht de aard daarvan. Verzuim is niet vereist. Dat betekent dat indien komt vast te staan dat [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten, [eiser] in beginsel recht heeft op vergoeding van de schade die zij als gevolg daarvan heeft geleden, voor zover die schade voor [gedaagde] voorzienbaar was als bedoeld in artikel 74 WKV. Tekortkoming in de nakoming 7.6. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat [gedaagde] jegens [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het volgende is daartoe redengevend. 7.7. [eiser] stelt zich op het standpunt dat tussen partijen is overeengekomen dat het door [gedaagde] te leveren glas voor de glaswand een hoogte moest hebben van 110 cm. Dit is naar het oordeel van de rechtbank door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist, gelet op het feit dat in de offerte en de begeleidende e-mail van 9 juni 2012 deze glashoogte wordt genoemd en dat in de (handgeschreven aantekening op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.