vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zutphen zaaknummer / rolnummer: C/05/380101 / HZ ZA 20-440 Vonnis van 16 februari 2022 in de zaak van 1 [eisende partij 1] , wonende te [plaats 1] , 2. [eisende partij 2], wonende te [plaats 2] , eisers, advocaat mr. M.C.V. Dornstedt te Hellevoetsluis, tegen de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V, gevestigd te Apeldoorn, gedaagde, advocaat mr. J.E.G. Joosten te 's-Hertogenbosch. Partijen zullen hierna [eisende partijen] en Achmea genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 24 februari 2021 de akte houdende uitlaten en overleggen producties van [eisende partijen] de akte houdende uitlaten van [eisende partijen] het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 april 2021 de brief van mr. Joosten met de producties 26 en 27 het proces-verbaal van de voortzetting van de mondelinge behandeling van 25 januari 2022. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 9 november 2010 heeft de heer [betrokkene 1] geconstateerd dat zijn motorjacht “ [naam motorjacht] ” van het merk [merk motorjacht] was gestolen uit de loods waarin ze gestald stond. [merk motorjacht] zijn in Italië gebouwde motorjachten met luxe afwerkingen en met een uniek design in hout, chroom en glas. Iedere [merk motorjacht] krijgt een uniek bouwnummer dat onder meer is aangebracht op de romp van het schip. De gestolen [type motorjacht] met het bouwnummer [bouwnummer 1] is gebouwd in 1965 en na aankoop door [betrokkene 1] in 2003 gerepareerd en gerenoveerd. Het schip was in Nederland geregistreerd onder nummer [registratienummer] . [betrokkene 1] had het schip bij Achmea tegen onder meer diefstal verzekerd voor het maximaal verzekerde bedrag van € 45.000,00. 2.2. Na de ontdekking van de diefstal heeft [betrokkene 1] daarvan melding gemaakt bij Achmea. In opdracht van Achmea heeft Esma Expertise (Esma) een onderzoek ingesteld naar de diefstal. Ook heeft zij op allerlei manieren, maar tevergeefs, ruchtbaarheid gegeven aan de diefstal, onder meer door een advertentie in de Telegraaf, een opsporingsbericht op Youtube, vermelding op verschillende websites en mailing naar dealers en [merk motorjacht] -bezitters. 2.3. Achmea heeft op 5 april 2011 aan [betrokkene 1] een bedrag van (€ 45.000,00 minus een eigen risico van € 900,00 dus) € 44.100,00 aan verzekeringspenningen uitgekeerd. Zij is op 17 maart 2011 eigenaresse van het schip geworden. 2.4. Ervan uitgaande dat het de gestolen [merk motorjacht] [bouwnummer 1] betrof, heeft de Italiaanse politie op 15 maart 2019 op verzoek van Achmea bij de scheepswerf van [naam werf 1] in Sarnico, Italië, een [merk motorjacht] in beslag genomen. Geconstateerd werd dat op dit schip met verf de cijfers [bouwnummer 2] waren aangebracht. Op 21 juli 2020 heeft de Italiaanse politie het “vaartuig van het merk [type motorjacht] [bouwnummer 1] met oorspronkelijk registratienummer [registratienummer] (NL) met de naam “ [naam motorjacht] ”, voorwerp van diefstal op datum 9.11.2010 in Nederland en op het moment in bezit van Achmea” vrijgegeven en afgegeven aan Achmea. Deze heeft het schip naar Nederland laten vervoeren, waar het nu is gestald in afwachting van de uitkomst van deze procedure. 2.5. De raadsman van [eisende partijen] heeft op 20 januari 2020 aan Achmea meegedeeld dat de in Italië in beslag genomen [merk motorjacht] de [merk motorjacht] met bouwnummer [bouwnummer 2] van [eisende partijen] is en dat Achmea dus het verkeerde schip aan de ketting heeft laten leggen. [eisende partijen] heeft het schip met nummer [bouwnummer 2] te goeder trouw gekocht en voor een substantieel bedrag restauratiewerkzaamheden daaraan laten uitvoeren door [naam werf 1] , aldus [eisende partijen] . Achmea wordt aansprakelijk gesteld voor de schade die [eisende partijen] zal lijden door de onrechtmatige beslaglegging. Achmea wordt verzocht het schip aan [eisende partijen] vrij te geven. Achmea heeft dat geweigerd. 2.6. [eisende partijen] heeft conservatoir beslag tot afgifte op het schip gelegd. 3De vordering 3.1. [eisende partijen] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, primair Achmea veroordeelt tot het doen afgeven van het schip van [eisende partijen] – de [type motorjacht] [bouwnummer 2] - dan wel dat af te (doen) geven en daartoe alles te doen (dan wel na te laten) wat daarvoor vereist, nodig dan wel daaraan bevorderlijk is, een en ander in de ruimste zin van het woord en, in het verlengde daarvan, het eigendom van [eisende partijen] (het schip de [type motorjacht] [bouwnummer 2] ) binnen uiterlijk 72 uur na betekening van het te wijzen vonnis voor haar rekening en risico te (doen) vervoeren naar een door [eisende partijen] aan te wijzen jachthaven in Frankrijk dan wel een andere in Europa gelegen locatie, dat op straffe van een dwangsom ad € 25.000,00 voor iedere dag dat Achmea daarmee in strijd is en blijft (en tot een maximum van € 250.000,00) dan wel een door de rechtbank te bepalen dwangsom, Achmea veroordeelt om inzage te (doen) geven in de rapportages samengesteld door Brightmaven B.V. en Esma Expertise B.V. voor zover die betrekking (kunnen) hebben op de beslaglegging op het schip van [eisende partijen] (de [type motorjacht] [bouwnummer 2] ) bij [naam werf 1] in Samico, Italie op of omstreeks 15 maart 2019, dat binnen uiterlijk 72 uur na betekening van het te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom ad € 10.000,00 voor iedere dag dat Achmea daarmee in strijd is en blijft (en tot een maximum van € 100.000,00) dan wel een door de rechtbank te bepalen dwangsom, Achmea veroordeelt tot vergoeding van de door [eisende partijen] geleden en te lijden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Achmea, dat voor een bedrag van € 125.000,00 dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank meent dat in deze redelijk en passend is, subsidiair Achmea veroordeelt tot vergoeding van de door [eisende partijen] geleden en te lijden schade van € 146.500,00 op grond van hetzij ongerechtvaardigde verrijking hetzij de redelijkheid en billijkheid, bestaande uit de door [eisende partijen] getrooste restauratie- en advocaatkosten, de aanschafprijs en gederfde huurinkomsten, te vermeerderen met de over dat bedrag verschuldigde wettelijke rente alsmede de buitengerechtelijke kosten, in alle gevallen Achmea veroordeelt tot betaling van de door [eisende partijen] gemaakt advocaatkosten begroot op een bedrag van € 32.000,00 dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank meent in deze redelijk en passend te zijn, dat binnen uiterlijk een week na de betekening van het te wijzen vonnis en Achmea veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van beslaglegging en het salaris van de advocaat van [eisende partijen] . 4Het verweer 4.1. Achmea heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van [eisende partijen] in de kosten van de procedure, te verhogen met de gebruikelijke nakosten (te verhogen met het gebruikelijke gehanteerde tarief indien het vonnis betekend moet worden), bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad. 5De beoordeling 5.1. [eisende partijen] heeft zijn primaire vorderingen gebaseerd op de stellingen dat het schip dat Achmea onder zich houdt niet de gestolen [merk motorjacht] [bouwnummer 1] is maar de aan hem toebehorende [merk motorjacht] [bouwnummer 2] , dat Achmea onrechtmatig jegens hem handelt door te weigeren dat schip aan hem af te geven en dat zij gehouden is de schade te vergoeden die hij door dit onrechtmatig handelen leed en lijdt. Voorafgaande aan de zitting op 25 januari 2022 is hij teruggekomen op dit standpunt en heeft hij verklaard bereid te zijn te accepteren dat het betreffende schip de gestolen [merk motorjacht] [bouwnummer 1] is. Dat betekent dat er geen sprake is geweest van een onrechtmatig handelen van Achmea en dat zij niet uit hoofde daarvan gehouden is tot vergoeding van door [eisende partijen] gestelde schade. De daarop ziende primaire vorderingen zijn dus niet voor toewijzing vatbaar. Dat geldt ook voor de vordering tot inzage in de rapporten van Brightmaven en Esma, nu deze rapporten geen betrekking hebben op de [merk motorjacht] [bouwnummer 2] , maar op de [merk motorjacht] [bouwnummer 1] . 5.2. Subsidiair heeft [eisende partijen] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van Achmea dan wel dat de bevoordeling van Achmea ten laste van hem in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid waardoor een plicht tot schadevergoeding is ontstaan tot een gelijk bedrag als de door [eisende partijen] gemaakte kosten. [eisende partijen] heeft het volgende aangevoerd. Hij heeft het schip op 16 januari 2018 in een slechte staat gekocht voor een bedrag van € 20.000,00. Het was een wrak en de prijs was redelijk. Hij heeft het schip naar de werf van [naam werf 1] in Italië laten vervoeren en het daar laten repareren en restaureren. Toen het schip in beslag werd genomen door de Italiaanse politie was de intensieve en kostbare restauratie net afgerond en was het schip dus weer in goede staat. Voor de werkzaamheden aan de [merk motorjacht] heeft [eisende partijen] een bedrag van in totaal € 69.500,00 aan kosten betaald aan [merk motorjacht] -Ram. Door die door hem betaalde werkzaamheden is de waarde van het schip aanzienlijk gestegen en het is Achmea die nu van die waardestijging profiteert, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging is. Als het door hem aangekochte en op zijn kosten gerestaureerde schip inderdaad de [merk motorjacht] [bouwnummer 1] is, dient Achmea hem de aankoopprijs, de door hem geleden schade waaronder de restauratiekosten te vergoeden, aldus [eisende partijen] . 5.3. Achmea heeft weersproken dat zij ongerechtvaardigd verrijkt is ten laste van [eisende partijen] . Zij heeft onder meer aangevoerd dat de gestolen [merk motorjacht] ten tijde van de diefstal € 75.000,00 waard was en volgens een bericht van de Italiaanse de politie was de waarde op het moment van inbeslagname € 85.000,00. Deze waardevermeerdering is louter een gevolg van het tijdsverloop, aldus Achmea. 5.4. Artikel 6: 212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partijen] na de met stukken onderbouwde betwisting door Achmea geen bewijs geleverd van de door hem gestelde slechte staat en geringe waarde van het schip bij aankoop door hem, zijn stelling dat hij voor een bedrag van € 69.500,00 restauratiewerkzaamheden aan het schip heeft laten verrichten, zijn stelling dat door die werkzaamheden de waarde van het schip aanzienlijk is gestegen, zijn stelling dat de verrijking van Achmea door deze waardestijging van het schip ongerechtvaardigd is. Deze oordelen berusten op het volgende. Ad a. 5.6. [eisende partijen] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het schip een wrak was toen hij het kocht als productie 2 en als productie 44 steeds drie foto’s in het geding gebracht waaruit volgens hem zou blijken wat de conditie van het schip was ten tijde van de aankoop door hem (prod. 2) en kort voor het transport naar Italië (prod. 44). Achmea heeft gemotiveerd weersproken dat de [merk motorjacht] ten tijde van de verwerving door [eisende partijen] in een zodanige slechte staat verkeerde dat een restauratie als door [eisende partijen] gesteld noodzakelijk was. Het schip was gerestaureerd en had ten tijde van de diefstal een waarde van € 75.000,00. Zij betwist dat de foto’s de staat van de [merk motorjacht] [bouwnummer 1] tonen ten tijde van de verwerving door [eisende partijen] . Ook heeft zij aangevoerd dat een schip in de staat als op de foto’s nog altijd een waarde van € 50.000,00 heeft. Vooropgesteld wordt dat op de foto’s geen kenmerken of nummers van het schip zichtbaar zijn waardoor het geïdentificeerd zou kunnen worden als de [merk motorjacht] [bouwnummer 1] . Achmea heeft aanvankelijk betwist dat het schip op de foto’s de [merk motorjacht] [bouwnummer 1] is, maar aan die betwisting wordt voorbijgegaan nu ervan uitgegaan moet worden het door [eisende partijen] gefotografeerde schip inderdaad de [merk motorjacht] [bouwnummer 1] (en niet de [bouwnummer 2] ) is. Uit die foto’s blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de door [eisende partijen] gestelde zeer slechte staat bij verwerving. Daar komt bij dat uit de tijdens het politieonderzoek vastgelegde verklaring van de transporteur van het schip blijkt dat niet uitgesloten is dat [eisende partijen] zelf het schip gedeeltelijk heeft ontmanteld voorafgaande aan het transport. Deze transporteur verklaart dat hij het schip bij [eisende partijen] in België heeft opgehaald en dat hij het toen vreemd vond dat de stootlijst van de boot af was en dat alle stoelen eruit waren gehaald. [eisende partijen] heeft hem toen gezegd dat dit toch moest gebeuren en dat dit geld scheelde, omdat bij [naam werf 1] het uurtje factuurtje is (prod. 26 van Achmea). Deze foto’s leveren dus geen bewijs van de door [eisende partijen] gestelde slechte staat bij verwerving door hem. De door [eisende partijen] overgelegde factuur van € 20.000,00 van 16 januari 2018, volgens de factuur verstrekt aan [eisende partij 1] te Rijswijk door De Mon Products BV uit Brielle, biedt evenmin steun aan die stelling van [eisende partijen] . Het verkochte wordt daarin als volgt omschreven: “ [merk motorjacht] nr. [bouwnummer 2] Originele sleutel in zeer slechte staat gezien en akkoord bevonden Motor defect (…)” Zou al ervan uitgegaan moet worden dat dit een echte factuur is (hetgeen volgens de Nederlandse politie niet het geval
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.