RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummer: AWB 20/451 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaak tussen [eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2017. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 augustus 2019 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2021. Namens eiseres is [naam 1] verschenen, bijgestaan door [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5]. Namens verweerder zijn [naam 6], [naam 7] en [naam 8] verschenen. Bij brief van 8 februari 2022 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek is heropend en heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De schriftelijke reacties zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Overwegingen Inleiding 1. Eiseres is een ondernemingspensioenfonds. In deze zaak is de vraag aan de orde of eiseres als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn kan worden aangemerkt. Het Nederlandse pensioenstelsel 2. Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers: het wettelijke basispensioen, een pensioenregeling vanuit de werkgevers en vrijwillige (individuele) pensioenvoorzieningen. De tweede pijler van het pensioenstelsel is vastgelegd in de Pensioenwet. 3. De Pensioenwet maakt onderscheid tussen bedrijfstakpensioenfondsen en ondernemingspensioenfondsen. Een bedrijfstakpensioenfonds is een pensioenfonds ten behoeve van een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak. Een ondernemingspensioenfonds is een pensioenfonds dat is verbonden aan een specifieke onderneming of een groep van ondernemingen. 4. Een werkgever dient een nieuwe werknemer te informeren of hij een aanbod doet tot het sluiten van een pensioenovereenkomst. De pensioenovereenkomst kan een uitkeringsovereenkomst, een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst zijn. Een uitkeringsovereenkomst betreft de overeenkomst over een vastgestelde pensioenuitkering. Een premieovereenkomst betreft een overeenkomst over een vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering. Een kapitaalovereenkomst betreft een overeenkomst met een vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering. 5. Een werkgever brengt een pensioenovereenkomst onder bij een pensioenuitvoerder of pensioeninstelling door onmiddellijk met de pensioenuitvoerder of pensioeninstelling een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten en in stand te houden. Deze verplichting geldt niet bij de uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds waarbij de werkgever gehouden is tot naleving van de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds en waarbij een uitvoeringsreglement door het bedrijfstakpensioenfonds is opgesteld dat aan de wettelijke vereisten voldoet. De pensioenuitvoerder stelt een pensioenreglement vast in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement. Hierin is de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer geregeld. 6. Een pensioenfonds kan een vrijwillige pensioenregeling uitvoeren maar uitsluitend als dit een aanvulling is op een door datzelfde pensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling. De basispensioenregeling is de collectieve pensioenregeling of het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst gehouden is deel te nemen. 7. Een basispensioenregeling in de vorm van een uitkeringsovereenkomst die wordt uitgevoerd door een pensioenfonds moet aan de voorwaarde voldoen dat de werkgever ten minste 10 procent van de actuariële kosten van de basispensioenregeling bijdraagt of dat de werknemerspremie voor de basispensioenregeling voor alle deelnemers gelijk is of een gelijk percentage van het voor de pensioenberekening in aanmerking genomen loon bedraagt (de doorsneepremie). 8. Het Nederlandse pensioenstelsel is gebaseerd op het solidariteitsbeginsel. Het solidariteitsbeginsel komt onder meer tot uitdrukking in het verbod op uitsluiting van deelname aan de pensioenregeling vanwege deeltijdwerk of leeftijd (vanaf 21 jaar) en de hiervoor genoemde doorsneepremie. Ook mag bij de toekenning van toeslagen geen onderscheid worden gemaakt tussen deelnemers en gewezen deelnemers. 9. Het solidariteitsbeginsel komt ook tot uitdrukking in de voorgeschreven financiële regels. Deze financiële regels bepalen de speelruimte van het pensioenfonds. De financiële regels maken geen onderscheid tussen een uitkeringsregeling, een premieregeling en een kapitaalregeling. In het pensioenreglement is nader uitgewerkt op welke wijze het pensioenfonds die speelruimte invult. 10. Het ouderdomspensioen wordt gefinancierd op basis van kapitaaldekking. Dit wil zeggen dat de basis voor de pensioentuitkering wordt gevormd door het ingelegde kapitaal en het daarop behaalde rendement. 11. Een pensioenfonds dient te beschikken over een vereist eigen vermogen. Een pensioenfonds stelt het vereiste eigen vermogen zodanig vast dat met een zekerheid van 97½ procent wordt voorkomen dat het pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen. Een pensioenfonds dient ook te beschikken over een minimaal vereist eigen vermogen, tenzij het pensioenfonds tot volledige overdracht of inbrenging is overgegaan of de toezichthouder ermee heeft ingestemd niet over een minimaal vereist eigen vermogen te beschikken. Het minimaal vereiste eigen vermogen wordt vastgesteld aan de hand van voorgeschreven berekeningen. 12. De beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds is de gemiddelde dekkingsgraad van de twaalf maanden voorafgaand aan het moment van vaststelling. De dekkingsgraad wordt berekend door de actuele waarde van de beleggingen te delen door de contante waarde van de pensioenverplichtingen (de technische voorzieningen). De hoogte van de technische voorzieningen moet worden vastgesteld op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur (de rekenrente). De omvang van de verwachte uitgaande kasstromen wordt vastgesteld op basis van de verwachte marktontwikkelingen en de voor het fonds prudente verzekeringstechnische grondslagen, waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen (het lang-leven-risico). De beleidsdekkingsgraad en het vereiste eigen vermogen bepalen in wezen de financiële positie van het pensioenfonds. Deze bepalen ook in aanzienlijke mate de hoogte van de kostendekkende premie en eventuele kortingen daarop, of voorwaardelijke toeslagen (indexatie) kunnen worden verleend en of de pensioenuitspraken en -uitkeringen moeten worden gekort. 13. Het pensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast, gebaseerd op de aangroei van de pensioenverplichtingen en de opslag voor het daarbij behorende vereiste eigen vermogen, een opslag voor de uitvoeringskosten en een opslag voor toeslagverlening. De kostendekkende premie kan worden gedempt met een voortschrijdend gemiddelde van de rente of met verwacht rendement. Een korting of terugstorting van de premie kan alleen plaatsvinden als cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden: - gelet op de beleidsdekkingsgraad wordt voldaan aan de vermogensvereisten; - de voorwaardelijke toeslagen met betrekking tot de afgelopen tien jaar zijn verleend en kunnen ook in de toekomst worden verleend; - de kortingen op pensioenaanspraken en pensioenrechten in de afgelopen tien jaar zijn gecompenseerd. 14. Geen voorwaardelijke toeslagverlening vindt plaats als de beleidsdekkingsgraad onder een bepaald niveau is gedaald. Er wordt niet meer toeslag verleend dan naar verwachting in de toekomst kan worden gerealiseerd en incidentele toeslagverlening voor de compensatie van niet toegekende toeslagen is toegestaan, mits dit geen gevolgen heeft voor toekomstige toeslagverlening. Deze beperkingen gelden niet indien een pensioenfonds volledig is verzekerd bij een verzekeraar. Pensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening financieren door het creëren van technische voorzieningen, het creëren van eigen vermogen boven het vereiste eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening, het putten uit het eigen vermogen boven het vereiste eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening, het hanteren van een opslag op de premie of overrendement. 15. Een pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien: a. het pensioenfonds gezien de beleidsdekkingsgraad niet voldoet aan de eisen ten aanzien van het minimaal vereiste eigen vermogen of de eisen ten aanzien van het vereiste eigen vermogen; b. het pensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn daaraan te voldoen zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; en c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet in een herstelplan. 16. Afkoop van pensioenrechten en -aanspraken is slechts toegestaan in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij ingang van kleine ouderdomspensioenen of als het gaat om een fiscaal bovenmatig pensioen. 17. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de volgende uitgangspunten: a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; en b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering. 18. Een pensioenfonds dient een actuariële en bedrijfstechnische nota vast te stellen. Hierin wordt het financiële uitvoeringsbeleid opgenomen, alsmede de samenstelling van de feitelijke premie en de hoogte van de premiecomponenten en een verklaring over de beleggingsbeginselen. Feiten 19. Eiseres is een ondernemingspensioenfonds. Eiseres heeft met [naam 9], de bij [naam 9] aangesloten [ondernemingen] en de aan hen gelieerde instellingen (hierna gezamenlijk: de werkgever) een op 31 oktober 2013 vastgestelde uitvoeringsovereenkomst gesloten. In de uitvoeringsovereenkomst is, voor zover relevant en kort weergegeven, onder meer het volgende opgenomen: De financiële aansprakelijkheid van de werkgever jegens eiseres beperkt zich tot de premiebetaling, een en ander met inachtneming van de hierna te noemen garantstelling. De werkgever betaalt jaarlijks een pensioenpremie die wordt vastgesteld in het vierde kwartaal voorafgaand aan het desbetreffende jaar. De jaarlijkse pensioenpremie bedraagt maximaal 36% van de som van de pensioengrondslagen van de medewerkers die deelnemen in de pensioenregeling. Aan de werkgever worden geen premiekortingen of premierestituties verleend. Van de werkgever kan geen extra premie worden gevraagd, anders dan de hierna genoemde garantstelling. De garantstelling houdt in dat de werkgever zich gedurende de periode 2014 tot en met 2020 garant stelt voor de realisatie van de inkoop van de nagestreefde pensioenopbouw voor een bedrag van € 250.000.000, door het betalen van een hogere dan de maximale premie. Indien de vooraf vastgestelde en op 36% gemaximeerde premie minder is dan nodig is voor de realisatie van de nagestreefde pensioenopbouw, wordt het verschil door de werkgever aangevuld, voor zover hiervoor binnen de garantstelling nog een bedrag beschikbaar is. De garantstelling eindigt op 31 december 2020 of zoveel eerder als het maximaal beschikbare bedrag uit hoofde van de garantstelling ten gevolge van aanvullende premiebetalingen door de werkgever is teruggelopen tot nihil. Indien in enig jaar vanuit de vastgestelde premie de nagestreefde pensioenopbouw in dat jaar niet (volledig) kan worden gefinancierd, zal de pensioenopbouw van alle deelnemers in dat jaar zodanig worden vastgesteld dat de premie voldoende is, tenzij (en voor zover) uit de garantstelling in het premietekort kan worden voorzien. Een lagere opbouw van pensioenaanspraken in enig jaar zal later niet worden hersteld. Het bestuur van eiseres besluit jaarlijks of en in hoeverre de pensioenrechten en aanspraken kunnen worden verhoogd. Er bestaat geen recht op een verhoging. 20. Eiseres heeft het Pensioenreglement [naam 9] 2014 (het Pensioenreglement) vastgesteld, dat ook geldt voor het jaar 2017. De door eiseres uit te voeren pensioenregeling wordt gekarakteriseerd als een uitkeringsovereenkomst. Het Pensioenreglement voorziet in een levenslang ouderdomspensioen, een (tijdelijk) partnerpensioen, een wezenpensioen en een arbeidsongeschiktheidspensioen. Een werknemer heeft de mogelijkheid voor de opbouw van extra aanspraken door de aanwending van een levenslooptegoed, storting van extra individuele bijdragen op een daarvoor bestemde rekening (flexioen) en storting van netto bijdragen voor de hogere arbeidsinkomens (netto pensioenspaarregeling). 21. Deelnemer in de pensioenregeling van eiseres is de werknemer waarvoor een pensioenverzekering tot stand is gekomen. De pensioenverzekering komt tot stand zodra een werknemer deelnemer is met dien verstande dat geen pensioenverzekering tot stand komt als dit uitdrukkelijk arbeidsvoorwaardelijk is uitgesloten of als de werknemer afstand heeft gedaan van deelname aan de pensioenregeling. 22. Bij het bepalen van de opbouw van het ouderdomspensioen wordt een pensioengrondslag gehanteerd. De pensioengrondslag is gelijk aan het pensioengevend jaarinkomen (het bruto arbeidsinkomen tot een bepaald maximum) verminderd met een vastgestelde franchise, welke uitkomst wordt vermenigvuldigd met het voor de deelnemer geldende percentage arbeidsduur op jaarbasis. 23. De deelnemer bouwt ieder kalenderjaar een gedeelte van het ouderdomspensioen op. De opbouw is op jaarbasis in beginsel gelijk aan 2% van de pensioengrondslag in dat kalenderjaar (het opbouwpercentage). Voor arbeidsongeschikte deelnemers in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen kan een afwijkende pensioengrondslag van toepassing zijn. 24. Het ouderdomspensioen per jaar is gelijk aan de som van de opgebouwde rechten. Het partnerpensioen is in beginsel gelijk aan 70% van het opgebouwde ouderdomspensioen, het tijdelijke partnerpensioen betreft een door het bestuur vast te stellen percentage van het partnerpensioen. Het wezenpensioen is in beginsel 14% van het opgebouwde ouderdomspensioen. Het jaarlijkse arbeidsongeschiktheidspensioen betreft in beginsel 10% van het laatste genoten bruto arbeidsinkomen tot een bepaald grensbedrag, voor hogere arbeidsinkomens wordt een toeslag verleend naar mate van de arbeidsongeschiktheid, voor de arbeidsinkomens lager dan een tweede grensbedrag is het arbeidsongeschiktheidspensioen 15%. Bij volledige arbeidsongeschiktheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen vastgesteld op 80% van het laatste arbeidsinkomen verminderd met de genoten uitkeringen. 25. De werkgever stelt jaarlijks een volgens een in de cao vastgelegde systematiek bepaalde pensioenpremie beschikbaar aan eiseres. De premie wordt vooraf per individuele deelnemer vastgesteld. Met deze pensioenpremie beoogt eiseres een pensioenopbouw te realiseren zoals beschreven in het pensioenreglement. Als echter in een bepaald jaar de collectieve, vooraf bepaalde pensioenpremie die de werkgever beschikbaar stelt, verhoogd met de middelen uit hoofde van de tijdelijke garantstelling, niet voldoende is om de nagestreefde pensioenopbouw voor dat jaar te realiseren, zal de pensioenopbouw in dat jaar naar rato van het tekort lager worden vastgesteld. Voor het jaar 2020 is het opbouwpercentage ook daadwerkelijk verlaagd naar 1,748%. De werkgever geeft geen garantie ten aanzien van de hoogte van de reeds opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten. De premies worden direct belegd en de pensioenuitkeringen worden gefinancierd uit dividendopbrengsten of andere ontvangsten. 26. Het bestuur van eiseres beslist elk jaar of en in hoeverre een toeslag wordt verleend op de pensioenrechten en pensioenaanspraken. Voor deze voorwaardelijke toeslagverlening is geen bestemmingsreserve gevormd. De toeslagverlening wordt uit de vrije reserves gefinancierd. De toeslag wordt alleen verleend als de vermogenspositie van eiseres dit toelaat. Als in enig jaar geen (volledige) toeslagverlening heeft plaatsgevonden, zal dit in latere jaren niet worden ingehaald. De toeslagen vinden plaats op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde consumentenprijsindex alle huishoudens. 27. Een korting op de pensioenuitkeringen en -aanspraken kan alleen plaatsvinden als is voldaan aan de in Pensioenwet gestelde voorwaarden. 28. Eiseres heeft een actuariële en bedrijfstechnische nota 2014 (de nota) opgesteld. In de nota is onder meer opgenomen dat als de garantstelling niet toereikend is of geëindigd is, het opbouwpercentage dusdanig zal worden verlaagd dat de kostendekkende premie precies gefinancierd kan worden. Een verminderde opbouw van pensioenaanspraken in enig jaar zal later niet worden hersteld. 29. Eiseres heeft in het vierde kwartaal 2017 vermogensbeheerdiensten afgenomen van buiten Nederland gevestigde dienstverleners. Eiseres heeft in de aangifte omzetbelasting voor dat tijdvak met toepassing van de verleggingsregeling € 181.398 aan verschuldigde omzetbelasting opgenomen en voldaan. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Geschil 30. In geschil is of eiseres ten onrechte € 181.398 aan omzetbelasting heeft voldaan, omdat de vermogensbeheerdiensten die door buitenlandse dienstverleners aan haar zijn verricht, zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). 31. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres is aan te merken als een beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in de zin van artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet OB c.q. als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g van de Btw-richtlijn. Indien het antwoord op die vraag bevestigend luidt, is niet in geschil dat sprake is van beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en dat de vrijstelling van toepassing is. 32. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat de deelnemers beleggingsrisico dragen en niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden is voldaan. 33. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Volgens verweerder is het risico dat de deelnemers lopen van onvoldoende betekenis. Verweerder wijst in dat verband op een arrest van de Hoge Raad van 9 december 2016. Beoordeling van het geschil 34. Artikel 11, eerste lid, aanhef en letter i, ten derde, van de Wet OB luidt als volgt: 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld: (…) i. de volgende leveringen en diensten: (…) 3° het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens; (…) 35. Artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn luidt als volgt: 1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.