← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2022:602

RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 8540914 \ CV EXPL 20-5128 \ 676 \ 44356 uitspraak van 2 februari 2022 vonnis in de zaak van de naamloze vennootschap InterBank N.V. gevestigd te Amsterdam eisende partij gemachtigde Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde partij] wonende te [plaats] gedaagde partij niet verschenen 1Het procesverloop 1.

  1. De zaak is aanhangig gemaakt bij de aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende (kopie) dagvaarding met het hiervoor genoemde zaaknummer. De eisende partij heeft veroordeling gevorderd van de gedaagde partij overeenkomstig de dagvaarding. 1.
  2. De gedaagde partij is niet verschenen. 1.
  3. Daarna is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  4. Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen de gedaagde partij verstek verleend. Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding van de eisende partij is de vordering getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. 2.
  5. De eisende partij vordert betaling van een bedrag van € 3.248,80, te vermeerderen met de samengestelde danwel de enkelvoudige rente vanaf 9 april 2020, althans de dag van dagvaarding tot en met de dag van volledige betaling, met veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan. 2.
  6. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de eisende partij een overeenkomst van geldlening overgelegd. Deze overeenkomst is aangegaan op 28 oktober 2014 voor de duur van 60 maanden. Op grond van deze overeenkomst heeft de eisende partij aan de gedaagde partij een persoonlijke lening van € 5.000,00 verstrekt. Het krediet en de kredietvergoeding moeten op grond van de kredietovereenkomst in maandelijkse termijnen van € 100,79 worden terugbetaald. Het overeengekomen effectieve kredietvergoedingspercentage is 8,0% per jaar. 2.
  7. Uit de als productie 6 overgelegde brief van de eisende partij aan de gedaagde partij van 4 oktober 2016 blijkt dat de eisende partij het krediet heeft opgeëist omdat de gedaagde partij bij het aangaan van het krediet bewust onjuiste inlichtingen zou hebben verstrekt. Daarna heeft de eisende partij de gedaagde partij op 19 maart 2020 vanwege een betalingsachterstand ten bedrage van € 3.245,72 in gebreke gesteld (productie 7). Omdat vervolgens de betaling uitbleef, heeft de eisende partij op 9 april 2020 het krediet (voor een tweede keer) opgeëist (productie 8). De kredietsom bedroeg op dat moment € 3.248,
  8. 2.
  9. De eisende partij heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat het krediet op 9 april 2020 is opgeëist. Zonder nadere toelichting, welke hier ontbreekt, valt niet in te zien dat het gevorderde bedrag zijn grondslag vindt in de persoonlijke lening, althans in de vervroegde opeising daarvan. De kantonrechter stelt namelijk vast dat partijen een kredietovereenkomst met een looptijd van 60 maanden zijn overeengekomen, ingaande per 28 oktober 2014, zodat de opeising van het krediet op 9 april 2020 buiten de looptijd van de persoonlijke lening is gelegen. Daarnaast geldt dat het in de ingebrekestelling genoemde bedrag van € 3.245,72 nagenoeg gelijk is aan de op 9 april 2020 opgeëiste kredietsom van € 3.248,80 (productie 8). Dit terwijl een ingebrekestelling enkel mag zien op de daadwerkelijk achterstand in de betaling van de maandtermijnen en niet op de nog niet verschuldigde termijnen. Daarnaast is het onduidelijk hoe de vordering van de eisende partij is opgebouwd na 3 mei
  10. Productie 4 geeft daar geen inzage in. Tot slot is het niet duidelijk hoe de eerdere opeising op 4 oktober 2016 (productie 6) zich verhoudt tot de opeising op 9 april 2020 (productie 8). 2.
  11. De kantonrechter stelt de eisende partij in de gelegenheid te reageren op het in r.o. 2.
  12. genoemde. Als dit een verandering of vermeerdering van de eis of de gronden van de eis meebrengt, moet de eisende partij dit vonnis met de aanvulling op de dagvaarding aan de gedaagde partij betekenen. Ook moet zij de gedaagde partij oproepen om op de hierna te noemen datum op de rolzitting te verschijnen om voort te procederen in deze zaak. Artikel 130 Rv en de goede procesorder vereisen dit. De kosten van de betekening blijven in dat geval voor rekening van de eisende partij. 2.
  13. Als aan de hierboven bedoelde opdrachten niet of niet volledig wordt voldaan, zal de rechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Rv de gevolgen verbinden die hij gerade acht. 2.
  14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  15. beveelt de eisende partij om bij akte de stellingen in de dagvaarding nader toe te lichten zoals bedoeld in r.o. 2.
  16. van dit vonnis; 3.
  17. verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van vier weken na datum van dit vonnis; 3.
  18. bepaalt dat, als de eisende partij de eis of de gronden daarvan verandert of vermeerdert, de eisende partij dit vonnis en hetgeen op grond daarvan in het geding wordt gebracht aan de gedaagde partij moet betekenen en de gedaagde partij moet oproepen om te verschijnen op de hiervoor genoemde rolzitting; 3.
  19. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.