RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/880702-19 (Maldiven); 16/090557-17 (tul); 23/000570-17 (tul); 05/780001-21 (Panter 1); 05/780029-21 (Panter 1); 05/780039-21 (Panter 2); 05/780039-21A (Navigator en Panter 3) (gev. ttz) Datum uitspraak : 27 september 2022 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortejaar 1985] in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , op dit moment gedetineerd in de PI Vught, EBI in Vught. Raadslieden: mr. B.L.M. Ficq, mr. C.W. Flokstra en mr. S. van Klaveren, advocaten in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1. De verkorte inhoud van de tenlastelegging De volledige tenlastelegging is als bijlage I opgenomen en aan dit vonnis gehecht. De rechtbank volstaat hier met de korte vermelding wat verdachte wordt verweten (in chronologische volgorde): Parketnummer 05/880702-19 (Maldiven) (na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging) Medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] / [slachtoffer 2] / [slachtoffer 3] door in de periode van 26 mei 2019 tot en met 5 juni 2019 diverse dreigsms-berichten te sturen. Parketnummer 05/780001-21 (Panter 1) (na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging) Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 2] in Rosmalen op 10/11 oktober 2020, ten laste gelegd als: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 3] in Kerkdriel op 22/23 november 2020, ten laste gelegd als: 3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); 4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 4] in Hedel op 24/25 november 2020, ten laste gelegd als: 5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); 6. medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Betrokkenheid bij twee verijdelde aanslagen op een woning aan de [adres 5] in Hilversum, ten laste gelegd als: 7. medeplegen van een mislukte uitlokking in de periode 15-22 december 2020 van moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade) en/of brandstichting/het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar en/of het medeplegen van uitlokking van de voorbereidingshandelingen daartoe in de periode van 13-17 december 2020. Parketnummer 05/780029-21 (Panter 1) 1. medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] door in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 diverse dreigsms-berichten te sturen. 2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan [adres 6] in Tiel met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 4/5 oktober 2020. 3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 7] in Vlijmen met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 4 november 2020. 4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 8] in Tiel met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 27/28 oktober 2020. 5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing bij de woning aan de [adres 9] in Breda met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op 7/8 oktober 2020. Parketnummer 05/780039-21A (Navigator en Panter 3) Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 10] in Zaandam op 22 september 2020, ten laste gelegd als: 1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade) en/of medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. (Navigator) Betrokkenheid bij een mislukte aanslag op een woning aan de [adres 11] in Kerkdriel op 2 mei 2021, ten laste gelegd als: 2. medeplegen van een mislukte uitlokking van [medeverdachte 1] gericht op het door hem plegen of laten plegen van moord/doodslag/zware mishandeling (met voorbedachten rade) en/of het teweegbrengen van een ontploffing/brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar; subsidiair: medeplegen van een mislukte uitlokking van derden tot het plegen van voornoemde feiten; meer subsidiair: uitlokking van de mislukte uitlokking begaan door [medeverdachte 1] van derden gericht op het door hen laten begaan van voornoemde feiten. (Panter 3) Parketnummer 05/780039-21 (Panter 2) (na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging) Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 12] in Hedel op 1/2 mei 2021, ten laste gelegd als: 1. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 13] in Kerkdriel op 8/9 mei 2021, ten laste gelegd als: 2. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 14] in Velddriel op 9/10 mei 2021, ten laste gelegd als: 3. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 15] in Waardenburg op 15/16 mei 2021, ten laste gelegd als: 4. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade); subsidiair: medeplegen van uitlokking van het medeplegen van bedreiging. Betrokkenheid bij een aanslag op een woning aan de [adres 16] in Tiel op 4/5 juni 2021, ten laste gelegd als: 5. medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging moord/doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel (met voorbedachten rade) en/of medeplegen van uitlokking van het medeplegen teweegbrengen van een brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. 2. Leeswijzer 3 Algemene verweren 3.1 Verweren met betrekking tot vormverzuimen 6 3.2 Verklaringen in het licht van de Vidgen-jurisprudentie 10 3.2.1 Verklaringen van [medeverdachte 2] (Panter 1 en Navigator) 10 3.2.2 Verklaringen van [medeverdachte 1] (Panter 3) 12 3.3 Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] (Panter 1) 13 4 Overwegingen ten aanzien van het bewijs 4.1 Inleiding 15 4.2 De standpunten 16 4.3 Alternatief scenario 17 4.4 Bewijsoverweging Maldiven 18 4.5 Bewijsoverweging Navigator 25 4.6 Bewijsoverweging Panter 1 28 4.7 Vrijspraak dreigberichten reeks nr. 10-19 (Panter 1) 49 4.8 Bewijsoverweging Panter 3 50 4.9 Bewijsoverweging Panter 2 52 4.10 De rol van verdachte als uitlokker 68 4.10.1 Tussenconclusie 78 4.10.2 Schakelbewijs (modus operandi) 78 4.10.3 Uitlokking 79 4.11 Eindconclusies 80 5 Bewezenverklaring 81 6 Kwalificaties 102 7 Strafbaarheid feiten 103 8 Strafbaarheid verdachte 103 9 Strafmaat 103 10 Civiele vorderingen 105 11 De vorderingen tenuitvoerlegging 114 12 Toegepaste wettelijke bepalingen 115 13 De beslissing 115 Bijlage 1 (tenlasteleggingen) 119 3 Algemene verweren 3.1 Verweren met betrekking tot vormverzuimen WOD-traject Tijdens het opsporingsonderzoek is gebruik gemaakt van een werken onder dekmantel (WOD)-traject. Dat traject hield kort gezegd in dat opsporingsambtenaren op 29 december 2020 met [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) in contact zijn getreden zonder dat zij zich als zodanig hebben bekendgemaakt. Het betrof een actie waarbij de opsporingsambtenaren zich voordeden als personen die duidelijkheid wilden over wie achter de aanslagen op (ex)medewerkers van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) zaten. Tijdens deze inzet heeft [medeverdachte 2] zaken verteld over de betrokkenheid van zichzelf, maar ook van anderen bij die aanslagen. De verdediging heeft op verschillende punten, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad in 2019:1983, aangevoerd dat aan de inzet van het WOD-traject op [medeverdachte 2] , op de wijze zoals deze in de onderhavige zaak is toegepast, zodanige gebreken kleven dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze verzuimen zouden volgens de verdediging moeten leiden tot bewijsuitsluiting van alle door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Wettelijk kader Het toegepaste WOD-traject is gegrond op artikel 126j, eerste lid, Sv waarin de bevoegdheid is geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning (SI) van informatie. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het inzetten van een SI-traject zijn rechtvaardiging vindt in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving en waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben. Toetsingskader Voor de beoordeling van het verloop van het WOD-traject zoekt de rechtbank aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in 2019:1982 en 1983, waarbij zij eraan hecht om op voorhand te overwegen dat in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van een zogenaamde ‘Mr. Big-methode’. Deze methode kenmerkt zich immers door langdurige stelselmatige infiltratie en ‘befriending’. Van het een noch het ander is in het contact tussen de opsporingsambtenaren en [medeverdachte 2] sprake geweest. Een WOD-inzet dient allereerst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen, waarbij als uitgangspunt moet worden genomen dat de bijzondere ernst van het misdrijf het WOD-traject rechtvaardigt en dat andere wijzen van opsporing niet (meer) voorhanden zijn. De rechter kan vervolgens voor de vraag komen te staan of de informatie van verdachte niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij kan acht worden geslagen op het feitelijk optreden van de opsporingsambtenaren jegens de verdachte en op de wettelijke grondslag van het optreden. Het is daarom nodig dat inzicht kan worden verkregen in het concrete verloop van de uitvoering van het WOD-traject en op de interactie van de opsporingsambtenaren met de verdachte. Dit kan door een voldoende nauwkeurige verslaglegging, welke verslaglegging inzicht moet geven in het verloop en de uitvoering van de gehele periode en met name een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met verdachte bevat. Voor zover mogelijk zou de communicatie in het kader van de opsporing auditief of audiovisueel geregistreerd moeten worden. Inzet WOD-traject, proportionaliteit en subsidiariteit De rechtbank stelt voorop dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door de bij het WOD-traject van 29 december 2020 betrokken opsporingsambtenaren op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en de verklaringen die zij als getuigen bij de rechter-commissaris over deze inzet hebben afgelegd. De verklaringen van deze opsporingsambtenaren (A-verbalisanten) zijn uitvoerig en komen niet alleen in de kern over en weer overeen, maar zijn ook inhoudelijk zo doorgegeven aan de begeleiders (B-verbalisanten) die op hun beurt eveneens als getuigen bij de rechter-commissaris in de kern overeenkomstig hebben verklaard. Uit deze stukken leidt de rechtbank af dat het stelselmatig inwinnen van informatie heeft plaatsgevonden tijdens een ongeveer 45 minuten durend gesprek (van 17:40-18:25 uur) op 29 december 2020. Dat gesprek vond plaats achter in een bestelbus die bij de woning van [medeverdachte 2] stond geparkeerd. Doel van dat gesprek was informatie te verkrijgen over de opdrachtgevers die achter de aanslagen gerelateerd aan [slachtoffer 3] zaten. [medeverdachte 2] is verzocht om achter in de bus plaats te nemen, wat hij ook deed. Daarbij is [medeverdachte 2] hooguit bij zijn arm(
- en)vastgepakt en naar de bus begeleid, hetgeen binnen de meegekregen instructies paste. [medeverdachte 2] is het doel van het gesprek medegedeeld, waarna hij ten overstaan van drie opsporingsambtenaren een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd en een drietal adressen heeft aangewezen. De opsporingsambtenaren gaven hierbij aan dat zij vanuit de gevangenis hadden begrepen dat [medeverdachte 2] meer informatie kon geven over de aanslagen op [slachtoffer 3] . De indruk kon hierbij ontstaan dat de opsporingsambtenaren criminelen waren. [medeverdachte 2] kon en mocht op ieder moment de bus verlaten. Na het gesprek is [medeverdachte 2] weer in de straat waar hij woonde afgezet. Niet is gebleken dat de opsporingsambtenaren bivakmutsen droegen, dat door hen verbaal of fysiek geweld is gebruikt buiten en/of in de bus of dat daarmee is gedreigd. Dat [medeverdachte 2] op enig moment zelf heeft verklaard dat hij de bestelbus is ingetrokken door mannen met bivakmutsen en dat hij en zijn familie tijdens het gesprek in de bus ernstig zijn bedreigd, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Dat deze situatie in de beleving van [medeverdachte 2] beangstigend is geweest, is goed mogelijk, maar doet niet af aan de juistheid en betrouwbaarheid van de weergave van het gebeuren door de betrokken opsporingsambtenaren. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het WOD-traject en de wijze waarop de verklaring van [medeverdachte 2] tot stand is gekomen inzichtelijk gemaakt en daarmee controleerbaar. De rechtbank is van oordeel dat de inzet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat in deze zaak sprake is geweest van een stelsel van gewelddadige feiten en dat sprake was van grote maatschappelijke impact staat buiten kijf. Blijkens het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning waren op de verdachten in het onderzoek diverse bijzondere opsporingsmiddelen langdurig ingezet, zoals het afluisteren van telefoongesprekken en vertrouwelijke communicatie. Geen van deze ingezette middelen heeft tot op dat moment geleid tot meer informatie over de opdrachtgever(
- s)van de aanslagen. De op dat moment reeds aangehouden verdachten (vermeende uitvoerders) beriepen zich allemaal op hun zwijgrecht. Het ging om zeer ernstige strafbare feiten, namelijk een reeks aanslagen met mortierbommen (shells) op de woningen van (ex)werknemers van [slachtoffer 3] , gepleegd in de nachtelijke uren terwijl de bewoners veelal in de woning lagen te slapen. Ondanks dat een aantal verdachten in voorlopige hechtenis zat, bleven de aanslagen doorgaan en werd aangekondigd dat de aanslagen in ernst zouden toenemen. Dat gebeurde ook daadwerkelijk, zoals al blijkt uit de aanslag in Hedel op 25 november 2020 waar een woning volledig afbrandde en de bewoners te nauwer nood (en een van hen ernstig gewond) konden ontsnappen. Na deze aanslag heeft de politie in december 2020 nog twee aanslagen in Hilversum verijdeld. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de bijzondere ernst van de aanhoudende en steeds gewelddadigere aanslagen de toepassing van de betreffende opsporingsbevoegdheid, mede gezien de omstandigheid dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs, mede met het oog op de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, niet meer voorhanden waren. Het ontbreken van auditieve of audiovisuele registratie De rechtbank is van oordeel, zoals ook is aangevoerd door de verdediging, dat niet goed valt in te zien waarom geen auditieve of audiovisuele registratie van de WOD-actie in de bestelbus is gemaakt. Die vorm van registratie maakt namelijk de controle op de inzet van het bijzondere en vergaande opsporingsmiddel veel beter mogelijk. Maar anders dan de verdediging heeft gesteld, is het niet zo dat de (achteraf opgemaakte) processen-verbaal die in het kader van het WOD-traject zijn opgesteld alleen al daarom uitgesloten moeten worden van het bewijs. Daartoe geven de wet, wetsgeschiedenis en jurisprudentie geen aanleiding. In dat verband wordt gewezen op hetgeen de Hoge Raad in eerdergenoemde arresten op dit punt heeft overwogen, namelijk dat het naast verslaglegging door middel van verbalisering in de rede ligt dat, voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, de communicatie tussen de betrokken opsporingsambtenaren en de verdachte auditief of audiovisueel wordt geregistreerd. Dit betekent dus niet dat dit (een auditieve of audiovisuele registratie), hoe wenselijk ook, een vereiste is om tot de rechtmatigheid van een dergelijk traject te kunnen concluderen. Dit onderdeel van het verweer wordt verworpen. De verklaringsvrijheid van verdachte Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] niet onaanvaardbaar in zijn verklaringsvrijheid is aangetast. Bij die beoordeling betrekt de rechtbank het kader uit HR 2019:1983 waarbij onder meer de volgende punten van belang zijn: het verloop van het opsporingstraject; de proceshouding van verdachte; de mate van druk die in het traject op verdachte is uitgeoefend; de mate en wijze van misleiding binnen het traject; de bemoeienis van de opsporingsambtenaren met de inhoud van de verklaringen; de duur en intensiteit van het traject; de strekking en de frequentie van de contacten met verdachte binnen het traject; de in het vooruitzicht gestelde consequenties als verdachte wel/niet opheldering geeft over bepaalde zaken. De opsporingsambtenaren hebben met [medeverdachte 2] in een (rijdende) bestelbus een gesprek van ongeveer 45 minuten gevoerd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een beperkte en eenmalige WOD-inzet, waardoor van stelselmatigheid en langdurigheid niet kan worden gesproken. Niet gebleken is dat aan [medeverdachte 2] positieve of negatieve consequenties in het vooruitzicht zijn gesteld als hij (niet) zou verklaren. Uit de inhoud van de (getuigen)verklaringen van de opsporingsambtenaren over het verloop van het traject blijkt niet dat op [medeverdachte 2] een ongeoorloofde mate van druk is uitgeoefend. De rechtbank weegt in dat verband ook mee dat [medeverdachte 2] tijdens verschillende nadere verhoren (als getuige en als verdachte) niet op zijn verklaring zoals afgelegd in de bestelbus is teruggekomen. Tussenconclusie WOD-traject De rechtbank is dan ook van oordeel dat (de inzet van) het WOD-traject rechtmatig was en geen sprake is geweest van vormverzuimen in dat kader die zouden moeten leiden tot bewijsuitsluiting van alle verklaringen van [medeverdachte 2] . Horen van [medeverdachte 2] als getuige De rechtbank is van oordeel, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, dat [medeverdachte 2] op 5 en 7 januari 2021 ten onrechte als getuige en niet als verdachte is verhoord. [medeverdachte 2] heeft op 29 december 2020 zijn betrokkenheid bij meerdere aanslagen erkend. Daarmee was vanaf dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dat maakt dat hij vanaf dat moment als verdachte had moeten worden verhoord en op zijn rechten als verdachte (cautie en recht op consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat) had moeten worden gewezen. Nu dat niet is gebeurd, levert dat weliswaar een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv, maar hieraan verbindt de rechtbank geen consequenties, omdat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de verklaringen die [medeverdachte 2] als getuige enerzijds en als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman anderzijds heeft afgelegd. Het verweer wordt daarom verworpen. Eindconclusie Met inachtneming van al het voorgaande komt de rechtbank tot de eindconclusie dat alle door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. 3.2 Verklaringen in het licht van de Vidgen-jurisprudentie 3.2.1 Verklaringen van [medeverdachte 2] (Panter 1 en Navigator) De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 2] , dat een goede reden ontbreekt voor het niet (nogmaals) bieden van het ondervragingsrecht en dat factoren ontbreken die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De verklaringen van [medeverdachte 2] kunnen volgens de verdediging dus niet voor het bewijs worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. De rechtbank overweegt als volgt. [medeverdachte 2] is op verschillende momenten door de politie verhoord: als getuige en als verdachte. Deze verklaringen zijn belastend voor verdachte. De rechtbank heeft in een eerder stadium van het strafproces het verzoek van de verdediging toegewezen om [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris als getuige te laten horen. [medeverdachte 2] heeft één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, tot op heden geen reële en effectieve gelegenheid heeft gehad om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] te toetsen. Anders dan de verdediging heeft gesteld, betekent dit niet dat de rechtbank de voor verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte 2] niet voor het bewijs van de aan verdachte ten laste gelegde feiten kan gebruiken zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Ook niet wanneer ten aanzien van bepaalde feiten zou moeten worden geoordeeld dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaringen van [medeverdachte 2] . Zoals de Hoge Raad in 2021:1418 heeft overwogen en in HR 2022:86 heeft herhaald, is voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat er in dat geval compenserende factoren zijn. Het gaat er in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige. De rechtbank overweegt in het licht van het voorgaande het volgende. (
- i)De rechtbank stelt vast dat inbreuk is gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [medeverdachte 2] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [medeverdachte 2] heeft zich bij het verhoor bij de rechter-commissaris vrijwel geheel beroepen op zijn verschoningsrecht en ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak aangegeven dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw te zullen doen vanwege de (uit het dossier ook blijkende) bedreigingen richting hem en zijn familie. Dat verschoningsrecht komt hem toe en daarmee is de rechtvaardiging van de inbreuk op het ondervragingsrecht gegeven. (
- ii)Naar het oordeel van de rechtbank zou een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate berusten op de verklaringen van [medeverdachte 2] . Gelet op het voorgaande zijn de verklaringen van [medeverdachte 2] aan te merken als ‘sole or decisive’ en moet de rechtbank bezien of sprake is van voldoende compenserende factoren om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen. (iii) Naar het oordeel van de rechtbank bestaan de volgende compenserende factoren: het proces-verbaal van bevindingen over de WOD-inzet opgemaakt door de A- en B-nummers, waarbij schriftelijk is gereageerd op de vragen van de raadslieden; de processen-verbaal opgemaakt door de officier van justitie en de rechercheofficier van justitie over de WOD-inzet; de verhoren bij de rechter-commissaris van alle politiemensen die bij de WOD-inzet betrokken zijn geweest (A-nummers, B-nummers en OT-nummers); de verdediging heeft de mogelijkheid gehad om vragen te stellen aan [medeverdachte 2] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris (en [medeverdachte 2] heeft ook één vraag beantwoord); de verhoren van [medeverdachte 2] als getuige zijn auditief vastgelegd en konden door de verdediging worden beluisterd; de verhoren van medeverdachten bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting als getuige; de verhoren bij de rechter-commissaris van getuigen die voor verdachten belastend hebben verklaard bij de politie (zoals [getuige 1] en [getuige 2] ); prof. dr. Van Koppen is op verzoek van de verdediging als deskundige benoemd en heeft een rapport over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 2] opgemaakt dat deel uitmaakt van dossier; de rechtbank heeft ambtshalve een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [medeverdachte 2] zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd en deze ambtshalve aan het dossier van verdachte toegevoegd; naar aanleiding van die verklaring heeft de rechtbank prof. dr. Van Koppen aanvullend laten rapporteren waarbij ook enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord, waarna deze aanvullende rapportage ambtshalve aan het dossier van verdachte is toegevoegd; de verdediging heeft de mogelijkheid gehad om prof. dr. Van Koppen ter terechtzitting als deskundige (nader) te bevragen en het feit dat de rechtbank ambtshalve heeft beslist dat alle raadslieden bij alle getuigenverhoren door de rechter-commissaris aanwezig konden zijn, ook als zij daar niet zelf om hadden verzocht, geldt als extra procedurele waarborg. Wanneer al de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren (reden, gewicht verklaring en bestaan compenserende factoren) in onderling verband worden bezien, komt de rechtbank tot de slotsom dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen reële en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [medeverdachte 2] heeft gehad, niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen bij de politie afgelegd als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat [medeverdachte 2] zich als gevolg van een ernstige bedreiging - afkomstig uit de hoek van de aanslagplegers - op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces ‘as a whole’. 3.2.2 Verklaringen van [medeverdachte 1] (Panter 3) De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 1] , dat een goede reden ontbreekt voor het niet (nogmaals) bieden van het ondervragingsrecht en dat factoren ontbreken die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen volgens de verdediging dus niet voor het bewijs worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. De rechtbank overweegt in het licht van het beoordelingskader dat hiervoor al uiteen is gezet het volgende. (
- i)De rechtbank stelt vast dat inbreuk is gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [medeverdachte 1] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [medeverdachte 1] heeft zich bij het verhoor bij de rechter-commissaris beroepen op zijn verschoningsrecht. Dat verschoningsrecht komt hem toe en daarmee is de rechtvaardiging van de inbreuk op het ondervragingsrecht gegeven. (
- ii)Naar het oordeel van de rechtbank berust een eventuele bewezenverklaring niet in beslissende mate op de verklaringen van [medeverdachte 1] . De rechtbank zal zoals zal blijken gebruikmaken van zogenoemd schakelbewijs (in de zin van een opvolgende en overeenkomende modus operandi) waardoor bij de beoordeling van dit feit bewijs van andere feiten als steunbewijs kan dient. De rechtbank zal daar na de bespreking van de afzonderlijke zaakdossiers binnen de verschillende onderzoeken dieper op ingaan. Gelet op het voorgaande zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] niet aan te merken als ‘sole or decisive’. Van een schending van het recht op een eerlijk proces is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen. 3.3 De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] (Panter 1) De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 2] op verschillende momenten (tijdens het WOD-traject, daarna als getuige en later als verdachte) verklaringen heeft afgelegd waarin hij zichzelf, [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft belast. Het gaat om de verklaringen van: 29 december 2020 (WOD-traject); 5 en 7 januari 2021 (als getuige); 23, 24 en 25 februari 2021 (als verdachte). Deze verklaringen zijn in de kern gelijkluidend en vinden op diverse punten bevestiging in objectieve onderzoeksresultaten. De rechtbank zal daar bij het bespreken van de afzonderlijke zaaksdossiers dieper op ingaan. [medeverdachte 2] heeft zijn eerste verklaring in het WOD-traject afgelegd, terwijl hij niet wist dat hij met opsporingsambtenaren te maken had. Niet is gebleken dat hij deze verklaring onder druk heeft afgelegd (zie hierboven) en ook kan niet worden gesteld dat zijn verklaringsvrijheid onaanvaardbaar is aangetast. Daar komt bij dat [medeverdachte 2] ook heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij zaken waarvoor hij op dat moment nog niet als verdachte in beeld was. Dit zijn allemaal sterke aanwijzingen voor de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. In dat verband wijst de rechtbank ook op het rapport van prof. dr. Van Koppen (hierna te noemen de deskundige) die op verzoek van de verdediging vanuit rechtspsychologisch perspectief onderzoek heeft gedaan naar de validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 2] . Daaruit komt kort gezegd naar voren dat zijn verklaringen in grote lijnen als valide zijn aan te merken en de invloed van de WOD-traject (‘het gesprek in de bus’) waarschijnlijk van beperkte invloed is geweest op zijn latere verklaringen. Dat er hier en daar inconsistenties in die verklaringen zitten doet aan het voorgaande niet af, nu deze volgens de deskundige conform het functioneren van het geheugen zijn. Het feit dat [medeverdachte 2] bij sommige informatie zegt dat hij het niet weet, soms zegt dat hij onzeker is en soms aangeeft dat hij iets van horen zeggen heeft en niet zelf heeft waargenomen, draagt bij aan de validiteit van zijn verhaal op de punten waarvan hij zegt dat hij wel zeker is, aldus de deskundige. De rechtbank heeft ook de verklaring die [medeverdachte 2] ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd - waarin hij aangeeft dat wat hij bij de politie heeft verklaard klopt - door de deskundige laten analyseren en de verdediging in de gelegenheid gesteld daarover op zitting aanvullende vragen te stellen. Deze aanvulling heeft niet tot een andere conclusie van de deskundige geleid. Wel heeft de deskundige verduidelijkt dat vragen aan [medeverdachte 2] in het WOD-traject (in de bus) over (de rol van) verdachte van invloed kunnen zijn geweest op zijn latere verklaringen over verdachte. Dat de vragen van de opsporingsambtenaren in het WOD-traject een zodanige invloed op de verklaringen van [medeverdachte 2] hebben gehad dat hij niet vanuit zijn eigen geheugen, maar gevoed door de vragen van de opsporingsambtenaren over de rol van verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk. Hierbij geldt niet alleen dat de deskundige hiervoor geen aanwijzingen heeft gevonden, maar zeker ook dat [medeverdachte 2] op enig moment heeft verklaard over betrokkenheid van hemzelf en (onder meer) verdachte bij een aanslag in Zaandam (onderzoek Navigator). Deze aanslag staat los van [slachtoffer 3] en was bij het politieteam nog niet in beeld. De verklaringen van [medeverdachte 2] op dit punt, die - juist ook wat de rol van verdachte betreft - steun vinden in andere bewijsmiddelen (waarover later meer), kunnen dus simpelweg niet gevoed zijn door vragen van de opsporingsambtenaren in het WOD-traject, maar moeten uit zijn eigen geheugen voortkomen. De rechtbank heeft geen enkele reden aan te nemen dat dit anders is voor de overige gedeeltes van de verklaringen van [medeverdachte 2] . Integendeel: dit stelsel van omstandigheden ondersteunt het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn. Dit alles maakt dat de rechtbank eerder genoemde verklaringen van [medeverdachte 2] als betrouwbaar aanmerkt. Dat hij op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt nog niet dat zijn eerdere verklaringen feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [medeverdachte 2] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [medeverdachte 2] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(
- s)van de aanslagen - voor [medeverdachte 2] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [medeverdachte 2] ter zitting in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. De rechtbank hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen. 4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 4.1 Inleiding Verdachte wordt de betrokkenheid bij een afpersingszaak en een reeks aanslagen verweten. De context van die verwijten (op een feit
- na)is gelegen in een zeer grootschalige afpersingszaak na ontdekking van een grote partij cocaïne tussen een lading fruit van [slachtoffer 3] in mei 2019. [slachtoffer 3] heeft de vondst van de drugs gemeld bij de politie. De verdenking is dat er een reeks aanslagen is gepleegd om een grote som geld af te dwingen, vanwege het ‘verlies’ van de partij drugs. Er wordt gedreigd door middel van sms-berichten en die berichten worden gevolgd door of afgewisseld met een groot aantal mogelijk gerichte aanslagen. De politie vermoedt dat gebruik wordt gemaakt van een per ongeluk aan het strafdossier toegevoegde lijst met namen en adressen van (voormalig) medewerkers van dit bedrijf. Sommige adressen/personen op die lijst zijn meerdere keren doelwit geweest van een aanslag. Ook hebben enkele aanslagen plaatsgevonden op zogenaamde vergisadressen. Het gaat om een zaak die de (Gelderse) samenleving inmiddels meerdere jaren in haar greep houdt. Waar mensen in angst en onzekerheid leven, waar de politie al ruim drie jaar zichtbaar en onzichtbaar opereert, controleert en mensen in meer of mindere mate beveiligt. De verwijten die verdachte worden gemaakt houden niet in dat hij zelf aanslagen heeft gepleegd, maar dat hij andere personen daartoe heeft aangezet. Het gaat om uitlokking van uiteenlopende strafbare gedragingen (ontploffingen, beschietingen en/of brandstichtingen). Verder wordt hij verdacht van de afpersing van [slachtoffer 1] / [slachtoffer 3] door het verzenden van dreigberichten. Verdachte zou dat al dan niet samen met een of meer anderen hebben gedaan. Het dossier tegen verdachte bestaat inmiddels uit meerdere omvangrijke onderzoeksdossiers die hieronder in chronologische volgorde uiteen zijn gezet: Maldiven De start van de dreigberichten (eerste reeks) aan [slachtoffer 1] / [slachtoffer 3] in de periode 26 mei - 5 juni 2019. Navigator Een aanslag op 22 september 2020 in Zaandam (deze zaak staat los van [slachtoffer 3] ). Panter 1 Een tweede reeks dreigberichten aan [slachtoffer 1] / [slachtoffer 3] in de periode 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021. En daarnaast negen - waarvan twee verijdelde - aanslagen gerelateerd aan [slachtoffer 3] in de periode 5 oktober - 16 december 2020 met een vermeende dadergroep uit de omgeving van het Gooi. Panter 3 Een aanslag gerelateerd aan [slachtoffer 3] op 2 mei 2021 in Kerkdriel met een vermeende dadergroep uit de omgeving Rotterdam. Panter 2 In totaal vijf aanslagen gerelateerd aan de [slachtoffer 3] in de periode 2 mei - 5 juni 2021 met een vermeende dadergroep uit de omgeving Amsterdam. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij het bespreken van een onderzoek en de onderliggende verwijten telkens de onderzoeksnaam benoemen zoals die hiervoor is weergegeven. 4.2 De standpunten Het standpunt van het OM: Het OM heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de volgende feiten: Maldiven (05/880702-19); Navigator (05/780039-21A) feit 1; Panter 1 (05/78001-21) de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 primair; Panter 1 (05/780029-21) de feiten 1 t/m 5; Panter 3 (05/780039-21A) feit 2 primair en Panter 2 (05/780039-21) de feiten 1 t/m 5 telkens primair. Het standpunt van de verdediging: De verdediging heeft met betrekking tot Maldiven vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de verzender van de dreigberichten is. Ten aanzien van Navigator heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strafbare betrokkenheid van verdachte en niet kan worden bewezen dat sprake was van levensgevaar. Met betrekking tot Panter 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van de feiten 1 t/m 7 (05/780001-21) en de feiten 1 t/m 5 (05/780029-21), vanwege het ontbreken van enig/dan wel voldoende bewijs voor de uitlokking (unus testis). Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Ook ontbreekt het bewijs voor de voorbedachte raad. Tot slot kan niet worden bewezen dat bij het teweegbrengen van de ontploffingen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De verdediging heeft met betrekking tot Panter 2 primair vrijspraak bepleit, omdat de strafbare uitlokking (al dan niet als medepleger) niet kan worden bewezen. Subsidiair is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood, zwaar lichamelijk letsel of het stichten van brand (met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen) heeft gehad. Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreigingen is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot Panter 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat van uitlokking geen sprake is en dat wat er feitelijk is gebeurd geen poging tot moord, doodslag, brandstichting of zware mishandeling oplevert. De rechtbank gaat eerst in op het door de verdediging geschetste alternatieve scenario op grond waarvan verdachte van alle verwijten zou moeten worden vrijgesproken. 4.3 Alternatief scenario De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe is een alternatief scenario aangedragen. Dit scenario houdt - kort gezegd - in dat verdachte geen betrokkenheid heeft bij de afpersing van [slachtoffer 3] en de aanslagen op (voormalig) medewerkers van dat bedrijf, maar dat sprake is van een andere opdrachtgever. Verdachte heeft slechts vanwege financiële conflicten als bemiddelaar en/of adviseur opgetreden voor enkele verdachten in dit onderzoek. De rechtbank acht het alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft verklaard dat er een andere opdrachtgever is en die persoon een goede bekende van hem is. Door hem is echter geen enkel controleerbaar of verifieerbaar gegeven verstrekt om dat alternatieve scenario nader te onderzoeken. Zo heeft hij niet willen verklaren over de naam van deze persoon, maar heeft hij ook geen andere gegevens verstrekt die zijn lezing nader zouden kunnen onderbouwen. Met de enkele verwijzing naar een TCI/MMA-melding of zijn gestelde rol als adviseur/bemiddelaar, worden de aanwijzingen voor zijn vermeende betrokkenheid als afperser/opdrachtgever, niet zomaar ontzenuwd. Dat hij geen informatie geeft over de opdrachtgever, terwijl hij alles in detail zou weten, doet hij bewust. Dat heeft niets te maken met angst voor represaille maar ‘omdat hij het OM die wetenschap niet gunt’, aldus zijn eigen verklaring. De keuze om onder die omstandigheden algemeen en vaag te blijven over aanknopingspunten die alleen hij kan geven, blijft dan ook voor zijn rekening. Het dossier zelf biedt overigens ook geen concrete aanknopingspunten voor het bestaan van een andere opdrachtgever. De rechtbank verwerpt dan ook dit tot integrale vrijspraak strekkende verweer. Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het bewijs in de verschillende onderzoeken. Daarbij houdt zij de chronologische volgorde aan zoals eerder uiteengezet. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte de verzender is van de (eerste reeks) dreigberichten aan [slachtoffer 1] / [slachtoffer 3] (Maldiven). 4.4 Bewijsoverwegingen Maldiven (parketnummer 05/880702-19) Niet ter discussie staat dat één of meer personen hebben geprobeerd de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hun familie en/of het bedrijf ( [slachtoffer 3] ) af te persen. Er zijn in de periode van 26 mei tot en met 3 juni 2019 diverse sms-berichten verstuurd naar [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) met zeer ernstige, aan hem of zijn familie dan wel werknemers gerichte dreigementen als niet een fors geldbedrag zou worden betaald. De vraag die aan de rechtbank voorligt is wie de verzender van deze dreigberichten is. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Dreig-sms (reeks) 1: 26 mei 2019 Om 18:12(-18:48 laatste contact) uur ontvangt [slachtoffer 1] een dreig-sms afkomstig van het nummer [telefoonnummer 1] : “BESTE [slachtoffer 1] , BIJ DEZE LATEN WIJ JOU WETEN DAT WE JOU EN BEN PERSOONLIJK AANSPRAKELIJKSTELLEN VOOR HET VERLIES VAN ONZE HANDEL. JULLIE KRIJGEN EEN BOETE VAN 1,2 MILJOEN EURO. WIJ WETEN INMIDDELS VEEL OVER JULLIE FAMILIE. JE KRIJGT 3 DAGEN DE TIJD OM TE BESLISSEN. ALS ER NIET BETAALD WORDT ZULLEN WIJ OP KORTE TERMIJN EEN WILLEKEURIGE MEDEWERKER VAN [slachtoffer 3] LIQUIDEREN. NA ELKE AANSLAG VERHOGEN WE DE BOETE MET 150DUIZEND EURO. INDIEN WIJ MERKEN DAT JE DE POLITIE INLICHT ZULLEN WE DAT MET EXTREEM GEWELD BEANTWOORDEN WIJ HEBBEN EEN HELE LANGE ADEM, EN DE POLITIE ZAL JE NIET EEUWIG BEWAKEN. DIT TOESTEL WORDT OM 18.50 VERNIETIGD. WOENSDAGAVOND SMSEN WIJ JOU MET EEN ANDER NR EN DAN KAN JE JULLIE BESLISSING SMSEN” De laatste aangestraalde zendmastlocatie van de dreigtelefoon is om 18:48:49 uur de [adres 17] in Naarden. Verdachte maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dat nummer straalt om 18:49:01 uur dezelfde zendmast aan de Huizerstraatweg aan. Dreig-sms (reeks) 2: 29 mei 2019 (15:00-18:00 uur) [slachtoffer 1] ontvangt om 15:17(-15:46 laatste contact) uur een tweede dreig-sms afkomstig van het nummer [telefoonnummer 3] : “NN: JE HEBT 18MIN OM PER SMS TE REAGEREN. GA JE BETALEN? [slachtoffer 1] : We willen dit oplossen, hoe moeten we dit doen? NN: BETAAL JE? (…) NN: MORGEN KRIJG JE VERDERE INSTRUCTIES. DIT TOESTEL WORDT NU VERNIETIGD [slachtoffer 1] : Ja ik begrijp dat hoe houden we contact [slachtoffer 1] : We hebben 150.000 euro liggen ik wil hier vanaf NN: MORGEN BENADER IK JE” Daarbij straalt de dreigtelefoon zendmasten aan in Weesp, Amsterdam en als laatst om 15:35 uur de zendmast [adres 18] in Duivendrecht. Verdachte maakt gebruik van een [auto 1] met kenteken [kenteken 1] . Deze auto wordt om 15:39 uur door het ANPR-systeem geregistreerd bij de Verlengde van Marwijk Kooystraat in Amsterdam-Duivendrecht. Volgens de openbare bron Google-maps bedraagt de (normale) reistijd per auto tussen de laatst aangestraalde zendmast van de dreigtelefoon en de locatie van de ANPR-registratie van de auto van [verdachte] 5 minuten. Dreig-sms (reeks) 3: 29 mei 2019 (18:00-00:00 uur) - 1 juni 2019) Om 18:25(-18:43 laatste contact) uur ontvangt [slachtoffer 1] sms-berichten van het nummer [telefoonnummer 4] : “NN: jullie betalen 150 duizend en wij gebruiken eenmalig jullie route voor 900kilo. hebben we een deal? NN: 8min dan gaat dit toestel uit” Daarbij straalt de dreigtelefoon achtereenvolgens - onder meer - de volgende zendmasten aan: [adres 19] in Maartensdijk (18:38:21 uur) [adres 20] in Hilversum (18:42:36 uur) [adres 21] in Hilversum (18:42:59 uur) en [adres 22] in Hilversum (18:43:22 uur). De telefoon van verdachte straalt om 18:24:28 uur de zendmast aan de [adres 19] in Maartensdijk aan. De auto van verdachte wordt om 18:43 uur ANPR-geregistreerd bij het knooppunt Oostereind met de Arena in Hilversum. Volgens de openbare bron Google-maps bedraagt de (normale) reistijd tussen de laatst aangestraalde zendmast van de dreigtelefoon en de plaats van de ANPR-registratie van de auto van verdachte 1 minuut. Om 18:44(-19:46 uur laatste contact) gaat de sms-correspondentie tussen het nummer [telefoonnummer 5] en [slachtoffer 1] verder: “NN: als je ons naait, zet je het leven van je dochter in, bellen gaat niet [slachtoffer 1] : 15000 is oké! Met dat ander wil ik niets te maken hebben! NN: kom het geld morgen naar amsterdam brengen, akkoord? [slachtoffer 1] : 150.000 euro vanavond, ik wil dat het klaar is NN: morgen, ik stuur een junkie om het te halen NN: Je moet wel lang nadenken he [slachtoffer 1] : Vanavond! En anders pas maandag, ik ben het Hemelvaarts weekend weg NN: ik contacteer je rond 22uur dan stuur ik ze naar je toe [slachtoffer 1] : Niet naar mijn huis, ik zoek nu even een plek [slachtoffer 1] : Van der Valk Zaltbommel is in de buurt NN: locatie krijg je vanavond, als ze in de val lopen lig ik er niet wakker van, maar jullie wel” Daarbij straalt het dreigtoestel om 19:26:22 uur de zendmast [adres 23] in Bussum aan en om 19:29:25 uur de zendmast [adres 24] in Naarden. De telefoon van verdachte straalt om 19:27:29 uur de zendmast [adres 23] in Bussum aan en om 19:52:01 uur de zendmast [adres 24] in Naarden. Om 20:23:06 en 20:54:08 uur straalt de telefoon van verdachte de zendmast aan de [adres 25] in Naarden aan. De dreigtelefoon straalt om 20:23:17 en 20:50:41 uur dezelfde zendmast aan. De [adres 25] in Naarden betreft de thuismast (meest aangestraalde mast) van de telefoon van verdachte. Tussendoor vindt (om 20:31 uur) een Whatsapp-gesprek van 3.13 minuten plaats tussen [medeverdachte 6] en verdachte. Dit gesprek wordt direct erna gewist. De sms-correspondentie tussen het nummer [telefoonnummer 5] en [slachtoffer 1] gaat verder om 20:36(-laatste contact 00:46 uur): “NN: rond 23.15 staat er iemand bij de afgesproken plek [slachtoffer 1] : Dan zorg ik dat het geld in Zaltbommel is NN: niet praten met die persoon, geld afgeven en weggaan, zij weten niet waar het geld van is (…) NN: stuur mij het kenteken [slachtoffer 1] : [kenteken 2] [slachtoffer 1] : Staat naast de valk bij [naam 1] [slachtoffer 1] : De valk was druk NN: jij bent niet de persoon die deze auto bracht, wie was dat? [slachtoffer 1] : Klopt, was een vriend van me NN: je hebt een probleem [slachtoffer 1] : Waarom? Ik heb me aan de afspraak gehouden, geld ligt erin NN: er is recherche (…) [slachtoffer 1] : Ik heb me aan de afspraak gehouden, hoe serieus neem je mij? NN: je kent de gevolgen, parkeer voor de ingang van valk [slachtoffer 1] : Ik ben daar niet, auto staat er echt en hij is open NN: geregeld, ze zijn er met een ruim half uur” (…) NN: laat ze de auto nu voor valk parkeren (…) NN: ze gaan je bellen als ze er bijna zijn (…) NN: ze kunnen er welk moment zijn (…) NN: ze vertrouwen het niet dus gaat niet door vandaag (…) Doe dat je krijgt een rekeoing waar je op mag storten morgen” Rond 00:05 uur ziet het observatieteam een auto de parkeerplaats van het Van der Valk hotel in Zaltbommel oprijden. Daarin zit [medeverdachte 6] samen met [medeverdachte 7] . De auto keert om en rijdt weg na kort oogcontact met een persoon van het observatieteam te hebben gehad. De geplande geldoverdracht heeft niet plaatsgevonden. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij in opdracht van iemand samen met [medeverdachte 7] naar Zaltbommel is gereden om daar een geldbedrag op te halen. Hij werd via de telefoon van [medeverdachte 7] door de opdrachtgever aangestuurd. Het dreigtoestel met nummer [telefoonnummer 5] straalt 00:25:47 uur de zendmast aan de [adres 25] in Naarden aan. De telefoon van verdachte straalt om 00:28:09 uur dezelfde zendmast (zijn thuismast) aan. Dreig-sms (reeks) 4: 1 juni 2019 Om 17:56(-18:01 uur laatste contact) uur ontvangt [slachtoffer 1] een vierde dreig-sms afkomstig van het nummer [telefoonnummer 6] : “NN: dag beste man je hebt het verpest, je gaat 1.5m betalen. Je ontvangt maandag een bitcoin adres. dan heb je 3dagen om de eerste 20 bitcoins te betalen. Om NN: dat ik me altijd aan me woord hou zal ik je straffen voor je kunstje in zaltbommel. we hebben een leuke medewerker uitgekozen. ik hoop voor je dat het b NN: fijn weekend alvast” Daarbij straalt het dreigtoestel om 17:58:23 uur de zendmast [adres 26] in Utrecht aan. De telefoon van verdachte straalt om 15:42:33 uur de [adres 25] in Naarden aan en pas om 18:12:32 uur de volgende mast aan de [adres 27] in Hilversum. Volgens de openbare bron Google-maps bedraagt de (normale) reistijd per auto tussen de laatst aangestraalde zendmast van de dreigtelefoon ( [adres 26] te Utrecht) en de eerst daarop volgende mast die door de telefoon van verdachte wordt aangestraald ( [adres 27] te Hilversum) 16 minuten. De auto van verdachte wordt om 18:19 uur ANPR-geregistreerd op de locatie N525 Larenseweg x [adres 28] (de rechtbank begrijpt: in Hilversum). Volgens de openbare bron Google-maps bedraagt de (normale) reistijd tussen de laatst aangestraalde zendmast van de dreigtelefoon en de plaats van de ANPR-registratie van de auto van verdachte 20 minuten. Dreig-sms (reeks) 5 en 6: 2 en 3 juni 2019 Op 2 juni 2019 om 19:26 ontvangt [slachtoffer 1] een vijfde dreig-sms afkomstig van [telefoonnummer 7] : “Dit is je laatste kans en je hebt precies 10min om te reageren dan verdwijnt dit toestel in de sloot. Betaal je morgen de bitcoins ja of nee? Je ontvangt morgen sowieso het bitcoin reknr wij stoppen onze aanslagen pas als de eerste 20 bitcoins ontvangen zijn” Daarbij straalt de dreigtelefoon om 18:26:48 uur een zendmast aan de [adres 29] in Laren aan en om 19:32:11 uur de zendmast [adres 23] in Bussum. De telefoon van verdachte straalt om 16:45:37 uur de zendmast [adres 30] in Eemnes aan en daarna pas weer om 20:17:49 uur de zendmast [adres 31] in Bussum. Op 3 juni 2019 om 09:50(-10:17 uur laatste contact) ontvangt [slachtoffer 1] een zesde dreig-sms van het nummer [telefoonnummer 8] : “NN: Neem De Code Exact Over Inclusief Hoofdletters Die Je In Het Volgende Smsje Krijgt NN: [code] NN: Ik Dump Zo Dit Toestel, Zorg Dat Ik Uiterlijk Woensdag 20bitcoin Heb In Dat Account NN: We Nemen Vanaf Nu Ook Geen Contact Meer Op Totdat Je De Eerste Betaling Gedaan Hebt, Na Woensdag Krijg Je De Eerste Aanslag Als Er Niet Betaald Is” Daarbij straalt de dreigtelefoon zendmasten aan in Laren, Bussum, Naarden en als laatste (om 10:17:35 uur) de zendmast [adres 32] in Bussum. De telefoon van verdachte straalt om 09:09:47 uur de zendmast [adres 33] in Hilversum aan en daarna pas weer om 10:40:49 uur de zendmast [adres 34] in Eemnes. Tussenconclusie De rechtbank leidt uit al het voorgaande het volgende af: op 26 mei 2019 straalt het toestel in gebruik bij verdachte 12 seconden na het verzenden van de laatste dreig-sms dezelfde zendmast in Naarden aan als de telefoon van de dreiger; op 29 mei 2019 tussen 14:00-18:00 uur laat het toestel in gebruik bij verdachte een reisbeweging zien die past bij de route die de dreiger/de dreigtelefoon lijkt af te leggen, waarbij de (reis)tijd tussen het verzenden van de laatste dreig-sms, het aanstralen van de telefoon van verdachte en de ANPR-registratie van zijn auto naadloos in die tijdlijn past; op 29 mei 2019 tussen 18:24 en 20:54 uur stralen het toestel van de dreiger en het toestel in gebruik bij verdachte op vier verschillende momenten kort na elkaar dezelfde zendmasten aan, waaronder de thuismast van verdachte; de dreiger laat op 29 mei 2019 om 19:32 uur weten dat de geldoverdracht later die avond moet plaatsvinden en om 19:40 uur bericht de dreiger ‘ik contacteer je rond 22 uur dan stuur ik ze naar je toe’. Om 20:31 uur vindt een ruim drie minuten durend (gewist) Whatsappgesprek plaats tussen [medeverdachte 6] en verdachte, waarna (twee minuten later) om 20:46 uur vanaf verdachtes thuismast een dreig-sms wordt verstuurd met de inhoud “rond 23.15 uur staat er iemand bij de afgesproken plek”. [medeverdachte 6] is degene die samen met [medeverdachte 7] in de nacht van 29 op 30 mei 2019 naar Zaltbommel is gereden om een geldbedrag op te halen; op 30 mei 2019 straalt het toestel in gebruik bij verdachte 2.22 minuten na het verzenden van de laatste dreig-sms van die dag dezelfde zendmast in Naarden aan als het toestel van de dreiger. Het betreft de thuismast van verdachte; op 1 juni 2019 laat het toestel in gebruik bij verdachte een reisbeweging zien waarbij de tijd tussen het verzenden van de laatste dreig-sms en de ANPR-registratie van de auto van verdachte naadloos in de tijdlijn past en op 2 en 3 juni 2019 (en overigens ook op de andere data) is opvallend dat het toestel van verdachte nooit gelijktijdig actief is met de toestellen van de dreiger. Het voorgaande brengt met zich mee dat het gebruik van alle dreigtoestellen door verdachte in de vergelijking met de geografische reisbewegingen van de telefoon en de auto in gebruik bij verdachte niet kan worden uitgesloten. Met andere woorden, er zijn geen momenten aan te wijzen dat de dreigtelefoon actief is op de ene locatie en verdachte op een andere locatie kan worden geplaatst. Dat terwijl er juist ten aanzien van meerdere dreig-sms (reeksen) specifieke zendmasten zijn aan te wijzen waarop de telefoon van verdachte en de dreigtelefoons nagenoeg gelijktijdig aanstralen en de bevestiging dat verdachte daadwerkelijk in de directe nabijheid is mede kan worden afgeleid uit de registratie van zijn auto. Ook is opvallend dat de plaatsen waar de dreigtelefoon actief is (zoals Naarden en Bussum) verblijfplaatsen van verdachte zijn. Daar komt nog bij dat wanneer de dreiger op een atypische plek kan worden geplaatst, zoals in Amsterdam ten tijde van de derde sms-reeks, ook verdachte in Amsterdam kan worden geplaatst. Door de verdediging is een alternatief scenario aangedragen. Dit scenario houdt in dat verdachte geen tijd had om [slachtoffer 1] af te persen, omdat hij (
- te)druk was met de handel in drugs. Hoewel voor zijn betrokkenheid bij de handel in drugs enkele aanwijzingen in het dossier zijn te vinden, zoals een WhatsApp-gesprek met [medeverdachte 8] dat gaat over ‘drogen’ en ‘blokken’, legt alleen die (overigens onvoldoende concreet gemotiveerde) stelling onvoldoende gewicht in de schaal om afbreuk te doen aan al hetgeen hiervoor is overwogen. Het verweer wordt daarom verworpen. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte de verzender van de dreigberichten moet zijn geweest. Conclusie Dat betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] / [slachtoffer 3] . Niet is gebleken van een bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen, zodat vrijspraak voor het bestanddeel ‘medeplegen’ volgt. De rechtbank komt nu toe aan het bespreken van het bewijs ten aanzien van de reeks aanslagen. Uiteindelijk is voor de beoordeling van dat wat verdachte wordt verweten (als uitlokker) relevant dat hij ander(
- en)daartoe heeft aangezet. Daarom zal de rechtbank eerst moeten vaststellen dat en door wie de aanslagen (de zogenaamde grondfeiten) zijn gepleegd en onder welke strafbepalingen dat handelen valt. Daarna komt zij pas toe aan de rol van verdachte. De rechtbank begint met het bespreken van onderzoek Navigator, een zaak die geen direct verband houdt met [slachtoffer 3] , maar zoals later zal blijken, wel overeenkomsten heeft met de incidenten tegen [slachtoffer 3] . 4.5 Bewijsoverwegingen Navigator (parketnummer 05/780039-21A feit 1) Op 22 september 2020 omstreeks 23:20 uur is een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) tot ontploffing gebracht bij de voordeur van een woning aan de [adres 10] in Zaandam. Het betrof de woning van [slachtoffer 4] (de moeder van [naam 2] , ook wel bekend als ‘ [naam 2] ’). [slachtoffer 4] stond op het moment van ontploffing in de hal. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd. Als gevolg van de explosie is de voordeur naar binnen geslagen, zijn de bovenlichten van de toegangsdeuren van de nummers [3 nummers] gebroken en lagen er in de omgeving glasscherven. Daarnaast was er schade aan beplanting en decoraties. Op camerabeelden is te zien dat één persoon om 23:20 uur in de richting van de voorzijde van de [adres 10] loopt, ter hoogte van de woning iets aansteekt en daarna wegrent. Om 23:26 uur is een [auto 2] ( [kenteken 3] ) twee ANPR-camera’s in de omgeving van de plaats delict gepasseerd. Het voertuig kwam vanuit de richting van Zaandam en bewoog in de richting van de Rijksweg A8. Vast staat dat op 22 september 2020 in Zaandam een VBC tot ontploffing is gebracht bij de voordeur van de woning van [slachtoffer 4] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken zijn geweest. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] in Zaandam een aanslag heeft gepleegd op de woning van een treitervlogger. Hij heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 4] is benaderd om hem ergens naar toe te brengen tegen een vergoeding. [medeverdachte 4] zou daar vuurwerk afsteken. Hij reed (in een [auto 2] met kenteken [kenteken 3] ) en stond op de uitkijk, terwijl [medeverdachte 4] het vuurwerk afstak, een shell. [medeverdachte 4] vertelde hem later dat de opdracht van [verdachte] kwam en hij ( [medeverdachte 4] ) daarvoor € 150,- of € 200,- kreeg. De verklaring van [medeverdachte 2] - dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: de ANPR-hits met het voertuig dat op dat moment door [medeverdachte 2] werd gebruikt die passen bij de terugrit vanaf de plaats delict; op de camerabeelden is slechts één persoon te zien (hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij de bestuurder was en [medeverdachte 4] de shell gooide); het type zwaar vuurwerk (shell) dat bij de aanslag is gebruikt. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] ) bij dit feit betrokken zijn geweest. Opzet op de dood? De eerste vraag die de rechtbank, gelet op de tenlastelegging, moet beantwoorden is of [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] opzet op de dood van de bewoner hebben gehad. Van vol opzet is niet gebleken. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien zij zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Volgens het onderzoek van de brandonderzoeker kon de ontploffing van de VBC tot een heftige explosie leiden, waarbij door de ontbranding van de motorbenzine een grote vuurbal kon ontstaan. Het ontstaan van deze vuurbal, in combinatie met de constructie van de betreffende portiek en de vernielde ruiten van de voordeuren, kon tot een zeer snelle tot explosieve branduitbreiding in verschillende woningen leiden. Personen die op dat moment in de woningen of in de omgeving daarvan aanwezig waren konden daardoor ernstig tot dodelijk (brand)letsel oplopen. Met betrekking tot [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat hij de aanmerkelijke kans dat er mensen konden overlijden of zwaar lichamelijk letsel konden oplopen willens en wetens heeft aanvaard. Hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking. Dat [medeverdachte 4] een VBC heeft gebruikt en deze bij een voordeur van een woning tot ontploffing heeft gebracht wist hij (vooraf) niet. Zijn rol ging niet verder dan het besturen van de auto en het op de uitkijk staan, waardoor hij ook niet tussentijds van het gebruik van de VBC op de hoogte is geraakt. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die het tegendeel onderbouwen. Dat [medeverdachte 2] geen opzet op de dood van de bewoners had, betekent dat hij niet als (mede)pleger van dit feit (ten laste gelegd als de poging tot moord/doodslag, dan wel toebrengen zwaar lichamelijk letsel) kan worden gezien. Met betrekking tot [medeverdachte 4] overweegt de rechtbank dat de mortierbom die hij bij de voordeur van de woning tot ontploffing heeft gebracht, op zichzelf genomen al zwaar illegaal vuurwerk is dat een enorme knal en drukgolf veroorzaakt. Daarbij is tevens door hem gebruik gemaakt van een met motorbenzine gevulde jerrycan. Deze VBC heeft hij bij de voordeur nabij glas tot ontploffing gebracht. De kans dat personen in/nabij de woningen als gevolg van zijn handelen hadden kunnen overlijden was aanmerkelijk. Op het moment van de ontploffing stond [slachtoffer 4] daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur. Zij is door de kracht van de explosie haar woning ingeworpen. Door zo te handelen heeft [medeverdachte 4] ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard. Hij had dan ook voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 4] . Voorbedachte raad? De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [medeverdachte 4] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet bewezen worden dat de hij heeft gehandeld met voorbedachte raad. Uit het dossier komen aanwijzingen naar voren dat sprake was van een vooropgezet plan, maar dit plan was naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gericht op de dood van de aanwezigen. Hoewel voorwaardelijk opzet op de dood en voorbedachte raad in theorie met elkaar verenigbaar zijn, acht de rechtbank in dit geval de voorbedachte raad niet wettig en overtuigend bewezen. In het feit dat het uiteindelijke doel van het handelen afschrikken was, ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Eendaadse samenloop met opzettelijk ontploffing teweegbrengen Hetzelfde feitencomplex is tevens aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ten laste gelegd als het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit het opzet van een verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Gelet op het tijdstip (laat in de avond), de locatie waar de VBC tot ontploffing is gebracht (bij de voordeur), de kracht van de ontploffing die af te leiden is uit de schade die door de ontploffing is veroorzaakt én waarbij benzine als brandversneller is gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels gemeten voor [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , die immers wel wist dat er vuurwerk nabij een woning zou worden afgestoken, voorzienbaar moet zijn geweest dat door dit handelen gemeen gevaar voor (de inboedel van) de woning, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van die woning te duchten was. Conclusie Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag in eendaadse samenloop met het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Van een bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 2] die is vereist voor het bestanddeel ‘medeplegen’ is niet gebleken, zodat daarvan vrijspraak volgt. [medeverdachte 2] is slechts medeplichtig geweest aan het opzettelijk teweegbrengen van die ontploffing door [medeverdachte 4] naar de plaats delict te rijden en daar op de uitkijk te staan. De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de vraag door wie de aanslagen (de grondfeiten) in Panter 1 zijn gepleegd en hoe die moeten worden gekwalificeerd. 4.6 Bewijsoverwegingen Panter 1 (parketnummers 05/780001-21; 05/780029-21) De rechtbank zal de feiten die onder bovengenoemde parketnummers zijn ten laste gelegd vanwege de samenhang - zij maken immers onderdeel uit van hetzelfde onderzoek - gezamenlijk bespreken. Daarbij verdeelt de rechtbank de feiten in twee clusters, waarbij zij bij de beoordeling van deze feiten voor de leesbaarheid de hierna te noemen volgorde aanhoudt: - Cluster I: hierbij zijn als uitvoerders betrokken [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] o [adres 6] Tiel (05/780029-21 feit 2) o [adres 9] Breda (05/780029-21 feit 5) o [adres 2] Rosmalen (05/780001-21 feiten 1 en 2) o [adres 8] Tiel (05/780029-21 feit 4) o [adres 7] Vlijmen (05/780029-21 feit 3) o [adres 5] Hilversum (voorbereiding periode 16-17 december 2020) (05/780001-21 feit 7) - Cluster II: hierbij zijn als uitvoerders betrokken [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] o [adres 3] Kerkdriel (05/780001-21 feiten 3 en 4) o [adres 4] Hedel (05/780001-21 feiten 5 en 6) o [adres 5] Hilversum (voorbereiding periode 20-21 december 2020) (05/780001-21 feit 7) Met betrekking tot cluster I De rechtbank overweegt dat zij [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] verantwoordelijk acht voor het opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen op de volgende adressen. De rechtbank leidt dat uit het volgende af. [adres 6] Tiel ( [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] ) Op 5 oktober 2020 omstreeks 01:15 uur is onder de auto ( [kenteken 4] ) van [slachtoffer 5] een mortierbom (shell) tot ontploffing gebracht. [slachtoffer 5] lag op dat moment te slapen en is wakker geworden van de explosie die plaatsvond aan de voorzijde van de auto die op de oprit bij zijn woning aan [adres 6] in Tiel stond geparkeerd. De auto stond met de voorzijde naar de straatkant gericht. Als gevolg van de explosie is de bumper van de auto beschadigd, de voorruit gebarsten en lag de kentekenplaat eraf. Ook is op de schuurdeur een beschadiging aangetroffen die er volgens de eigenaar nooit op heeft gezeten. [slachtoffer 5] is werkzaam bij [slachtoffer 3] . Op de camerabeelden is te zien dat om 01:11:39 uur twee personen [adres 6] passeren en in de richting van [adres 35] lopen. Omstreeks 01:16:40 uur komen deze personen teruggelopen in de richting van de oneven zijde van De Kogge. Vervolgens is om 01:17:20 uur een explosie onder de voorzijde van de auto te zien. De zwarte [auto 3] op naam van [medeverdachte 2] is die nacht om 00:25 uur het ANPR-systeem op de A15 Deil Oost en om 01:40 uur op de A27 Nieuwegein gepasseerd. De reistijd vanaf de laatstgenoemde ANPR-locatie naar [adres 6] is 23 minuten. De telefoon van [medeverdachte 5] straalt die nacht om 01:26 uur de mast met locatie Laageinde Kapel-Avezaath aan: een mast op 3,94 km afstand (10 minuten rijden) van [adres 6] in Tiel. Vaststaat dat op 5 oktober 2020 in Tiel een mortierbom tot ontploffing is gebracht onder de auto van [slachtoffer 5] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij deze aanslag. Hij werd door [medeverdachte 4] gevraagd om te rijden en zou daarvoor € 150,- krijgen. [medeverdachte 5] is uiteindelijk ook meegegaan. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben in de buurt gekeken, kwamen terug naar de auto en hebben de shell gepakt. Ze gaven aan waar hij met de auto moest wachten. Na het afsteken van de shell kwamen ze terug en zijn ze er samen vandoor gegaan. Hij herkent [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] op de stills van de camerabeelden. [medeverdachte 4] had het adres en de shell bij zich. In de auto spraken ze af hoe er gereden moest worden. [medeverdachte 4] stak altijd de shells aan en [medeverdachte 5] hield de buurt in de gaten. Dit was de eerste aanslag die hij deed tegen [slachtoffer 3] . De verklaring van [medeverdachte 2] - dat hij samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: de ANPR-hits met het voertuig van [medeverdachte 2] die passen bij de reisbeweging naar Tiel en de terugrit vanaf de plaats delict; de camerabeelden waarop twee personen kort voor en rond het tijdstip van de aanslag ter hoogte van [adres 6] lopen (hetgeen past bij de verklaring van [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de omgeving eerst hebben voorverkend voordat de shell werd afgestoken) en de historische verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 5] die ongeveer 10 minuten na de aanslag een mast op 10 minuten rijafstand van [adres 6] heeft aangestraald. [adres 9] Breda ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) Op 8 oktober 2020 omstreeks 00:40 uur is in de brandgang en de daaraan grenzende achtertuin van de woning van de [adres 9] in Breda een mortierbom (shell) tot ontploffing gebracht. [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] (betreft de dochter van [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 7] lagen op dat moment in de woning te slapen. De achtertuin grenst aan een stuk braakliggend terrein. Als gevolg van de explosie is een deel van het afdekzeil van de tuinset, die tegen de omheining stond aan stond, verbrand. Gezien is dat na de knal één persoon wegrende en in een zwarte [auto 3] stapte. De zwarte [auto 3] op naam van [medeverdachte 2] is op 7 oktober 2020 om 23:51 uur het ANPR-systeem op de A27 Meerkerk en op 8 oktober 2020 om 01:07 uur op de A27 Meerkerk gepasseerd. De reistijd vanaf de laatstgenoemde ANPR-locatie naar de Prins Hendrikstraat 47 in Breda is 29 minuten. Vaststaat dat op 8 oktober 2020 in Breda een mortierbom (shell) tot ontploffing is gebracht die voor een deel in de brandgang en voor een deel in de achtertuin van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] terecht is gekomen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag. Hij heeft gereden en zou hiervoor € 150,- krijgen. Hij heeft gezien hoe [medeverdachte 4] een 6 inch shell in de achtertuin heeft laten ontploffen. [medeverdachte 4] is via een gat in de muur op een braakliggend terrein gekomen en kon vanaf daar bij de achtertuin komen. De verklaring van [medeverdachte 2] - dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: de ANPR-hits met het voertuig van [medeverdachte 2] die passen bij de reisbeweging naar Breda en de terugrit vanaf de plaats delict; de getuige die na de knal één persoon ziet wegrennen en instappen in een zwarte [auto 3] (hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij de bestuurder was en op de uitkeek stond en [medeverdachte 4] de shell gooide); de beschrijving die [medeverdachte 2] van de omgeving van de plaats delict geeft (via een gat in de muur bij braakliggend terrein komen) past bij de feitelijke situatie ter plaatse; het type shell dat bij de aanslag is gebruikt. [adres 2] Rosmalen ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) Op 11 oktober 2020 omstreeks 00:30 uur is een mortierbom (shell) bij de voordeur van de woning aan de [adres 2] in Rosmalen tot ontploffing gebracht. [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] lagen op dat moment in de woning te slapen. Als gevolg van de explosie zijn de ruit van de voordeur en het toiletraam naast de deur vernield. [slachtoffer 8] is werkzaam bij [slachtoffer 3] . Op vuurwerkresten is een vingerafdruk van [medeverdachte 4] aangetroffen. Gezien is dat na de knal een zwarte [auto 4] vanaf de Jan Heijmanslaan met hoge snelheid wegreed. De zwarte [auto 5] op naam van [getuige 1] is op 11 oktober 2020 om 00:56 uur het ANPR-systeem op de A27 Nieuwgein gepasseerd. De reistijd vanaf de ANPR-locatie naar de [adres 2] in Rosmalen is 27 minuten. Vaststaat dat op 11 oktober 2020 in Rosmalen een mortierbom (shell) tot ontploffing is gebracht voor de woning van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] bij deze aanslag betrokken is geweest. Hij zat in de auto met [medeverdachte 4] , [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] reed. Hij is samen met [medeverdachte 4] uitgestapt. [medeverdachte 4] stak bij een woning een 3 inch shell aan en hij stond op de uitkijk. Het was een rijtjeshuis met een laag hegje voor de woning. Op de hoek van de rij met woningen was een voetbalveldje met een bankje. In de buurt van de plek van de aanslag was een tankstation gelegen. [medeverdachte 4] stak altijd de shells aan en als er nog iemand anders bij was dan stond diegene op de uitkijk. [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] aan hem vroeg om hem ergens af te zetten. Hij heeft [medeverdachte 4] opgehaald bij station Bussum-Zuid. Daar waren ook [medeverdachte 2] en [getuige 2] . Ze zijn met z’n vieren gaan rijden. [medeverdachte 4] had een rugzak bij zich en zette de route aan. Hij heeft [medeverdachte 4] op de plaats van bestemming bij een BP tankstation afgezet. [medeverdachte 4] is toen met zijn rugzak uitgestapt. [medeverdachte 2] is ook uit de auto geweest. Hij en [getuige 2] zijn in de auto gebleven en een parkeerplaats gaan zoeken. [medeverdachte 4] is ongeveer 30 minuten weggeweest. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft verteld. [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [getuige 1] ergens naartoe ging. Het was niet in Bussum, maar verder weg. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn uit de auto gestapt. De verklaring van [medeverdachte 2] - dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: [getuige 1] en [getuige 2] bevestigen dat ze met zijn vieren in de auto zaten onderweg naar Rosmalen; de ANPR-hits met het voertuig van [getuige 1] passen bij de terugrit vanaf de plaats delict; [getuige 1] en [getuige 2] bevestigen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] de auto uit zijn geweest; [getuige 1] verklaart dat [medeverdachte 4] een rugzak bij zich had en daarmee is uitgestapt; op resten van de shell is een vingerafdruk aangetroffen van [medeverdachte 4] ; de feitelijke beschrijving die [medeverdachte 2] van de omgeving van de plaats delict geeft (nabij een tankstation en er is een voetbalveld op de hoek van de Gerard van Spaendonckstraat); [getuige 1] verklaart ook over het afzetten bij een tankstation; het type shell dat bij de aanslag is gebruikt komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 2] daarover. [adres 8] Tiel ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) Op 28 oktober 2020 omstreeks 00:30 uur is bij de woning aan de [adres 8] in Tiel een mortierbom (shell) tot ontploffing gebracht. [slachtoffer 10] en haar zoontje sliepen op dat moment in de woning. De explosie vond plaats bij de auto die naast de stenen schuur aan de voorzijde van de woning stond geparkeerd. Als gevolg van de explosie is er lakschade aan de auto ontstaan. [slachtoffer 10] is ex-werknemer van [slachtoffer 3] , zijn adresgegevens staan op de werknemerslijst. Camerabeelden van de buren op nr. 11 zijn veiliggesteld. Op die beelden is te zien dat één persoon in de richting van de [adres 8] loopt met een zwarte tas in zijn linkerhand. Enkele seconden later is een explosie te zien gevolgd door nog een explosie en een vuurzee. Kort voor de eerste explosie rent de persoon weg zonder tas. De zwarte [auto 3] op naam van [medeverdachte 2] is op 27 oktober 2020 om 23:53 uur en op 28 oktober 2020 om 00:10 uur het ANPR-systeem op de A15 Deil Oost gepasseerd. De reistijd vanaf de eerstgenoemde ANPR-locatie naar de [adres 8] in Tiel is 23 minuten en vanaf de laatstgenoemde ANPR-locatie 9 minuten. De resten van de vuurwerkbom die op de plaats delict zijn aangetroffen zijn onderzocht. Met grote mate van zekerheid is te zeggen dat het om een mortierbom/shell 6 inch van fabrikant [naam 3] gaat. Resten van een soortgelijke bom zijn aangetroffen bij de aanslag aan de Prins Hendrikstraat in Breda. Vaststaat dat op 28 oktober 2020 in Tiel een mortierbom (shell) tot ontploffing is gebracht voor de woning van [slachtoffer 10] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag. Hij reed en [medeverdachte 4] stak de shell aan. [medeverdachte 2] wist dat hier een werknemer van [slachtoffer 1] woonde. De verklaring van [medeverdachte 2] - dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: de ANPR-hits met het voertuig van [medeverdachte 2] die passen bij de reisbeweging naar Tiel; op de camerabeelden is slechts één persoon te zien (hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij de bestuurder was en [medeverdachte 4] de shell gooide); het type shell dat bij deze aanslag is gebruikt is vermoedelijk hetzelfde als de shell die bij een eerdere aanslag in Breda (8 oktober 2020) is gebruikt, waarvan [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij ook deze aanslag samen met [medeverdachte 4] heeft gepleegd. [adres 7] Vlijmen ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) Op 4 november 2020 omstreeks 23:15 uur is een mortierbom (shell) bij de voordeur van de woning aan de [adres 7] in Vlijmen tot ontploffing gebracht. In de woning waren op dat moment aanwezig [slachtoffer 11] en zijn vrouw. Als gevolg van de explosie zijn de ruiten van de voordeur vernield. Het glas van de ruiten is deels naar binnen geslagen en lag buiten enkele meters over het tuinpad verspreid. Rechts bij de voordeur in de bosschage zat een krater. [slachtoffer 11] is werkzaam bij [slachtoffer 3] . Op de camerabeelden is een lichtflits en knal te zien. Ook is te zien dat kort voor en kort na de aanslag diverse voertuigen passeren. De telefoon van [medeverdachte 4] straalt omstreeks 22:34 uur en 23:20 uur de zendmast [adres 36] in Bruchem aan. Deze mast bevindt zich op ongeveer 12 minuten rijden van de [adres 7] in Vlijmen. Een dag eerder - op 3 november 2020 - omstreeks 00:27 uur is de [auto 3] van [medeverdachte 2] gecontroleerd op het Kronenburgpark in Hedel. Daarin zat [medeverdachte 2] met [medeverdachte 4] . Vaststaat dat op 4 november 2020 in Vlijmen een mortierbom (shell) tot ontploffing is gebracht voor de woning van [slachtoffer 11] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] bij deze aanslag is betrokken. Deze aanslag was eerder op de avond. De rolverdeling was hetzelfde: hij reed en stond verderop bij de heg en [medeverdachte 4] stak de shell aan. Het was een shell 3 die ze van de dag ervoor in Hedel nog hadden. Het moest die avond echt met zijn auto gebeuren, omdat [medeverdachte 4] niemand anders kon vinden. Ze hadden eigenlijk afgesproken om niet meer met zijn auto te gaan, omdat zij de dag voor de aanslag in Hedel waren gecontroleerd waren en zijn auto dus “te heet” was. Ze kregen desondanks de opdracht diezelfde avond. De verklaring van [medeverdachte 2] - dat hij samen met [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij deze aanslag - wordt op de volgende punten ondersteund: de omstandigheid dat zij de dag voorafgaand aan de aanslag in Hedel zijn gecontroleerd; de historische verkeersgegevens die het toestel van [medeverdachte 4] rond het tijdstip van de aanslag in de omgeving van Vlijmen plaatst. Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) de bovengenoemde feiten tezamen en in vereniging hebben gepleegd op de wijze zoals hierna beschreven. Tussenconclusie cluster I Geen poging tot moord, doodslag of zware mishandeling De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de kans dat er mensen zouden komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen onder ogen hebben gezien en aanvaard. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die dat onderbouwen. Zij hebben met andere woorden de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel - zo die er al is geweest - niet op de koop toe genomen. Daarom kan de ten laste gelegde poging tot moord, doodslag en zware mishandeling niet bewezen worden verklaard. Wel opzettelijk een ontploffing teweeg brengen De rechtbank stelt voorop dat het opzet van een verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van de ontploffing en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zwaar en illegaal vuurwerk (waaronder de gebruikte mortierbommen/shells vallen) bij een ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] waren zich hiervan ook bewust. Gemeen gevaar voor goederen De rechtbank is van oordeel dat hun handelen bij uitstek een situatie oplevert waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor de woning (inclusief de inboedel) en objecten in de nabijheid daarvan te duchten was, hetgeen zich ook heeft verwezenlijkt nu uit de vastgestelde feiten volgt dat bepaalde goederen door de ontploffing(
- en)daadwerkelijk (fors) zijn beschadigd of zelfs zijn vernield. Zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar Voor mortierbommen die zonder mortier worden ontstoken, geldt dat deze op de grond tot ontploffing komen. Afhankelijk van het kaliber zullen de brandende delen en andere fragmenten tientallen tot enkele honderden meters worden weggeslingerd. Mortierbommen zijn doorgaans voorzien van een krachtige breek- en/of knallading waardoor personen en objecten in de nabijheid van een dergelijke ontploffing gevaar voor letsel en schade lopen. Afhankelijk van de exacte plaats van treffen en het kaliber van de mortierbom kan dit letsel voor een persoon dodelijk zijn (p. 942-943, map 3). Met betrekking tot de aanslagen gepleegd in Rosmalen (11 oktober 2020) en Vlijmen (4 november 2020) is de rechtbank van oordeel dat gelet op: het tijdstip waarop de ontploffing teweeg is gebracht (in de nachtelijke uren); het feit dat de bewoners in de woning aanwezig waren (en sommigen vanwege het tijdstip al lagen te slapen); het kaliber van het gebruikte explosief (3 of 6 inch shell); de locatie waar de mortierbom tot ontploffing is gebracht (dicht bij of in de woning, ter hoogte van voordeur en/of een raam) en de kracht die af te leiden is uit de schade, naar algemene ervaringsregels gemeten voor hen voorzienbaar moet zijn geweest dat door hun handelen levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning te duchten was. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt dat bij de aanslagen zoals die zijn gepleegd (ver van zijn woning, in de nachtelijke uren, met gebruikmaking van mortierbommen en in een samenstelling die in kern bestond uit minimaal twee dezelfde personen met soms een derde persoon erbij) sprake was van een gezamenlijke organisatie. Daarbij is een en ander gepland en met elkaar afgestemd met een gemeenschappelijk doel, namelijk [slachtoffer 3] afpersen door bij de woningen van haar (ex-)werknemers en familieleden aanslagen met mortierbommen te plegen. De bijdrage van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aan het tenlastegelegde is telkens van zodanig gewicht geweest - en nam bovendien in gewicht toe door aanslagen te blijven plegen - dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Er was sprake van een duidelijke rolverdeling, waarbij [medeverdachte 2] de chauffeur was, [medeverdachte 4] het explosief meenam, [medeverdachte 4] alleen of met [medeverdachte 5] het explosief aanstak en gooide en [medeverdachte 2] op de uitkijk stond. De (vlucht)auto werd altijd op een strategische plek (aan het eind van de weg/op een kruising) neergezet en in sommige gevallen was ook nog eerst sprake van een gezamenlijke voorverkenning. Zij zijn daarmee telkens ieder een onmisbare schakel bij het tenlastegelegde geweest. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen hen die in de kern bestond uit een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen telkens bewezen. [adres 5] Hilversum ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) De rechtbank gebruikt de volgende telefoongesprekken voor het bewijs. Gesprek op 21 december 2020 tussen [medeverdachte 4] (M) en [medeverdachte 5] (A) 15:02 uur: [medeverdachte 4] wgd (wordt gebeld door) [medeverdachte 5] . M: ben je langs BUSSUM ... -ntv- geweest vandaag? A: ja man M: heb je die dingen aangeraakt? A: nee man M: maar heb je gekeken of ze er waren? A: ja ik heb hem verplaatst, ik ben gisteren ge - uh, ik ben gegaan alles M: watte? A: he waar ben je waar ben je? M: he maar uh, ik ben bij de Lidl, maar waar zijn die dingen bro wacht effe is belangrijk nu A: ze zijn daar M: nog steeds daar? A: ja M: maar precies op dezelfde plek of wat zeg je nu... verplaatst zeg je A: ja gewoon maar daar, daar naast, ik heb 'm gewoon beter dicht gedaan en zo, die zak M: maar euh, als ik daar naar toe ga dan kan ik ze gelijk / zeker zien? A: ja die zie je gewoon, bij die euh, bij die euh bo-uh, bij die boom M: ja, ja ja ja ja, bij die boom (fon) A: is een beetje onder de blaadjes, je weet wel M: ja ja ja is goed, perfect. Maar dus ]e hebt net gezien dat ze daar waren? A: nee heb ik niet gezien maar waarschijnlijk wel, ga maar kijken, ik heb ze goed verstopt (fon) M: waar ben jij nu dan? A: thuis M: nou oké is goed, dan zie ik je over een uur zo, goed? (…) A: jo, he, jo ik kan nog he M: he? A: ik kan uh kan nog M: eeeeuh ja maar ik heb anders A: ..(ntv)... gisteren was een probleem gebeurd M: echt waar? A: ja echt waar, gewoon daar M: nou is goed dan, ik spreek je zo meteen ja (…) 15:04 uur: [medeverdachte 4] (
- sh)wgd (wordt gebeld door) [medeverdachte 5] [medeverdachte 4] : ja [medeverdachte 5] : he, je kan ook doorgeven als je wilt, zeg tegen hem; hij zag dat het raam open stond maar daar waren mensen binnen [medeverdachte 4] : maar is dat ook echt zo? [medeverdachte 5] : ja, ik trof een open raam, daar waren mensen, om 3 uur in de nacht (…) 15:12 uur: [medeverdachte 4] belt uit met [medeverdachte 5] Begroeting [medeverdachte 4] vraagt waar [medeverdachte 5] is. [medeverdachte 5] is thuis [medeverdachte 4] vraagt hoe snel [medeverdachte 5] achter Lidl kan komen. [medeverdachte 5] zegt 5 minuten. [medeverdachte 4] zegt wel snel want ik moet eigenlijk weer door, maar dan heb ik jou gezien en gesproken. [medeverdachte 5] vraagt wat er is want het regent [medeverdachte 4] zegt dat het ook later kan, dan gaat hij nu gewoon bewegen. [medeverdachte 5] vraagt waar [medeverdachte 4] heen moet. [medeverdachte 4] zegt gewoon hier in de buurt. A: maar heb je (wat) geregeld dan? M: ja ja maar we moeten toch nog over wat anders praten, over euh vanavond A: over wat? M: over die van vanavond wat je net tegen mij zegt toch A: ja ja ja jongen ik kom wel naar uh achter Lidl (…) De telefoon in gebruik bij [medeverdachte 5] ( [telefoonnummer 9] ) maakt op 20 december 2020 om 02:36 uur gebruik van een zendmast op de [adres 37] in Hilversum. De afstand tussen de zendmast en de [adres 5] in Hilversum is ongeveer 574 meter. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] een afspraak maken om elkaar die middag bij de Lidl te ontmoeten. Ze moeten dan praten ‘over vanavond’ en ‘over wat je net tegen mij zei’ zegt [medeverdachte 4] . Dat laatste slaat dan kennelijk terug op de twee eerdere gesprekken om 15:02 uur en 15:04 uur. In die gesprekken laat [medeverdachte 5] weten dat hij die middag in Bussum is geweest, de zak nog steeds goed verstopt lag bij de boom onder blaadjes en hij dat aan ‘hem’ moet laten weten. Ook geeft [medeverdachte 5] aan dat hij nog steeds kan, dat het raam open stond om 03:00 uur ’s nachts en er mensen in de woning waren. De telefoon van [medeverdachte 5] straalt die nacht een mast aan die bereik heeft op het adres aan de Kapelstraat in Hilversum. Daar waar [medeverdachte 5] nu ineens weer beschikbaar is - tot verrassing van [medeverdachte 4] omdat hij eerder om een of andere reden was verhinderd - laat [medeverdachte 4] weten ‘eeeuh maar ik heb anders’ (de rechtbank begrijpt: ik heb inmiddels iets anders geregeld). In dat verband acht de rechtbank de volgende gesprekken van eerder die middag van belang: Gesprek op 21 december 2020 tussen [medeverdachte 4] (M) en [medeverdachte 12] (NNM) 13:43 uur [medeverdachte 4] wgd (wordt gebeld door) NNM NNm zegt dat [medeverdachte 4] over 3 minuten terug belt. [medeverdachte 4] vraagt of NNM weet of ie komt. NNM zegt bel me over max 5 minuten terug 13:47 uur [medeverdachte 4] (sh ngd) bum NNM8927 Na begroeting: M: luister dan, als je wilt kan je deze kant opkomen vanavond of straks wanneer dat jij denkt uh ik ga dan geef ik je die dinge, geef ik je die adres, kun je gaan NNM: oké maar luister dan M: ja NNM: wanneer krijg ik uitbetaald (Opm tolk: ik hoor "wie krijgt uitbetaald?" M: gelijk als je terug komt gelijk NNM: zeker M: direct direct NNM: [medeverdachte 4] ! M: ja NNM: ik weet hoe je bent ook he M: he NNM: ik weet hoe je bent ook he M: direct direct direct maar je moet zeker weten dan NNM: he? M: je moet zeker weten begrijp je NNM: ja toch M: nee klaar als je tegen mij zeker zegt gelijk hoe je terug komt, ik ben gewoon direct met jou NNM: maar wat .. (-ntv / opm tolk: het klinkt als: 'word het ge-uh gepaaid door die BO" of zo?) M: nee nee broer, niks niks niks niks niks broer, ik ga je zo meteen als je hier bent ga ik je uitleggen ja. maar je moet tegen mij zeggen of Je gaat -ntv-, dat is het NNM: [medeverdachte 4] , ik ga sowieso M: ja sowieso je gaat sowieso vandaag? NNM: ja M: prima, is goed broer, ik ga nu alles voor je klaar leggen NNM: ja toch M: goed? NNM: ja is goed, rustig (fon) M: nee is niks linksom, rechtsom, ik zweer het je op de Islam broer, gelijk, hoe je gaat gelijk maar moet goed gebeuren, dat is het wel. Hij moet goed gebeuren. NNM: maar hij gaat goed gebeuren toch M: dan hoe je terugkomt, het ligt er voor je, ik zweer het je, gelijk NNM: moloto euh wat wil je precies? M: wat dan / watte? (fon) NNM: wat wilde je precies, wat moest er gebeuren precies, wat wilde je, molotov, wat was het? M: niks ik ga je zo, ik ga je zo precies (lacht) uitleggen als je uh nou uh je komt vanavond gewoon deze kant op of zo NNM: ja man M: perfect dan heb ik hem gewoon klaar voor je, ga ik je precies uitleggen hoe of wat en dan eh ja dan is het in principe dan is het helemaal aan jou hoe je hem zet en zo, hoe laat of wat dan ook, snap je NNM: ja toch M: nee, nou prima dan, dit is jouw nummer? NNM: ja M: euh hoe laat kan ik je verwachten, rond hoe laat heb je tijd? NNM: bro ga van 8 uur uit, maar het is in Hilversum? M: ja t is in Hilly [= Hilversum] t is in Hilly [= Hilversum] (…) M: ik bel je maar kan ik op je rekenen vanavond of niet? NNM: ja oke prima Op de telefoon van [medeverdachte 4] is op 21 december 2020 om 13:33 uur via Google en Google Maps de [adres 5] in Hilversum opgezocht. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 4] met dat ‘anders’ wat hij voor die avond had geregeld kennelijk doelt op een persoon: [medeverdachte 12] . Uit de gesprekken volgt dat als [medeverdachte 12] weet dat als hij komt hij van [medeverdachte 4] ‘die dingen en een adres’ krijgt en er wordt gesproken over de betaling. Als [medeverdachte 12] vervolgens aan [medeverdachte 4] vraagt of het met een molotov moet geeft [medeverdachte 4] aan dat hij het hem precies gaat uitleggen. [medeverdachte 4] laat wel alvast aan [medeverdachte 12] weten dat hij zelf mag weten hoe hij hem zet en hoe laat en dat het in Hilly (Hilversum) is. Daarbij is opvallend dat 10 minuten voor het eerste gesprek met [medeverdachte 12] op het toestel van [medeverdachte 4] het adres de [adres 5] in Hilversum wordt opgezocht. Later die dag (21 december 2020) gaat het contact tussen [medeverdachte 4] (M/ [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 12] (NNM8927) verder. 16:43 uur NNM: ik ga nu naar die compa (fon) van me en ga ik met hem praten M: oh uh je bent nog niet zeker? NNM: jawel M: ja NNM: maar ik moet even horen wat die man te zeggen heeft M: ja toch nou is goed, ja ik reken op je alles is ready hier (fon) NNM: ja toch, is goed maak je niet druk M: oke is goed, soldaat. 19:01 uur [medeverdachte 4] sh / [medeverdachte 4] ngd wgd (wordt gebeld door) NNM8927 NNM8927: jo jo [medeverdachte 4] : waar (ben jij), G! NNM8927: faka [= hoe is het] [medeverdachte 4] ? [medeverdachte 4] : hoe laat ga ik je zien? NNM8927: luister neffo, ik moet even naar Groningen, man [medeverdachte 4] : ja? NNM8927: ja maar voor euh, ja, niet voor een vijf
(5)barkie [= honderd], snap je [medeverdachte 4] : eee, dus je bent vanavond niet aanwezig NNM8927: dat wil ik niet zeggen, kan het ook om elf
(11)uur of zo? [medeverdachte 4] : ja dat is ook top, is perfect als je daarheen (fon) kan NNM8927: ja toch, ... gewoon snel kan gebeuren dan kan je 'm (fon) vandaag / vannacht (fon) nog zien, snap je maar moet je wakker blijven [medeverdachte 4] : hoe laat, hoe laat kan je terug zijn, maar je moet me zeggen bro, ik zweer het je, ik moet zeker weten snap je, dat is het NNM8927: daarom, ik ga voor je uh op een missie man! [medeverdachte 4] : heeee ja NNM8927: daarom, ik zweer het je [medeverdachte 4] : nou wat denk je, denk je dat je vanavond nog kan of niet? Eerlijk NNM8927: ja ik denk van wel [medeverdachte 4] : ja? nou is goed, dan timer [= wacht] ik gewoon op je broer, ik ben gewoon actief NNM8927: anders kan ik ook een kleine soldaat van me naar je toe sturen [medeverdachte 4] : ja NNM8927: nou die doet het ook maar ja ik wil het liever zelf doen, die vier (fon) barkie is voor mij mooi snap je, vier (fon) barkie de man, snel snel [medeverdachte 4] : bro kijk, weet je wat het is, voor mij moet gewoon vandaag gebeuren, dat is het, ik zweer het je, het moet echt vandaag NNM8927: oke ja ja je hebt iemand ... (ntv / klinkt als 'de tijd') of zo? [medeverdachte 4] : ik ga je uh daarom, als je hier was dan zou ik je precies uitleggen hoe en wat NNM8927: gewoon een hoerenzoon of zo? [medeverdachte 4] : ja zoiets NNM8927: ha! zoiets of niet [medeverdachte 4] : maar luister, zie ik je vandaag of niet broer? NNM8927: nou dat is niet zeker [medeverdachte 4] , ik kan jou nu zeggen ja nee maar ik weet niet zeker [medeverdachte 4] : ja je weet niet, je weet niet, euhm NNM8927: anders kan ik iemand wet sturen naar je, daarom, dat is de torie [= oa het geval / verhaal] (…) 22:32 uur (…) NNM8927: kijk, voor wanneer moet die torie [= dinges, geval] gedaan worden, hoe laat? [medeverdachte 4] : in ieder geval gewoon vandaag (…) NNM8927: maar euh is een huis van mensen of niet? [medeverdachte 4] : ja ja (…) NNM8927: voor acht
(8)barkie zou ik komen maar ja toen kreeg ik wat anders in mijn hand geschoven [medeverdachte 4] : ja broer, meer dan dat kan ik er niet van maken, je weet toch (…) [medeverdachte 4] : ja is bij een huis ja NNM8927: ja zijn gewoon osso [= thuis/huis] (lacht) [medeverdachte 4] : ja ja oh uh tenminste, kijk als die mensen beneden zijn dan hoeft het niet, je weet toch (…) NNM8927: is het jouw torie [= geval, ding, verhaal] gewoon? [medeverdachte 4] : ja ja mijn, mijn torie [= geval, ding, verhaal] NNM8927: haha [medeverdachte 4] , met wie heb jij beef (fon) [= ruzie, conflict] gemaakt? [medeverdachte 4] : nee broer, je gaat uh, bro als ik je ga uitleggen, ga je blij zijn, je weet toch, je gaat het begrijpen (…) NNM8927: ik ben misschien pas vier
(4)uur terug in de buurt (…) 23:15 uur [medeverdachte 4] geeft aan dat het ‘al wordt gefixt’. Tussenconclusie De rechtbank leidt uit al het voorgaande af dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de intentie hadden om op het adres aan de [adres 5] in Hilversum een ontploffing teweeg te brengen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. [medeverdachte 5] was in de nacht van 20 december 2020 in Hilversum en koppelt in dat verband aan [medeverdachte 4] terug dat het raam open stond en er om 03:00 uur ’s nachts mensen in de woning waren. Ook geeft [medeverdachte 5] aan dat [medeverdachte 4] dat aan iemand moest doorgeven. Die ‘iemand’ slaat naar het oordeel van de rechtbank gelet op de communicatie op [medeverdachte 12] die hij in plaats van [medeverdachte 5] als ‘soldaat’ voor de aanslag had geronseld. [medeverdachte 5] was immers in eerste instantie verhinderd. [medeverdachte 4] laat vervolgens aan [medeverdachte 12] weten dat hij hem die dingen en het adres zal geven. Daarbij zoekt [medeverdachte 4] kort voor dat gesprek het adres [adres 5] in Hilversum op. Daaruit leidt de rechtbank af dat de aanslag op dat adres moest plaatsvinden, wat ook weer past bij de voorverkenningen op de 20e waarbij [medeverdachte 5] in de nachtelijke uren - zonder aannemelijke verklaring daarvoor - in de omgeving van de [adres 5] wordt geplaatst en informatie terugkoppelt. Door [medeverdachte 4] is tevens een geldbedrag aan [medeverdachte 12] in het vooruitzicht gesteld waarbij werd gesproken over bedragen tussen de € 400,- en € 800,- (vier en acht ‘barkie’), want meer kon [medeverdachte 4] er niet van maken. Daar waar in de communicatie wordt gesproken over ‘die dingen’ en een molotov gaat de rechtbank er gelet op de modus operandi (bij de eerdere aanslagen waarbij [medeverdachte 4] was betrokken) van uit dat wordt gesproken over mortierbommen (shells). [medeverdachte 5] heeft in dat verband de locatie waar de shells lagen - onder de blaadjes bij een boom bij de Lidl in Bussum - voor [medeverdachte 4] gecontroleerd en heeft de shells veiliger opgeborgen. Conclusie Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om te kunnen spreken van een strafbare voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing. Wel acht zij wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot uitlokking van [medeverdachte 12] door hem middels geld, inlichtingen (het adres) en middelen (mortierbommen) ertoe te bewegen een ontploffing teweeg te brengen. Ten aanzien van [medeverdachte 5] kan niet worden bewezen dat hij een zodanig wezenlijke bijdrage heeft geleverd dat kan worden gesproken van medeplegen van een poging tot uitlokking. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij door de woning voor te verkennen en te controleren of de shells nog op de verstopplek lagen daaraan medeplichtig is geweest. Met betrekking tot cluster II De rechtbank overweegt dat zij [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] verantwoordelijk acht voor het opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen op de volgende adressen. De rechtbank leidt dat af uit het volgende. [adres 3] Kerkdriel ( [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] ) Op 23 november 2020 omstreeks 02:05 uur is een explosief nabij een raam van de woning (van een ex-medewerker van [slachtoffer 3] ) aan de [adres 3] in Kerkdriel tot ontploffing gebracht. Het betrof het raam van de slaapkamer op de begane grond waar [slachtoffer 12] en [slachtoffer 1] op dat moment lagen te slapen. Als gevolg van de explosie is de buitenzijde van het raam (dat bestond uit dubbelglas) vernield. Ook is een gat geslagen in de zinken dakgoot en zat een deuk in het linker achterportier van de nabij geparkeerde auto. Op de camerabeelden is te zien dat twee personen, waarvan een persoon een plastic tas in zijn handen heeft, voor de woning staan. Er wordt vervolgens een voorwerp in brand gestoken en in de richting van de voorgevel gegooid. Ook is op diverse tijdstippen van 01:27 uur - 01:36 uur en 02:00 uur een lichtkleurige kleine personenauto waarneembaar in de omgeving van voornoemd adres. De carrosserievorm van de auto is het meest kenmerkend voor een [auto 6] . De grijze [auto 6] op naam van [medeverdachte 9] verplaatst zich op 23 november 2020 vanaf 00:07 uur vanuit Hilversum - met twee tussenstops op twee tankstations (00:26 uur [naam 4] en 00:51 uur [naam 5] ) - langs de A27 naar de [adres 38] in Kerkdriel omstreeks 02:01 uur. Op de camerabeelden van [naam 4] en [naam 5] zijn de drie inzittenden van de [auto 6] te zien. [medeverdachte 9] is herkend als de bestuurder, [medeverdachte 11] als bijrijder (voorin) en [medeverdachte 10] als bijrijder (achterin). Om 00:47 uur is door de gebruiker van de telefoon van [medeverdachte 10] gezocht op het adres [adres 3] in Kerkdriel. Vaststaat dat op 23 november 2020 in Kerkdriel een mortierbom (shell) tot ontploffing is gebracht nabij het raam van de woning van [slachtoffer 12] en [slachtoffer 1] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij twee personen met de auto naar Kerkdriel heeft gebracht. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij door een jongen was benaderd om voor € 200,00 een pakketje voor een woning in Kerkdriel te gooien. Hij heeft toen dat pakketje voor de woning in Kerkdriel gegooid. Het pakketje zat in een witte dichtgeknoopte plastic zak en had een lont. Hij weet niet of daar ook een steen in zat. Een andere persoon heeft de lont aangestoken. Met zijn telefoon is naar de locatie genavigeerd. [medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij het lont heeft aangestoken. Daarna is hij omgedraaid en weggerend. Hij vermoedde dat het vuurwerk was vanwege het lont. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] , namelijk het gezamenlijk voorverkennen van (de omgeving van) de woning, waarna het lont van een zwaar explosief (shell) is aangestoken terwijl zij voor een woning stonden en deze vervolgens naar de woning is gegooid, naar de uiterlijke verschijningsvormen gericht zijn geweest op het teweegbrengen van een ontploffing. [adres 4] Hedel ( [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] ) Op 25 november 2020 omstreeks 03:00 uur is een explosief nabij een raam van de woning aan de [adres 4] in Hedel tot ontploffing gebracht. Het betrof het raam van de voorkamer op de begane grond. De broers [slachtoffers 1] lagen op dat moment in de woning op de eerste verdieping te slapen. Als gevolg van de explosie is brand ontstaan en is de woning in zeer korte tijd volledig afgebrand. Ook lag er glas in de tuin tot op 23 meter vanaf de voorgevel van de woning. De broers [slachtoffers 1] zijn vanwege de brand en rookontwikkeling uit een raam vanaf de eerste verdieping naar beneden gesprongen. Daarbij heeft [slachtoffer 13] letsel opgelopen waaronder in elk geval diepe snijwonden, tweedegraads brandwonden en een polsfractuur waarvoor operatief ingrijpen nodig was. De broers [slachtoffers 1] hebben beiden bij [slachtoffer 3] gewerkt. De grijze [auto 6] op naam van [medeverdachte 9] verplaatst zich die nacht vanaf 00:17 uur vanuit Hilversum - met tussenstops bij een parkeerplaats in Utrecht (00:33 uur) en een tankstation in Nieuwegein (00:55 uur) - rechtstreeks naar de [adres 39] in Hedel. Daar staat het voertuig om 01:25 uur 12 minuten stil. Vervolgens rijdt het voertuig terug naar de A2 richting het noorden en stopt om 02:10 (tot 02:49 uur) in Bruchem bij een tankstation (Shell De Lucht). Daarna rijdt het voertuig weer terug naar Hedel en stopt van 03:01 uur tot 03:11 uur bij de [adres 40] . Hierna verplaatst het voertuig zich naar Hilversum en stopt om 03:51 uur ter hoogte van de [adres 41] (GBA-adres [medeverdachte 10] ) en om 3:58 uur ter hoogte van de [adres 42] nabij het GBA-adres [medeverdachte 9] . Op de camerabeelden van [naam 5] en [naam 6] is de bestuurder en de bijrijder van voornoemde [auto 6] te zien. [medeverdachte 9] is herkend als de bestuurder en [medeverdachte 10] als de bijrijder. Die nacht is om 00:42 uur door de gebruiker van de telefoon van [medeverdachte 10] gezocht op het adres [adres 4] in Hedel. Vaststaat dat op 25 november 2020 in Hedel een mortierbom (shell) tot ontploffing is gebracht nabij het raam van de woning van de broers [slachtoffers 1] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wie hierbij betrokken is geweest. [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij iemand naar Hedel heeft gereden. Hij is die avond twee keer in Hedel geweest. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij het geld voor Kerkdriel niet kreeg en daarom de volgende dag de jongen heeft opgebeld met wie hij naar en van Kerkdriel was gereden, omdat hij zijn geld wilde. De jongen reageerde eerst niet en vroeg later of hij meer wilde verdienen. Hij zei in eerste instantie ‘nee’ en maakte een afspraak met die jongen. Hij stapte bij die jongen in de auto. Terwijl ze in de auto aan het discussiëren waren over het geld reed de jongen richting Hedel. De jongen gaf aan dat ze naar Hedel reden en dat daar weer een pakketje naar een woning moest worden gegooid. Dat [medeverdachte 9] bij de aanslagen in Kerkdriel en Hedel betrokken is geweest, wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het volgende. De auto van [medeverdachte 9] (de [auto 6] met kenteken [kenteken 5] ) was voorzien van OVC-apparatuur (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie)). Op 8 december 2020 wordt het volgende gesprek tussen [medeverdachte 9] (aangeduid als [medeverdachte 9] ) en een zekere [medeverdachte 13] opgenomen: 17.36.16 uur N= [medeverdachte 9] A= [medeverdachte 13] (…) N: ik heb ook een goeie klusje A: wat dan? N: ja... la boemba A: Hoezo? N: een roodje maar dan moeten we hem gedeeld door 3 doen A: hoezo roodje N: hier ver uit de buurt maar ik zeg je eerlijk het is leuk hoor, het is echt leuk A: leuk of lijp? N; lijp en leuk A: waar is... (ovs) is het een shell? Waar? N: gewoon niet in de buurt, ik zeg eerlijk ik heb twee keer eerder gedaan, toen heb ik niet echt goed... A: gewoon 3 barkies zeg maar N: toen heb ik minder gekregen. Waarom, ik moest me bewijzen (…) A: en die mensen? N: leven A: ... (ovs) weet niet N: boeit mij niet, als ik maar geld krijg A: door een huis N: ja A: en die mensen dan N: ja A: misschien zijn ze dood he? N: nee, nee, nee, ik heb…-(ovs) A: het kan echt dat. N: nee, nee.. nee... (ovs) deel aan A: waarom zou je dat doen? N: ja is gewoon uhh ... (ovs) geld.. is 5 minuten gewoon, ik doe bijna eigenlijk niks he jij zit eigenlijk naast mij, die [naam 7] (fon) die doet de rest A: ja, je hebt gewoon... N: jij kan ook meegaan als je wilt maar ja dat is aan jou, jij kan ook gooien A: gewoon baksteen, hij gooit shell N: ja hij legt hem erin. A: ja N: ja maar bro, daarna ik sta 10 meter verderop gewoon, deze auto ...(ovs) racen (…). Dit gesprek kan niet anders worden uitgelegd dan dat [medeverdachte 9] tegenover [medeverdachte 13] samengevat o.a. verklaart dat hij zelf twee keer eerder tegen betaling betrokken is geweest bij een aanslag met een boemba/shell op een huis met mensen erin, dat hij zich de eerste keer moest bewijzen zodat hij toen minder betaald kreeg dan de tweede keer, en dat hem die mensen in het huis niet boeien, zolang hij zijn geld maar krijgt. Van betrokkenheid door [medeverdachte 9] bij andere aanslagen dan Kerkdriel en Hedel is op geen enkele wijze is gebleken, zodat dit gesprek door de rechtbank als bewijs wordt gebruikt voor dit feit. Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] de bovengenoemde feiten tezamen en in vereniging hebben gepleegd op de wijze zoals hierna beschreven. Tussenconclusie cluster II Geen poging tot moord, doodslag of zware mishandeling De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] de kans dat er mensen zouden komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen onder ogen hebben gezien en aanvaard. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die dat onderbouwen. Zij hebben met andere woorden de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel - zo die er al is geweest - niet op de koop toe genomen. Daarom wordt de ten laste gelegde poging tot moord, doodslag en zware mishandeling niet bewezen verklaard. Wel opzettelijk een ontploffing teweeg brengen De rechtbank herhaalt het uitgangspunt dat het opzet van een verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van de ontploffing en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zwaar en illegaal vuurwerk (waaronder de gebruikte mortierbommen/shells vallen) bij een ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen. [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] waren zich hiervan ook bewust. Gemeen gevaar voor goederen De rechtbank is van oordeel dat hun handelen bij uitstek een situatie oplevert waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor de woning (inclusief de inboedel) en objecten in de nabijheid daarvan te duchten was, hetgeen zich ook heeft verwezenlijkt nu uit de vastgestelde feiten volgt dat bepaalde goederen door de ontploffing(en) daadwerkelijk (fors) zijn beschadigd of zelfs zijn vernield. Zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar Voor mortierbommen die zonder mortier worden ontstoken, geldt dat deze op de grond tot ontploffing komen. Afhankelijk van het kaliber zullen de brandende delen en andere fragmenten tientallen tot enkele honderden meters worden weggeslingerd. Mortierbommen zijn doorgaans voorzien van een krachtige breek- en/of knallading waardoor personen en objecten in de nabijheid van een dergelijke ontploffing gevaar voor letsel en schade lopen. Afhankelijk van de exacte plaats van treffen en het kaliber van de mortierbom kan dit letsel voor een persoon dodelijk zijn (p. 942-943, map 3). Met betrekking tot de aanslagen gepleegd in Kerkdriel (23 november 2020) en Hedel (25 november 2020) is dat rechtbank van oordeel dat gelet op: het tijdstip waarop de ontploffing teweeg is gebracht (in de nachtelijke uren); het feit dat de bewoners in de woning aanwezig waren (en sommigen vanwege het tijdstip al lagen te slapen); het kaliber van het gebruikte explosief (3 of 6 inch shell); de locatie waar de mortierbom tot ontploffing is gebracht (dicht bij of in de woning, ter hoogte van voordeur en/of een raam) en de kracht die af te leiden is uit de schade, naar algemene ervaringsregels gemeten voor hen voorzienbaar moet zijn geweest dat door hun handelen levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning te duchten was. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat gelet op de logistiek en planning die komt kijken bij aanslagen zoals die zijn gepleegd (ver van de woning van [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] , in de nachtelijke uren, met gebruikmaking van mortierbommen en in een samenstelling die in kern bestond uit minimaal twee dezelfde personen met soms een derde persoon erbij), het niet anders kan dan dat er sprake is geweest van een gezamenlijke organisatie. Daarbij is een en ander gepland en met elkaar afgestemd met een gemeenschappelijk doel, namelijk de firma [slachtoffer 3] afpersen door bij de woningen van haar (ex-) werknemers en familieleden aanslagen met mortierbommen te plegen. Er was tussen [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] sprake van een duidelijke rolverdeling, waarbij iemand de chauffeur was, het explosief meenam, een rol had bij het aansteken/gooien van het explosief en/of op uitkijk stond, of een combinatie van het voorgaande. De (vlucht)auto werd altijd op een strategische plek (aan het eind van de weg/op een kruising) neergezet en in sommige gevallen was ook nog eerst sprake van een gezamenlijke voorverkenning. [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] zijn daarmee telkens ieder een onmisbare schakel bij het tenlastegelegde geweest. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen hen die in de kern bestond uit een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. [adres 5] Hilversum 16-17 december 2020 ( [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] ) Het voertuig van [medeverdachte 9] ( [auto 6] met kenteken [kenteken 5] ) was voorzien van OVC-apparatuur (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie). De rechtbank gebruikt de volgende OVC-gesprekken voor het bewijs. Het gaat om gesprekken die plaatsvinden op 16 december 2020 tussen [medeverdachte 9] (aangeduid als [medeverdachte 9] ) en [medeverdachte 10] : 00:35 uur: - [medeverdachte 9] : waar is die oso precies - [medeverdachte 10] : … ovs Den Dolder - [medeverdachte 9] : nee die die die boemba - [medeverdachte 10] : ooh wacht Kapelstraat (…) - [medeverdachte 9] : ja ja ik weet precies, je moet dat hele straatje gaan uitrennen man - [medeverdachte 10] : ja de Kapelstraat ga ik helemaal uitrennen - [medeverdachte 9] : ik ga ff bedenken waar ik ga staan, waar geen cammies (fon) staan man (…) Jij gat gewoon bij mij, je gaat gewoon bij mij oso eruit, we gaan gewoon naar mij… ik bel.. ik parkeer mijn auto nooit voor de deur (…) nee nee we lopen gewoon, kijk ik heb een heel goed idee, ik zat te denken want jij zei al achter lange straat, ik zat ff na te denken waar ik ga staan. Kapelstraat. Je blijft gewoon de weg ja toch dan die straatje daarna, wah zo zo die Koningstraat, zo heet dat toch daar achter? - [medeverdachte 10] : daarom dacht ik gelijk bij de Koningstraat daar laatste … (ovs) soort van straatje gelijk in. Daar sta jij (…) - [medeverdachte 9] : naar de Eikbosseweg, ja - [medeverdachte 10] : kijk als je de Bosstraat (fon) uitrijdt, naar links en dan rechts, daar heb je een straatje (…) Geen oso geen cammie (…) Ja maar ik dacht van dat we gelijk doen. Dan rijden we, jij rijdt Pieter Hooglaan (fon) uit anders (…) Jij rijdt Pieter de Hooglaan uit … (ovs) en uiteindelijk rijden we gewoon de snelweg op en gaan we naar Amersfoort toe. 01:00 uur: - [medeverdachte 9] : waarom bel je kankerhond - [medeverdachte 10] : (…) alsjeblieft, broer ik moet het vanavond doen gast - [medeverdachte 9] : kan je niet met papier verlengen? Want die lont is gevoelig toch? - [medeverdachte 10] : ja maar als ik m gooi - [medeverdachte 9] : wol, je moet wol hebben, wol, iets wat langzaam brand en niet uitgaat - [medeverdachte 10] : ja man als je die door de raam heen gooit … (ovs) afgaat.. (ovs) - [medeverdachte 9] : als je m door die raam heen gooit kan het ook zijn … (ovs) knalt. 01:06 uur: - [medeverdachte 9] : ja ik zeg eerlijk, ik ben soldaat, als ik uh ja je Ballo had (…) Roken we een jonko bij mij thuis en gaan we gewoon rustig aan, je weet toch en dan ga je gewoon rustig naar oso lopen - [medeverdachte 10] : zodra die bakkie is gegooid en shell er in zit dan moet je eigenlijk al weg zijn, dan moet je al in de auto zitten… - [medeverdachte 9] : weet ik weet ik, maar je moet zo zien he die straat is sowieso fucked up voor mij. Je moet zo zien he het is onze eigen stad he bro, ik rij met deze auto gewoon in de buurt snap je, ik werk (…) 01:15 uur: - [medeverdachte 10] : die grote straten worden heet - [medeverdachte 9] : ja daarom, daarom wil ik.. dit is 1 minuut rijden snap je - [medeverdachte 10] : want kijk, de politie komt sowieso gaat sowieso via Emmastraat want dat is het makkelijkste voor hun, hun willen sowieso gelijk deze zone gewoon gelijk rond hebben dat als wij uitrijden, dan komen we tegemoet. 01:27 uur: - [medeverdachte 10] : [adres 43] , oke 450 meter ja (…) - [medeverdachte 9] : ik ga u die Zeshoven laten zien - [medeverdachte 10] : bro stil alsjeblieft, dat is 500 meter zelfs, ik heb je nog gegund met 50 meter he (…) Oke Kapelstraa