vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/407845 / KG ZA 22-272 Vonnis in kort geding van 11 oktober 2022 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2], beiden wonende te [woonplaats] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. J.J.C. Wenno te Ede, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. A.J.M. van Kooten (SRK Rechtsbijstand) te Den Haag. Partijen zullen hierna [gezamenlijke eisers] en [gezamenlijke gedaagden] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 17 het e-mailbericht van 23 september 2022 van [gezamenlijke gedaagden] met bijgevoegd een brief houdende de nog in te dienen eis in reconventie en producties 1 tot en met 21 het e-mailbericht van 26 september 2022 van [gezamenlijke eisers] met bijgevoegd de akte aanvulling eis het e-mailbericht van 26 september 2022 van [gezamenlijke gedaagden] met een (voorgenomen) eiswijziging in reconventie, de aanvullende productie 2A en de vernieuwde productie 21 de mondelinge behandeling, gehouden op 27 september 2022 de pleitnota van [gezamenlijke eisers] de pleitnota van [gezamenlijke gedaagden] , tevens houdende de eis in reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gezamenlijke eisers] zijn sinds 3 augustus 2009 eigenaar van het perceel met daarop een woonhuis en andere opstallen gelegen aan de [adres] te Ede, kadastraal [perceelnr.] (hierna: [perceelnr.] ). [gezamenlijke eisers] drijven aan de achterzijde van [perceelnr.] een onderneming onder de naam [bedrijfsnaam] , die zich bezighoudt met koel- en installatietechniek. 2.2. [gezamenlijke gedaagden] zijn sinds 16 oktober 2017 eigenaar van het perceel met daarop een woonhuis en andere opstallen aan de [adres] te Ede, kadastraal bekend [perceelnr.] (hierna: [perceelnr.] ). Het perceel van [gezamenlijke gedaagden] grenst gedeeltelijk (aan de noordwestelijke zijde) aan [perceelnr.] van [gezamenlijke eisers] 2.3. De percelen van [gezamenlijke eisers] en [gezamenlijke gedaagden] waren tot de verkoop daarvan in respectievelijk 2009 en 2017 eigendom van [naam 1] . 2.4. [gezamenlijke eisers] hebben geen eigen ontsluiting naar de openbare weg vanaf hun perceel. Zij maken op grond van de hierna onder 2.6 te noemen erfdienstbaarheid gebruik van een strook grond op het perceel van [gezamenlijke gedaagden] die van en naar de openbare weg, de [adres] , voert (hierna: de inrit). Deze inrit bestaat uit een weg die tussen de twee buurpercelen (kadastraal bekend [perceelnr.] ) doorloopt. Naast de inrit is een smalle groenstrook gelegen dat deel uitmaakt van voornoemd perceel [perceelnr.] . De inrit buigt op een gegeven moment met een bocht naar links af richting de woningen van beide partijen. 2.5. Tussen de woningen van partijen is verder een pad gelegen dat naar de achterzijde van de percelen van partijen voert. Dit pad ligt in de lengterichting gedeeltelijk op [perceelnr.] van [gezamenlijke eisers] en gedeeltelijk op [perceelnr.] van [gezamenlijke gedaagden] Aan weerszijden van dit pad staat een heg en het pad is aan het einde afgesloten met een poort. 2.6. Bij notariële akte van 3 augustus 2009 is ten behoeve van het perceel aan de [adres] ( [perceelnr.] ) en ten laste van het perceel aan de [adres] ( [perceelnr.] ) een erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd om te komen van en te gaan naar de [adres] . Voornoemde akte bepaalt in dit verband: ‘(…) a. Ten behoeve van het bij deze akte verkochte perceel kadastraal bekend [perceelnr.] als heersend erf en ten laste van het aan de verkoper in eigendom verblijvende perceel kadastraal bekend [perceelnr.] als dienend erf, de erfdienstbaarheid, inhoudende het recht om te voet, met de (brom-) fiets, motor, rijwiel en alle andere zowel motoraangedreven als niet-motoraangedreven vervoermiddelen, zulks in de ruimste zin des woords, te komen van de [adres] naar het heersend erf (via het dienend erf) en omgekeerd, uit te oefenen over een strook grond (hierna te noemen: weg), zoals schetsmatig met streeparcering is aangegeven op de aan deze akte gehechte tekening. De weg zal alleen mogen worden gebruikt op de hiervoor sub a aangegeven wijze. Op de weg zullen geen andere zaken mogen worden geplaatst, anders dan voor het directe gebruik van de weg. De eigenaren en bevoegde gebruikers van beide erven dienen ongehinderd gebruik te kunnen maken van de weg als op de hiervoor onder a omschreven gebruik. Eventuele verdere bebouwing of het aanbrengen van meerdere beplantingen op het heersend erf en/of op het dienend erf zal niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde verzwaring van de erfdienstbaarheid. (…)’ 2.7. [gezamenlijke gedaagden] hebben omstreeks maart 2022 aan de beide zijden van de hiervoor omschreven bocht van de inrit betonnen opsluitbandjes geplaatst. Aan het begin van de buitenzijde van de bocht hebben [gezamenlijke gedaagden] bovendien een ‘driehoek’ van betonnen opsluitbandjes en een betonpaal geplaatst. 2.8. Omstreeks maart 2022 hebben [gezamenlijke gedaagden] een aantal camera’s geplaatst op hun perceel. Twee camera’s zijn bevestigd aan een camerapaal ter hoogte van het begin van de bocht van de inrit en twee camera’s zijn geplaatst aan de zij- en achterkant van de woning van [gezamenlijke gedaagden] 2.9. Het Kadaster heeft op 10 maart 2022 op verzoek van [gezamenlijke gedaagden] een grensreconstructie van [perceelnr.] uitgevoerd. Bij deze grensreconstructie waren [gezamenlijke eisers] niet aanwezig. 2.10. In de periode vanaf februari 2022 hebben partijen uitvoerig gecorrespondeerd over onder meer de aard en inhoud van de op een deel van het perceel van [gezamenlijke gedaagden] rustende erfdienstbaarheid en voorts over de door [gezamenlijke gedaagden] aangebrachte wijzigingen op en aan de inrit en de door [gezamenlijke gedaagden] geplaatste camera’s. 2.11. Bij brief van 29 april 2022 hebben [gezamenlijke eisers] [gezamenlijke gedaagden] (laatstelijk) gesommeerd de versmalling van de inrit ongedaan te maken en de positie van de camera’s zodanig aan te passen dan wel af te schermen dat deze (fysiek gezien) de bewegingen, handelingen en eigendommen van [gezamenlijke eisers] niet kunnen opnemen. Ook laten [gezamenlijke eisers] aan [gezamenlijke gedaagden] weten dat het hen niet vrijstaat om een erfafscheiding zodanig op het pad aan de achterzijde van de percelen te plaatsen dat [gezamenlijke eisers] geen gebruik meer van dat pad kunnen maken. In reactie hierop hebben [gezamenlijke gedaagden] bij e-mailbericht van 5 mei 2022 onder meer aan [gezamenlijke eisers] laten weten dat zij het recht hebben om hun erf af te grenzen en zullen overgaan tot het plaatsen van een erfafscheiding op het pad tussen de woningen, dat de camera’s zicht bieden op eigendommen van [gezamenlijke gedaagden] en dat zij deze zullen handhaven en dat van een versmalling van (de bocht van) de inrit geen sprake is. 2.12. Omstreeks juli 2022 hebben [gezamenlijke gedaagden] een massieve (houten) paal geplaatst aan, vanuit de [adres] gezien, de rechterzijde van het begin van de inrit. 2.13. Bij brief van 28 juli 2022 hebben [gezamenlijke eisers] [gezamenlijke gedaagden] onder andere gesommeerd de houten paal aan het begin van de inrit per ommegaande te verwijderen en [gezamenlijke eisers] het ongestoorde gebruik te verschaffen van de inrit. In reactie op voornoemde brief hebben [gezamenlijke gedaagden] bij brief van 29 juli 2022 aan [gezamenlijke eisers] laten weten dat zij de paal hebben geplaatst om ‘paal en perk te stellen’ aan het (verkeers)gedrag van [gezamenlijke eisers] en hun bezoekers en laten weten dat op korte termijn een erfafscheiding in de vorm van een hekwerk langs de rechterzijde van de inrit zal worden geplaatst. 2.14. Bij e-mailbericht van 5 september 2022 hebben [gezamenlijke gedaagden] aan [gezamenlijke eisers] medegedeeld dat zij binnen enkele weken zullen overgaan tot het plaatsen van een hekwerk langs de inrit ter afgrenzing van hun perceel en de naast de inrit gelegen groenstrook die deel uitmaakt van perceel [perceelnr.] . In reactie op dit e-mailbericht hebben [gezamenlijke eisers] bij e-mailbericht van 14 september 2022 aan [gezamenlijke gedaagden] laten weten dat zij kunnen instemmen met de plaatsing van het hekwerk langs de inrit, op voorwaarde dat de erfdienstbaarheid op geen enkele manier zal worden aangetast. 2.15. In het dossier bevindt zich de volgende kadastrale kaart van de situatie ter plaatse waarop het perceel van [gezamenlijke gedaagden] met een rood kader gemarkeerd is: Op deze tekening hebben [gezamenlijke gedaagden] handmatig met geel gemarkeerd hoe de erfdienstbaarheid volgens hen is gevestigd bij voornoemde akte van 3 augustus 2009. [gezamenlijke gedaagden] hebben verder met groen de inrit met bocht gemarkeerd hoe de erfdienstbaarheid thans door [gezamenlijke eisers] en hun bezoekers feitelijk wordt gebruikt en is ook (richting de achterzijde van de percelen) het pad ingetekend. 3Het geschil in conventie 3.1. [gezamenlijke eisers] vorderen na wijziging van eis bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen aan [gezamenlijke eisers] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het voortdurend en ongehinderd gebruik te verschaffen van de inrit en het pad, die zich bevinden op het perceel, kadastraal [perceelnr.] en het perceel, kadastraal bekend [perceelnr.] , door met betrekking tot de inrit en het pad te allen tijde een doorgang van minimaal 3,5 meter breed vrij te houden voor verkeer van en naar het perceel van [gezamenlijke eisers] ; II. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de betonnen opsluitbanden en betonpaal in de bocht van de inrit en de massieve paal, zoals volgt uit het als producties 10 en 13 ingebrachte fotomateriaal, van de inrit te verwijderen en verwijderd te houden; III. [gezamenlijke gedaagden] met ingang van de dag na betekening van dit vonnis te verbieden een erfafscheiding zodanig op of langs de inrit te plaatsen dat [gezamenlijke eisers] worden belemmerd in de uitoefening van de erfdienstbaarheid; IV. [gezamenlijke gedaagden] met ingang van de dag na betekening van dit vonnis te verbieden een erfafscheiding zodanig op het pad te plaatsen dat [gezamenlijke eisers] worden belemmerd in het gebruik van het pad en daarmee in de toegang tot de achterzijde van hun perceel, althans dit te verbieden tot in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vordering tot verklaring voor recht dat met betrekking tot het pad door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan; V. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de door hen geplaatste camera's te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel deze zodanig te verplaatsen of af te schermen dat deze niet langer de eigendommen en de handelingen van [gezamenlijke eisers] vastleggen; VI. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dat [gezamenlijke gedaagden] na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan één of meerdere van de hiervoor onder I. tot en met V. genoemde veroordelingen te voldoen, met een maximum per veroordeling van € 50.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom; VII. [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [gezamenlijke gedaagden] voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4Het geschil in reconventie 4.1. [gezamenlijke gedaagden] vorderen na wijziging van eis bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: [gezamenlijke eisers] te veroordelen om de door hen geplaatste camera in het belsysteem bij de voordeur van hun woning te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel zodanig te verplaatsten of af te schermen dat de eigendommen en bewegingen van [gezamenlijke gedaagden] niet langer worden vastgelegd, een en ander te realiseren binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; [gezamenlijke eisers] te verbieden om buiten het in de bij de notariële (koop)akte gevoegde situatieschets gearceerde pad te treden, ingaande vanaf de datum veertien dagen na betekening van dit vonnis; [gezamenlijke eisers] te veroordelen om aan [gezamenlijke gedaagden] te betalen een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of elke keer dat [gezamenlijke eisers] niet voldoen aan hetgeen onder 1 t/m 2 als hierboven is gevorderd, met een maximum (voor elke vordering, afzonderlijk) van € 25.000,00; [gezamenlijke eisers] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2. [gezamenlijke eisers] voeren verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie 5.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld. inhoud en wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid 5.2. [gezamenlijke eisers] verwijten [gezamenlijke gedaagden] ten eerste dat zij de op de inrit rustende erfdienstbaarheid hebben ingeperkt en daarmee de ongehinderde toegang vanaf de openbare weg naar het perceel van [gezamenlijke eisers] belemmeren. [gezamenlijke eisers] hebben naar eigen zeggen het recht om zowel met niet-gemotoriseerde als met gemotoriseerde voertuigen in de breedste zin van het woord, waaronder begrepen bestelbussen en vrachtwagens, gebruik te maken van de inrit. Door de door [gezamenlijke gedaagden] geplaatste betonnen opsluitbanden en de betonpaal in de bocht van de inrit, is de inrit ter hoogte van de bocht versmald en is deze bocht niet meer goed te nemen met (groot) gemotoriseerd verkeer. Ook belemmert de massieve (houten) paal aan de voorzijde van de inrit de erfdienstbaarheid om het perceel ongehinderd op of af te rijden. Verder zijn [gezamenlijke gedaagden] volgens [gezamenlijke eisers] van plan om een hekwerk te plaatsen langs de rechterzijde van de inrit. Bovendien zijn [gezamenlijke gedaagden] volgens [gezamenlijke eisers] voornemens een erfafscheiding aan te brengen midden op het pad tussen de woningen van beide partijen, waardoor [gezamenlijke eisers] de achterzijde van hun perceel niet meer zullen kunnen bereiken met (groot) gemotoriseerd verkeer. Gelet op het voorgaande handelen [gezamenlijke gedaagden] onrechtmatig jegens [gezamenlijke eisers] dan wel maken [gezamenlijke gedaagden] misbruik van hun bevoegdheid. 5.3. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat op de inrit in kwestie de onder 2.6. omschreven erfdienstbaarheid rust ten behoeve van het perceel van [gezamenlijke eisers] en ten laste van het perceel van [gezamenlijke gedaagden] om te komen van en te gaan naar de [adres] via het perceel van [gezamenlijke gedaagden] Partijen verschillen echter van mening over de wijze waarop de erfdienstbaarheid door [gezamenlijke eisers] mag worden uitgeoefend en over welk deel van het perceel van [gezamenlijke gedaagden] de erfdienstbaarheid precies loopt. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan worden volgens artikel 5:73 BW in beginsel bepaald door de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid. De voorzieningenrechter kijkt dus in de eerste plaats naar de akte van vestiging van 3 augustus 2009. Bij de uitleg van die akte komt het aan op de partijbedoeling die in de akte tot uitdrukking is gebracht. Deze partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. 5.4. Uit de akte van 3 augustus 2009 blijkt met zoveel woorden dat het [gezamenlijke eisers] op grond van de erfdienstbaarheid is toegestaan om met “zowel motoraangedreven als niet-motoraangedreven vervoermiddelen, zulks in de ruimste zin des woords”, te komen van en te gaan naar de [adres] via een strook grond op het perceel van (thans) [gezamenlijke gedaagden] De partijbedoeling is daarmee helder. Mede gelet op de datum van vestiging van de erfdienstbaarheid valt daaronder voorshands geoordeeld ook het recht om met vrachtverkeer gebruik te maken van de erfdienstbaarheid, zoals [gezamenlijke eisers] stellen. [gezamenlijke gedaagden] voeren in dit verband weliswaar aan dat [gezamenlijke eisers] daarmee in strijd handelen met de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de door hen gevoerde onderneming, maar die vergunning ligt niet ter beoordeling voor en tegen het door [gezamenlijke gedaagden] gestelde handelen in strijd met de voorwaarden van die vergunning kunnen [gezamenlijke gedaagden] , wat daar verder ook van zij, in deze procedure niet opkomen. Aan hetgeen partijen in dit verband over en weer hebben gesteld zal dan ook voorbij worden gegaan. 5.5. Partijen zijn het er verder niet over eens hoe de erfdienstbaarheid precies over het perceel van [gezamenlijke gedaagden] loopt, en dan met name vanaf de bocht naar links richting het perceel van [gezamenlijke eisers] De akte van 3 augustus 2009 verwijst in dit verband naar een aan de akte gehechte tekening waarop schetsmatig met streeparcering is aangegeven over welke strook grond de erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend. Volgens [gezamenlijke gedaagden] ziet de erfdienstbaarheid dan ook (enkel) op de strook grond zoals schetsmatig met streeparcering is ingetekend en door [gezamenlijke gedaagden] met de kleur geel is gemarkeerd op de door hen overgelegde situatieschets (zoals weergegeven onder 2.15). [gezamenlijke eisers] betwisten dat voornoemde tekening deel uitmaakt van de in 2009 gevestigde erfdienstbaarheid. Volgens [gezamenlijke eisers] is voornoemde tekening niet als bijlage aan voornoemde akte gehecht en evenmin ingeschreven in de openbare registers. Nog daargelaten dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om te twijfelen aan hetgeen [gezamenlijke eisers] in dit verband stellen, hebben [gezamenlijke eisers] naar eigen zeggen de erfdienstbaarheid sinds 2009 ook steeds uitgevoerd op de wijze zoals door [gezamenlijke gedaagden] in het groen is gemarkeerd: vanaf de [adres] via de inrit met een flauwe bocht naar links tussen de percelen (en de woningen) van partijen door richting de achterzijde van (onder andere) het perceel van [gezamenlijke eisers] 5.6. Bij deze stand van zaken kan binnen het bestek van dit kort geding, waarin geen ruimte is voor enige bewijsvoering, niet worden vastgesteld hoe en op welk deel van het perceel van [gezamenlijke gedaagden] de ten gunste van [gezamenlijke eisers] gevestigde erfdienstbaarheid (na de bocht van de inrit) exact loopt. Wel kan worden vastgesteld dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de erfdienstbaarheid de volledige breedte van de inrit van [perceelnr.] van [gezamenlijke gedaagden] beslaat (tot in ieder geval een deel van de bocht), dat de inrit vanaf de [adres] bezien op dit moment 5,10 meter breed is en op twee punten in de bocht respectievelijk 3,33 meter en 3,37 meter breed is. Dit zal dan ook tot uitgangspunt worden genomen bij de verdere beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie. paal aan de voorzijde van de inrit 5.7. Vervolgens ligt de vraag voor of [gezamenlijke gedaagden] gehouden kunnen worden de massieve houten paal die zij hebben geplaatst aan het begin van de inrit te verwijderen en verwijderd te houden, zoals [gezamenlijke eisers] onder II. in conventie (onder andere) vorderen. Ter zitting hebben [gezamenlijke gedaagden] desgevraagd toegelicht dat de paal in kwestie circa dertig centimeter vanaf de erfgrens op de inrit is geplaatst, waardoor de inrit aan het begin daarvan nu 5,10 meter breed is terwijl de inrit voor het plaatsen van de paal 5,39 meter breed was. [gezamenlijke gedaagden] hebben niet gemotiveerd betwist dat de paal in zekere mate het indraaien van de inrit voor verkeer komend vanaf de rechterzijde van de [adres] kan bemoeilijken. [gezamenlijke gedaagden] voeren aan dat zij als eigenaren van het perceel gerechtigd zijn tot het plaatsen van de paal en dat zij ‘paal en perk’ wilden te stellen aan de verkeersbewegingen van [gezamenlijke eisers] en dan met name het vrachtverkeer dat vanwege de onderneming van [gezamenlijke eisers] gebruik maakt van de inrit. Dat is echter geen gerechtvaardigd belang, aangezien [gezamenlijke eisers] op grond van de erfdienstbaarheid gerechtigd zijn met (onder andere) gemotoriseerde vervoersmiddelen in de breedste zin van het woord en dus ook vrachtwagens gebruik te maken van de inrit en de paal het inrijden van de inrit met bepaalde type voertuigen (in meer of mindere mate) bemoeilijkt. De paal staat daarmee aan het ongehinderde gebruik van de inrit door [gezamenlijke eisers] in de weg en is voorshands geoordeeld in strijd met de erfdienstbaarheid op dit punt. Gelet daarop kunnen [gezamenlijke eisers] van [gezamenlijke gedaagden] verlangen de paal te verwijderen. Of [gezamenlijke eisers] , zoals [gezamenlijke gedaagden] ook aanvoeren, bij het indraaien van de inrit tevens gedeeltelijk gebruik maken van de naast de inrit gelegen groenstrook, die eigendom is van een derde, doet niet ter zake. Het is immers niet aan [gezamenlijke gedaagden] om tegen het gebruik van die strook grond door (onder andere) [gezamenlijke eisers] op te treden. Het voorgaande betekent dat [gezamenlijke gedaagden] zullen worden veroordeeld de paal aan de voorzijde van de inrit te verwijderen en verwijderd te houden. De vordering onder II. zal in zoverre worden toegewezen en versterkt met een dwangsom (zoals gevorderd onder VI.), welke zal worden gematigd en gemaximeerd op de navolgende wijze. betonnen opsluitbanden en betonpaal in de bocht 5.8. [gezamenlijke eisers] vorderen onder II. in conventie verder [gezamenlijke gedaagden] te veroordelen de betonpaal en de betonnen opsluitbanden in de bocht te verwijderen. [gezamenlijke eisers] stellen dat [gezamenlijke gedaagden] de inrit met de door hen aangebrachte betonnen opsluitbanden en de betonpaal in de bocht op een inbreukmakende wijze smaller hebben gemaakt waardoor de doorgang met (groot) (vracht)verkeer aanzienlijk wordt bemoeilijkt. Dit wordt door [gezamenlijke gedaagden] gemotiveerd betwist. [gezamenlijke gedaagden] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat toen zij daar kwamen wonen de inrit ter hoogte van de bocht in 2017 juist breder is gemaakt, vervolgens in 2020 een heg langs de inrit ter hoogte van de bocht is geplaatst met een betonnen opsluitbandje strak ertegenaan en dat de ‘driehoek’ van betonnen opsluitbandjes en de betonnen paal in 2022 juist zijn neergelegd in het verlengde van de eerder geplaatste opsluitbandjes aan de buitenzijde van de bocht. Ook de betonnen opsluitbandjes die in 2022 aan de binnenzijde van de bocht zijn geplaatst zijn strak tegen de bestaande beplanting aangelegd. De opsluitbandjes en de betonpaal dienen enkel ter versteviging van de (zijkanten van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.