RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 21/1421, 21/1423, 21/1424 en 21/1425 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaken tussen [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting over het eerste tot en met het vierde kwartaal 2018. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 januari 2021 de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2021. Namens eiseres zijn verschenen [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] . Namens verweerder zijn verschenen [persoon F] , [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] . Bij brief van 8 februari 2022 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek is heropend en heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De schriftelijke reacties zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Overwegingen Inleiding 1. Eiseres is een verplicht bedrijfstakpensioenfonds voor de agrarische en groene sector. In deze zaak is de vraag aan de orde of eiseres als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn kan worden aangemerkt. Het Nederlandse pensioenstelsel 2. Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers: het wettelijke basispensioen, een pensioenregeling vanuit de werkgevers en vrijwillige (individuele) pensioenvoorzieningen. De tweede pijler van het pensioenstelsel is vastgelegd in de Pensioenwet. 3. De Pensioenwet maakt onderscheid tussen bedrijfstakpensioenfondsen en ondernemingspensioenfondsen. Een bedrijfstakpensioenfonds is een pensioenfonds ten behoeve van een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak. Een ondernemingspensioenfonds is een pensioenfonds dat is verbonden aan een specifieke onderneming of een groep van ondernemingen. 4. Op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen. Indien sprake is van een verplicht ingesteld bedrijfstakpensioenfonds, dan dienen de deelnemers en werkgevers de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds na te leven. Eens in de vijf jaar dient te worden beoordeeld of het georganiseerde bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling wenst een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt. De verplichtstelling is bedoeld om een bedrijfstakbrede solidariteit te bevorderen. 5. Een werkgever dient een nieuwe werknemer te informeren of hij een aanbod doet tot het sluiten van een pensioenovereenkomst. De pensioenovereenkomst kan een uitkeringsovereenkomst, een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst zijn. Een uitkeringsovereenkomst betreft de overeenkomst over een vastgestelde pensioenuitkering. Een premieovereenkomst betreft een overeenkomst over een vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering. Een kapitaalovereenkomst betreft een overeenkomst met een vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering. 6. Een werkgever brengt een pensioenovereenkomst onder bij een pensioenuitvoerder of pensioeninstelling door onmiddellijk met de pensioenuitvoerder of pensioeninstelling een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten en in stand te houden. Deze verplichting geldt niet bij de uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds waarbij de werkgever gehouden is tot naleving van de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds en waarbij een uitvoeringsreglement door het bedrijfstakpensioenfonds is opgesteld dat aan de wettelijke vereisten voldoet. De pensioenuitvoerder stelt een pensioenreglement vast in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement. Hierin is de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer geregeld. 7. Een pensioenfonds kan een vrijwillige pensioenregeling uitvoeren maar uitsluitend als dit een aanvulling is op een door datzelfde pensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling. De basispensioenregeling is de collectieve pensioenregeling of het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst gehouden is deel te nemen. 8. Een basispensioenregeling in de vorm van een uitkeringsovereenkomst die wordt uitgevoerd door een pensioenfonds moet aan de voorwaarde voldoen dat de werkgever ten minste 10 procent van de actuariële kosten van de basispensioenregeling bijdraagt of dat de werknemerspremie voor de basispensioenregeling voor alle deelnemers gelijk is of een gelijk percentage van het voor de pensioenberekening in aanmerking genomen loon bedraagt (de doorsneepremie). 9. Het Nederlandse pensioenstelsel is gebaseerd op het solidariteitsbeginsel. Het solidariteitsbeginsel komt onder meer tot uitdrukking in het verbod op uitsluiting van deelname aan de pensioenregeling vanwege deeltijdwerk of leeftijd (vanaf 21 jaar) en de hiervoor genoemde doorsneepremie. Ook mag bij de toekenning van toeslagen geen onderscheid worden gemaakt tussen deelnemers en gewezen deelnemers. 10. Het solidariteitsbeginsel komt ook tot uitdrukking in de voorgeschreven financiële regels. Deze financiële regels bepalen de speelruimte van het pensioenfonds. De financiële regels maken geen onderscheid tussen een uitkeringsregeling, een premieregeling en een kapitaalregeling. In het pensioenreglement is nader uitgewerkt op welke wijze het pensioenfonds die speelruimte invult. 11. Het ouderdomspensioen wordt gefinancierd op basis van kapitaaldekking. Dit wil zeggen dat de basis voor de pensioenuitkering wordt gevormd door het ingelegde kapitaal en het daarop behaalde rendement. 12. Een pensioenfonds dient te beschikken over een vereist eigen vermogen. Een pensioenfonds stelt het vereiste eigen vermogen zodanig vast dat met een zekerheid van 97½ procent wordt voorkomen dat het pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen. Een pensioenfonds dient ook te beschikken over een minimaal vereist eigen vermogen, tenzij het pensioenfonds tot volledige overdracht of inbrenging is overgegaan of de toezichthouder ermee heeft ingestemd niet over een minimaal vereist eigen vermogen te beschikken. Het minimaal vereiste eigen vermogen wordt vastgesteld aan de hand van voorgeschreven berekeningen. 13. De beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds is de gemiddelde dekkingsgraad van de twaalf maanden voorafgaand aan het moment van vaststelling. De dekkingsgraad wordt berekend door de actuele waarde van de beleggingen te delen door de contante waarde van de pensioenverplichtingen (de technische voorzieningen). De hoogte van de technische voorzieningen moet worden vastgesteld op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur (de rekenrente). Bij een lagere rekenrente is de contante waarde hoger en is dus sprake van een lagere dekkingsgraad. De omvang van de verwachte uitgaande kasstromen wordt vastgesteld op basis van de verwachte marktontwikkelingen en de voor het fonds prudente verzekeringstechnische grondslagen, waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen (het lang-leven-risico). De beleidsdekkingsgraad en het vereiste eigen vermogen bepalen in wezen de financiële positie van het pensioenfonds. Deze bepalen ook in aanzienlijke mate de hoogte van de kostendekkende premie en eventuele kortingen daarop, of voorwaardelijke toeslagen (indexatie) kunnen worden verleend en of de pensioenuitspraken en -uitkeringen moeten worden gekort. 14. Het pensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast, gebaseerd op de aangroei van de pensioenverplichtingen en de opslag voor het daarbij behorende vereiste eigen vermogen, een opslag voor de uitvoeringskosten en een opslag voor toeslagverlening. De kostendekkende premie kan worden gedempt met een voortschrijdend gemiddelde van de rente of met verwacht rendement. Een korting of terugstorting van de premie kan alleen plaatsvinden als cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden: - gelet op de beleidsdekkingsgraad wordt voldaan aan de vermogensvereisten; - de voorwaardelijke toeslagen met betrekking tot de afgelopen tien jaar zijn verleend en kunnen ook in de toekomst worden verleend; - de kortingen op pensioenaanspraken en pensioenrechten in de afgelopen tien jaar zijn gecompenseerd. 15. Geen voorwaardelijke toeslagverlening vindt plaats als de beleidsdekkingsgraad onder een bepaald niveau is gedaald. Er wordt niet meer toeslag verleend dan naar verwachting in de toekomst kan worden gerealiseerd en incidentele toeslagverlening voor de compensatie van niet toegekende toeslagen is toegestaan, mits dit geen gevolgen heeft voor toekomstige toeslagverlening. Deze beperkingen gelden niet indien een pensioenfonds volledig is verzekerd bij een verzekeraar. Pensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening financieren door het creëren van technische voorzieningen, het creëren van eigen vermogen boven het vereiste eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening, het putten uit het eigen vermogen boven het vereiste eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening, het hanteren van een opslag op de premie of overrendement. 16. Een pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien: a. het pensioenfonds gezien de beleidsdekkingsgraad niet voldoet aan de eisen ten aanzien van het minimaal vereiste eigen vermogen of de eisen ten aanzien van het vereiste eigen vermogen; b. het pensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn daaraan te voldoen zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; en c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet in een herstelplan. 17. Afkoop van pensioenrechten en -aanspraken is slechts toegestaan in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij ingang van kleine ouderdomspensioenen of als het gaat om een fiscaal bovenmatig pensioen. 18. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de volgende uitgangspunten: a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; en b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering. 19. Een pensioenfonds dient een actuariële en bedrijfstechnische nota vast te stellen. Hierin wordt het financiële uitvoeringsbeleid opgenomen, alsmede de samenstelling van de feitelijke premie en de hoogte van de premiecomponenten en een verklaring over de beleggingsbeginselen. Feiten 20. Eiseres is een verplicht bedrijfstakpensioenfonds dat pensioenregelingen uitvoert voor werknemers in de agrarische en groene sector. Het statutaire doel van eiseres is het verzorgen van een duurzame en betrouwbare pensioenregeling voor de deelnemers. Het bestuur van eiseres kan, na inwinning van advies bij het verantwoordingsorgaan, het pensioenreglement en het uitvoeringsreglement vaststellen en wijzigen. Het bestuur van eiseres bestaat uit tien bestuurders waarvan vijf bestuurders namens de werkgevers, drie bestuurders namens de werknemers en twee bestuurders namens de pensioengerechtigden. Geldige besluiten kunnen worden genomen bij volstrekte meerderheid, waarbij ten minste sprake moet zijn van vier stemmen voor, bestaande uit één stem van een namens de werknemers benoemde bestuurder, één stem van een namens de werknemers of de pensioengerechtigden benoemde bestuurder en twee stemmen van de namens de werkgevers benoemde bestuurders. 21. Het bestuur van eiseres heeft een pensioenreglement (het Pensioenreglement), een uitvoeringsreglement en een actuariële en bedrijfstechnische nota vastgesteld. 22. Deelnemers van de pensioenregeling zijn degenen van 21 jaar en ouder die verplicht meedoen aan de pensioenregeling omdat hun werkgever valt onder de verplichtstelling of omdat de werkgever een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten met eiseres. 23. De pensioenregeling is in het Pensioenreglement aangemerkt als een uitkeringsovereenkomst. De pensioenregeling voorziet in een levenslang ouderdomspensioen, een levenslang partnerpensioen, een tijdelijk partnerpensioen, een levenslang bijzonder partnerpensioen en een wezenpensioen. In het Pensioenreglement is de pensioenovereenkomst aangeduid als hetgeen tussen cao-partijen is overeengekomen met betrekking tot pensioen zoals kan blijken uit de cao, een cao-protocol of het pensioenreglement. 24. Het pensioen wordt opgebouwd over de pensioengrondslag. De pensioengrondslag is het loon verminderd met een op een vast bedrag vastgestelde franchise, waarbij rekening is gehouden met het deeltijdpercentage. Boven een maximum premieloon wordt geen pensioen opgebouwd. De jaarlijkse opbouw van het ouderdomspensioen bedraagt vanaf 1 januari 2018 1,875% van de pensioengrondslag. Van 1 januari 2013 tot 1 januari 2015 gold een opbouw van 1,95%, in 2012 was dit 1,85% en vanaf 2007 tot 2012 2%. 25. Het partnerpensioen is in beginsel 70% van het opgebouwde ouderdomspensioen. Het wezenpensioen is 20% van het partnerpensioen. Het tijdelijke partnerpensioen betreft een vastgesteld bedrag per jaar, in 2018 € 8.077. 26. Het bestuur stelt in overleg met de werknemers en de werkgeversorganisatie de premie vast. De deelnemer (werknemer) betaalt premie voor de basispensioenregeling en de werkgevers en werknemers betalen allebei een deel van de premie. De totale pensioenpremie wordt door de werkgever overgemaakt aan eiseres. De werkgever houdt het werknemersdeel in op het loon. De premie is een doorsneepremie uitgedrukt in een percentage van het pensioengevend loon van de deelnemer. De pensioenopbouw gaat ook door als de werkgever de premie niet betaalt, tenzij bepaalde, nader genoemde uitzonderingen van toepassing zijn. Bij arbeidsongeschiktheid wordt premievrij pensioen opgebouwd als de deelnemer een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Een algemene korting op de kostendekkende premie wordt uitsluitend verleend als is voldaan aan de wettelijke voorschriften ten aanzien van de technische voorzieningen, het vereist eigen vermogen, en de dekking door waarden, en als de toeslagen kunnen worden nagekomen. Eiseres stort geen premies terug en de werkgever heeft geen bijstortingsverplichting. 27. Een korting op de pensioenuitkeringen en -aanspraken kan alleen plaatsvinden als is voldaan aan de in de Pensioenwet gestelde voorwaarden. 28. Een toeslag op opgebouwde of aangegane pensioenen wordt alleen verleend als de dekkingsgraad minimaal 110% is, de hoogte van de toeslag niet tot gevolg heeft dat eiseres niet op tijd kan voldoen aan de wettelijke vereisten van het eigen vermogen, en is onderzocht dat in de toekomst een vergelijkbare toeslag kan worden verleend. De hoogte van de toeslag wordt hierop aangepast. Bij een voldoende hoge dekkingsgraad kan het bestuur besluiten tot een inhaaltoeslag. De ambitie van het bestuur is de pensioenen te laten meestijgen met de CBS-consumentenprijsindex. De toeslagen worden betaald uit de beleggingsrendementen en niet uit de premie. 29. Eiseres hanteert als financiële sturingsmiddelen het premiebeleid, het toeslagbeleid en het beleggingsbeleid. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat de afgelopen jaren geen toeslagen zijn verleend. Ook kan eiseres de cao-partijen adviseren de pensioenovereenkomst aan te passen waar het de opbouw van toekomstige aanspraken betreft. Zo is vanaf 2021 de jaarlijkse opbouw voor actieve deelnemers verlaagd naar 1,700% van de pensioengrondslag. Als laatste middel kan eiseres de pensioenaanspraken en -rechten verminderen. 30. Eiseres kent een algemene reserve om alle niet-beleggingsrisico’s op te vangen, een reserve tijdelijk partnerpensioen, bedoeld om tegenvallers in de regeling tijdelijk partnerpensioen op te vangen, en een beleggingsreserve, bedoeld om koersdalingen in de beleggingsportefeuille te kunnen opvangen. 31. Eiseres heeft in 2018 vermogensbeheerdiensten afgenomen van buiten Nederland gevestigde dienstverleners. Eiseres heeft in de aangiften omzetbelasting met toepassing van de verleggingsregeling € 549.907 aan verschuldigde omzetbelasting opgenomen en voldaan. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Geschil 32. In geschil is of eiseres ten onrechte € 549.907 aan omzetbelasting heeft voldaan, omdat de vermogensbeheerdiensten die door buitenlandse dienstverleners aan haar zijn verricht, zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). 33. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres is aan te merken als een beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in de zin van artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet OB c.q. als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g van de Btw-richtlijn. Indien het antwoord op die vraag bevestigend luidt, is niet in geschil dat sprake is van beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en dat de vrijstelling van toepassing is. 34. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat de deelnemers beleggingsrisico dragen en ook aan de overige voorwaarden is voldaan. 35. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Volgens verweerder is het risico dat de deelnemers lopen van onvoldoende betekenis en wordt eiseres niet gefinancierd door de deelnemers. Verweerder wijst in dat verband op een arrest van de Hoge Raad van 9 december 2016. Beoordeling van het geschil 36. Artikel 11, eerste lid, aanhef en letter i, ten derde, van de Wet OB luidt als volgt: 1 Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld: (…) i. de volgende leveringen en diensten: (…) 3° het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens; (…) 37. Artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn luidt als volgt: 1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.