beslissing RECHTBANK GELDERLAND Wrakingskamer Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rekestnummer: C/05/410181 / KG RK 22-746 Beslissing van 7 november 2022 in de zaak van [verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoeker, en MR. H.J. KLEIN EGELINK rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: “de rechter”. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de e-mail van verzoeker van 19 oktober 2022, waarmee verzoeker om wraking van de rechter heeft verzocht. 1.
- Gelet op de inhoud van het verzoek ziet de wrakingskamer aanleiding om op het verzoek te beslissen zonder een daaraan voorafgaande behandeling (artikel 4 lid 1 sub d en e wrakingsprotocol). 2De beoordeling 2.
- Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek geldt als uitgangspunt dat een rechter alleen kan worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de artikelen 8:15 en 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende. 2.
- Ter onderbouwing van zijn verzoek tot wraking heeft verzoeker aangevoerd dat de griffie fouten heeft gemaakt in procedures waarin hij partij was. Zo heeft de griffie volgens verzoeker niet of niet-tijdig een ontvangstbevestiging aan hem verstuurd, is er volgens verzoeker een zitting te laat ingepland, zijn er volgens verzoeker opzettelijk stukken doorgestuurd naar een verkeerde instantie en zijn er stukken niet tijdig ter kennis van een rechter, van een wederpartij en van verzoeker gebracht. 2.
- Overwogen wordt dat het verzoek tot wraking geen betrekking heeft op de rechter die met de behandeling van de zaak belast is, maar op de griffie. Om die reden kan verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen. Indien verzoeker van mening is dat de griffie fouten heeft gemaakt, dan is hij daarvoor aangewezen op de klachtprocedure van deze rechtbank. Voor zover de rechter verantwoordelijk moet worden geacht voor de beweerdelijke fouten van de griffie – de rechter zelf heeft met de administratieve gang van zaken op de griffie immers geen bemoeienis – volgt daaruit nog niet hij daarmee blijk heeft gegeven van partijdigheid of de schijn daarvan. Het enkele feit dat de rechter verantwoordelijk is voor bewaking van de procedure, betekent niet dat fouten, die in het administratieve proces worden gemaakt, grond opleveren voor het vermoeden van vooringenomenheid of gebrek aan onpartijdigheid van de rechter. 3De beslissing De wrakingskamer 3.
- wijst het verzoek tot wraking af. Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans, mr. M.J.H. Schuurman en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van […], griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 november
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.