← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2022:6908

RECHTBANK GELDERLAND Strafrecht Uitleveringswet Gevangenhouding Zittingsplaats Arnhem Rechtbanknummer : 22/15 Raadkamernummer : 22-027769 Lurisnummer : [LURIS-nummer] Datum zitting : 9 december 2022 Datum uitspraak : 9 december 2022 beslissing van de meervoudige strafkamer op de vordering op grond van artikel 27 en 38 Uitleveringswet van: naam : [opgeëiste persoon], geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), thans verblijvende : PI ter Apel, hierna te noemen: opgeëiste persoon. Raadsvrouw: mr. N.F. Christiansen, advocaat in Rotterdam. PROCEDURE Op 3 december 2021 is de opgeëiste persoon, na een van de Turkse autoriteiten ontvangen uitleveringsverzoek, aangehouden. Op diezelfde datum is zijn inverzekeringstelling bevolen. Na een vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris op 6 december 2021 de bewaring bevolen voor de duur van ten hoogste 20 dagen. Op 24 december 2021 heeft de officier van justitie bevolen dat de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon ex artikel 22, eerste lid, van de Uitleveringswet wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de vordering gevangenhouding beslist. Op 29 april 2022 heeft de rechtbank de uitlevering ter strafvervolging toelaatbaar geacht. Het daartegen ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad op 21 oktober 2022 verworpen, waarmee de beslissing onherroepelijk is. De gevangenhouding is laatstelijk verlengd op 11 november 2022 met 30 dagen. De officier van justitie heeft op 2 december 2022 gevorderd dat de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon zal verlengen met 30 dagen. Deze vordering is behandeld ter zitting van 9 december 2022, waarbij de officier van justitie, mr. J.H.J. Klein Egelink, en de raadsvrouw zijn gehoord. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen. BEOORDELING Standpunt opgeëiste persoon Namens de opgeëiste persoon is primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen. Artikel 38, derde lid, onder a van de Uitleveringswet verzet zich tegen de verlenging van de gevangenhouding nu de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist over de uitlevering aan Turkije. Immers, de beslissing van de rechtbank om toestemming te verlenen om de opgeëiste persoon uit te leveren heeft op 21 oktober 2022 kracht van gewijsde gekregen door het arrest van de Hoge Raad, waarin het cassatiemiddel is afgewezen. De gevangenhouding eindigt op 12 december 2022 en de opgeëiste persoon dient dan van rechtswege in vrijheid te worden gesteld. Hiertoe verwijst de raadsvrouw naar ECLI:NL:RBAMS:2022:

  1. Namens de opgeëiste persoon is subsidiair aangevoerd dat, bij verlenging van het bevel tot gevangenhouding, de opgeëiste persoon uit de gevangenhouding dient te worden geschorst met voorwaarden, zoals elektronische monitoring. Er is geen sprake van vluchtgevaar, omdat de opgeëiste persoon bij een persoon in Nederland kan verblijven en in juli 2022 zijn zoon is geboren in Duitsland. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie volhardt in de vordering tot verlenging van de gevangenhouding. Hiertoe heeft de officier van justitie in het bijzonder aangevoerd dat er zienswijzen bij de minister zijn ingediend en dat de minister deze moet bestuderen alvorens een besluit kan worden genomen. De besluitvorming is hierdoor uitgesteld. Op 11 november 2022 is de gevangenhouding met 30 dagen verlengd, waardoor deze effectief loopt tot in januari
  2. Er is nog altijd sprake van vluchtgevaar, omdat de opgeëiste persoon geen binding heeft met Nederland. Het standpunt dat hij bij een persoon in Hengelo zou kunnen verblijven is te vaag onderbouwd. Voorts is van belang dat de opgeëiste persoon in juli 2022 een zoon heeft gekregen die is geboren in Duitsland. De (rest van) de familie van de opgeëiste persoon woont ook in Duitsland. Hij heeft daarom meer binding met Duitsland dan Nederland. Wanneer de opgeëiste persoon naar Duitsland vlucht kan Nederland hem niet meer uitleveren. Beoordeling Artikel 38 Uitleveringswet luidt:
  3. Verlenging van de in artikel 37, eerste lid, onder b, bedoelde termijn kan telkens voor ten hoogste dertig dagen geschieden. (…)
  4. Verlenging kan alleen geschieden in gevallen waarin: a. de rechterlijke uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering nog niet, of minder dan dertig dagen tevoren, in kracht van gewijsde is gegaan; b. Onze Minister zijn beslissing overeenkomstig artikel 33, derde lid, heeft aangehouden; c. de uitlevering mede door een derde staat is gevraagd, en Onze Minister nog niet op het verzoek van die staat heeft beschikt; d. de uitlevering inmiddels wel is toegestaan, maar nog niet heeft kunnen plaatshebben. Dit betekent dat, na het onherroepelijk worden van de uitspraak inzake toelaatbaarheid, de gevangenhouding nog één maal (voor de duur van dertig dagen) kan worden verlengd binnen dertig dagen na die onherroepelijkheid. De uitspraak is op 21 oktober 2022 onherroepelijk geworden. Nadien is op 11 november 2022, binnen dertig dagen dus, de gevangenhouding wederom verlengd. Het systeem van de wettelijke regeling brengt mee dat de minister binnen 59 dagen na onherroepelijk worden van de uitspraak dient te beslissen, tenzij hij besluit de beslissing uit te stellen ingevolge artikel 33 lid 3 Uitleveringswet. Deze bepaling ziet evenwel slechts op het opvragen van aanvullende stukken bij de verzoekende Staat, bijv. indien de uitspraak van de rechtbank hiertoe aanleiding geeft doordat zij de stukken ongenoegzaam achtte of daartoe adviseerde in haar advies bij de uitspraak. Die uitzondering doet zich hier niet voor. Dat betekent dat artikel 38 lid 3 onder a niet langer grondslag kan vormen voor verdere verlenging van de gevangenhouding. Kennelijk heeft de minister nog steeds geen beslissing genomen over de uitlevering. Het bepaalde in artikel 38 lid 3 onder d biedt dan evenmin basis voor verdere verlengingen. De gronden onder b respectievelijk c zijn niet van toepassing. Daaruit volgt dat er binnen het wettelijk limitatieve systeem van de Uitleveringswet geen grondslag bestaat voor verdere verlenging van de gevangenhouding en de vordering moet worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij geen zicht heeft op de periodes van tenuitvoerlegging van de respectievelijke beslissingen tot verlenging en dus niet weet wanneer de huidige termijn van dertig dagen zal eindigen. Tot die tijd heeft de minister nog de mogelijkheid een beslissing te nemen alvorens invrijheidstelling zal volgen. Beslissing De rechtbank wijst af de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] . Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mr. H.C. Leemreize en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Doedens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december
  5. In gelijke zin Rechtbank Amsterdam 18 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:208 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:208) waaraan kan worden toegevoegd Lestrade, T&C Uitleveringswet, aant. bij art 38.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.