RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Tegenspraak Parketnummer: 05/033101-21 Datum uitspraak : 4 februari 2022 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. S. Wortel, advocaat te Utrecht. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 11.740,
- 2De procedure De zaak is op openbare terechtzittingen onderzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu de verdediging integrale vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair zou bij de verdeling van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel tussen veroordeelde en zijn mededaders een verdeelsleutel van 20% moeten worden gebruikt voor het aandeel van veroordeelde, en niet 50% zoals de officier van justitie heeft betoogd. 3De beoordeling van de vordering De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 4 februari 2022 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, medeplegen van een gewoonte maken van witwassen medeplegen van computervredebreuk, gepleegd door tussenkomst van een openhaar telecommunicatienetwerk, terwijl de dader vervolgens door tussenkomst van het geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde, meermalen gepleegd, en gegevens voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 231b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De bewijsmiddelen De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. Tevens wordt verwezen naar de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen in het opleggingsvonnis, dat als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Op 8 september 2020 is een bedrag van € 10.900,- opgenomen van de bankrekening van [slachtoffer 1] . Op 16 september 2020 is een bedrag van € 5.190,- opgenomen van de rekening van [slachtoffer 2] . Op 18 september 2020 is een bedrag van € 10.000,- opgenomen van de rekening van [slachtoffer 3] . Het gaat daarbij steeds om geldopnames na oplichting van de rechthebbenden, waarvoor verdachte in strafrechtelijke zin mede verantwoordelijk is. Op de telefoon van mededader [mededader 1] (hierna: [mededader 1] ) is een chat tussen [mededader 1] en [mededader 2] (hierna: [mededader 2] ) aangetroffen, waarin [mededader 1] op 8 september 2020 aangeeft dat hij [mededader 2] ‘10p’ gaat geven. Veroordeelde heeft verklaard dat hij niet meer precies weet wat hij hiermee heeft verdiend. Er werden percentages afgesproken. Met ‘p’ werd een percentage bedoeld. In een verwijderd chatgesprek tussen veroordeelde en zijn vriendin op 4 september 2020 vraagt zijn vriendin ‘veel?’ en antwoordt veroordeelde 10, max
- Vervolgens vraagt zijn vriendin of dit bedrag door twee moet worden gedeeld, wat veroordeelde bevestigt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat er bij de hier relevante oplichtingen in totaal € 26.090,- (€ 10.900,- + € 10.000,- + € 5.190,-) is buitgemaakt. [mededader 2] kreeg tien procent van dit bedrag, te weten € 2.609,-. Van het restant, een bedrag van € 23.481,-, kreeg veroordeelde de helft. Dat betekent dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van in totaal € 11.740,
- Betalingsverplichting, draagkracht De rechtbank zal het te betalen bedrag ook vaststellen op het geschatte voordeel. De draagkracht van de veroordeelde dient in beginsel aan de orde te worden gesteld in de executiefase en wel op de voet van het bepaalde in artikel 6:6:26 Wetboek van Strafvordering. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en naar redelijkerwijs mag worden verwacht in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat hij naar redelijke verwachting in de toekomst in het geheel geen draagkracht zal hebben om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid heeft de veroordeelde gedurende de voor de ontnemingsmaatregel geldende verjaringstermijn onbeperkt uitstel van betaling dan wel betaling in termijnen toe te staan, alsmede de op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde geboden rechtsgang, waarmee hij in een later stadium vermindering dan wel kwijtschelding van het door de rechtbank vast te stellen bedrag kan verzoeken. Conclusie Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 11.740,50 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat. 4De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 11.740,50 (elfduizend zevenhonderdveertig euro en vijftig cent); - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag; - bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 234 dagen. Aldus gegeven door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. A.M.P.T. Blokhuis en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari
- Mrs. Wiersma en Aalbers zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost- Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, zaaknummer 2020558022, ON4R020144 ( [naam] ), gesloten op 22 februari 2021, 23 maart 2021 (eerste aanvulling), 21 april 2021 (tweede aanvulling) en 9 november 2021 (derde aanvulling) en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 320 en 321 en schriftelijke bescheiden inhoudende rekeningafschriften, p. 328 t/m
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 482 en 483 en schriftelijke bescheiden inhoudende rekeningafschriften, p. 485 t/m
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 432 en 433 en schriftelijk bescheid inhoudende een e-mailbericht, p.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 116 en proces-verbaal van bevindingen, p.
- Proces-verbaal van verhoor verdachte [veroordeelde] , p. 1829, 1850 en
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 2624.