← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2022:7425

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaatsen Arnhem en Rotterdam Parketnummer: 05/131436-21 Datum uitspraak : 20 december 2022 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan de [adres] , Raadsman: mr. M.L. van Gaalen, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  1. primair: op 6 juli 2020 te Beuningen (samen met een ander of anderen) [slachtoffer] heeft vermoord; subsidiair: (samen met een ander of anderen) medeplichtig is geweest bij het plegen van die moord door een of meer anderen in de periode van 4 t/m 6 juli 2020;
  2. in de periode van 15 juni 2020 t/m 5 juli 2020 (samen met een ander of anderen) die moord heeft voorbereid; 2a. De EncroChat- en SkyECC-data als bewijs 2a.1 Inleiding In de onderzoeken Nigeria, Tienhoven en Seegat hebben de raadslieden van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verweren gevoerd die zien op de verkrijging en het gebruik van de EncroChat- en SkyECC-data en de wijze waarop het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank hierover van informatie heeft voorzien. De raadslieden van de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben zich gemotiveerd aangesloten bij de in de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gevoerde verweren. In de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn zowel EncroChat- als SkyECC-data van belang. In de zaken van [medeverdachte 3] en [verdachte] spelen met name SkyECC-data een rol. De rechtbank zal niettemin in de zaken van alle verdachten de verweren met betrekking tot zowel de EncroChat- als de SkyECC-data bespreken. De reden hiervoor is niet alleen dat deze op onderdelen met elkaar samenhangen, maar ook om de leesbaarheid van de vonnissen te bevorderen. Na de weergave van de door de raadslieden gevoerde verweren en het standpunt van het Openbaar Ministerie, zal de rechtbank de feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat- en SkyECC-hacks vaststellen. Daarna zal per verweer een oordeel worden gegeven over de door de verdediging bestreden rechtmatigheid van het onderzoek. De rechtbank gaat bij de vaststelling van de feiten uit van de processen-verbaal en beslissingen van justitiële autoriteiten die onderdeel zijn van het strafdossier. Deze stukken zijn door het Openbaar Ministerie in verschillende fases van het strafproces aangedragen en overgelegd. Hierbij merkt de rechtbank op dat er over dit onderwerp (al dan niet door andere rechtscolleges) reeds meerdere uitspraken en tussenbeslissingen zijn gewezen. Voor zover zij niet tot een ander oordeel is gekomen, heeft de rechtbank, omwille van de rechtseenheid, in voorkomend geval delen uit die andere oordelen overgenomen. 2a.2 De standpunten van de raadslieden en het Openbaar Ministerie De raadslieden van [medeverdachte 1] hebben verweren gevoerd die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging en het gebruik van de EncroChat- en SkyECC-data in het dossier. Zij hebben gesteld dat artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is geschonden doordat de JIT-overeenkomst en de Franse machtigingen die wel aan de rechter-commissaris zijn getoond niet aan het dossier zijn toegevoegd en doordat informatie is zwartgelakt in de 126uba-vordering. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie ten onrechte herhaaldelijk beweerd dat sprake is van een Frans onderzoek, terwijl dit niet het geval is. Verder heeft het Openbaar Ministerie de interne openbaarheid en rechterlijke controle tegengewerkt door onderzoek naar de feiten te blokkeren met een beroep op het vertrouwensbeginsel en onderzoek naar het rechtskader te blokkeren met een beroep op de feiten. Tot slot zijn de werking, betrouwbaarheid en zorgvuldigheid van het opsporingsinstrument waarmee de EncroChat- en SkyECC-data zijn verkregen niet te beoordelen, terwijl sprake is van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu de verkrijging van de EncroChat- en SkyECC-data van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en de verdere vervolging van verdachte, dienen deze vormverzuimen te worden gesanctioneerd in de zaak van verdachte. Het Openbaar Ministerie is doelbewust en met grove veronachtzaming voorbijgegaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de EncroChat- en SkyECC-data van het bewijs moeten worden uitgesloten. Meer subsidiair dient de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden en zich aan te sluiten bij de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Uiterst subsidiair dient strafvermindering te worden toegepast als sanctionering van de gestelde vormverzuimen. De raadslieden van [medeverdachte 2] hebben (eveneens) verweren gevoerd die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging en het gebruik van EncroChat- en SkyECC-data. Zij hebben gesteld dat met de wijze waarop de EncroChat- en SkyECC-data zijn vergaard, bewaard, onderzocht en gebruikt een grove inbreuk is gemaakt op de uit de artikelen 6 en 8 van het EVRM voortvloeiende rechten van verdachte. Daarnaast is sprake van een schending van de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Het internationaal vertrouwensbeginsel is niet van toepassing omdat er een grote Nederlandse inbreng is geweest in de onderzoeken naar EncroChat en SkyECC. Het Openbaar Ministerie heeft deze inbreng door het aannemen van een gesloten en misleidende houding bewust verzwegen en zich bediend van ‘forum shopping’, waarbij misbruik is gemaakt van het Frans staatsgeheim. Deze vormverzuimen vallen binnen het toetsingsbereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van verdachte. Het Openbaar Ministerie is doelbewust en met grove veronachtzaming voorbijgegaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de EncroChat- en SkyECC-data van het bewijs moeten worden uitgesloten. Meer subsidiair dient de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden en zich aan te sluiten bij de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en bij de door de Duitse rechter te stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verdediging van verdachte heeft zich gemotiveerd aangesloten bij voornoemde verweren. De raadsman heeft aangegeven zich niet aan te sluiten bij de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, maar zich wel aan te sluiten bij de overige conclusies en verzoeken. Het Openbaar Ministerie heeft gemotiveerd betoogd dat de verweren moeten worden verworpen. 2a.3 De feitelijke gang van zaken rondom de EncroChat-hack ‘EncroChat’ is de naam van het bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. EncroChat-toestellen zijn een mobiele telefoons waarmee versleutelde berichten konden worden verzonden middels een op deze telefoons geïnstalleerde applicatie. EncroChat leverde naast deze toestellen een pakket aan diensten, bestaande uit toegang tot een communicatienetwerk waarbinnen een gebruiker van de dienst via een chat-applicatie ‘versleuteld’ (encrypted) tekst- en spraakberichten en afbeeldingen kon versturen naar en ontvangen van andere gebruikers van EncroChat-toestellen. De toestellen beschikten over een speciaal ontwikkeld besturingssysteem. Tevens was ieder toestel voorzien van een zogenaamde ‘panic wipe’ en ‘password wipe’ waarmee de inhoud van het complete toestel eenvoudig en snel gewist kon worden. Er was geen mogelijkheid om het apparaat of de simkaart te linken aan een gebruikersaccount. Op 25 september 2017 is het Openbaar Ministerie het onderzoek 26Bismarck gestart dat zich richtte op het bedrijf EncroChat. De reden hiervoor was dat in verschillende Nederlandse en buitenlandse opsporingsonderzoeken sinds 2017 toestellen van dit bedrijf bij verdachten van ernstige strafbare feiten werden aangetroffen. Het betrof een zogenoemd titel V onderzoek: een onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband, zoals bedoeld in boek I, titel V van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Binnen dit onderzoek zijn middels een Europees Opsporingsbevel (EOB) gericht aan Frankrijk meerdere kopieën van de infrastructuur van EncroChat verkregen. Ook in Frankrijk vond onderzoek plaats naar EncroChat. Daaruit bleek dat de server die door EncroChat gebruikt werd zich bevond in Roubaix in Frankrijk. Binnen dit onderzoek heeft de Franse rechter op 30 januari 2020 toestemming gegeven om op deze server een interceptietool te installeren. Op 10 februari 2020 startte het Openbaar Ministerie het titel V onderzoek 26Lemont, dat voortvloeide uit het onderzoek 26Bismarck en zich richtte op het bedrijf EncroChat, diens directeuren en resellers en op de NN-gebruikers van EncroChat-toestellen en de daarbij behorende accounts. De verdenking tegen EncroChat en diens directeuren en resellers betrof het deelnemen aan een criminele organisatie, (gewoonte)witwassen en medeplichtigheid aan de strafbare feiten die door (klanten van) EncroChat zouden zijn gepleegd. In het onderzoek 26Lemont heeft het Openbaar Ministerie op 13 maart 2020 een vordering ingediend bij de rechter-commissaris om een machtiging te verstrekken voor een bevel tot binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk ex artikel 126uba Sv en tot opnemen van (tele)communicatie ex artikel 126t Sv. Op 27 maart 2020 heeft de rechter-commissaris deze machtiging verleend. In die machtiging zijn door de rechter-commissaris afwegingen gemaakt en (in totaal zeven) voorwaarden gesteld, om op die manier de privacyschending van de EncroChat-gebruikers zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. In onderzoek 26Lemont is een Joint Investigation Team (JIT) opgericht en een JIT-overeenkomst gesloten met Frankrijk. Hierin is overeengekomen om alle informatie en bewijsmiddelen die ten behoeve van het JIT worden vergaard te voegen in het gezamenlijke onderzoeksdossier. Op 10 april 2020 is deze JIT-overeenkomst getekend. Op 1 april 2020 is het interceptiemiddel - dat is ontworpen door de Service Technique National de Captation Judiciaire (STNCJ) en onder het Franse staatsgeheim valt - geplaatst op de server die bij de specialistische onderneming OVH in de Franse plaats Roubaix stond. Door de installatie van deze interceptietool op 1 april 2020 en de inzet daarvan hebben de Franse autoriteiten in de periode van 1 april 2020 tot 14 juni 2020 live informatie verzameld van EncroChat-telefoons. Deze informatie bestond uit de tussen de gebruikers uitgewisselde chatberichten en informatie over de contacten, notities en metadata van gebruikers. Een groot deel van de EncroChat-telefoons bevond zich in die periode op Nederlands grondgebied. De verkregen informatie is via een versleutelde verbinding gedeeld met de JIT-partner Nederland en toegevoegd aan het gezamenlijke onderzoeksdossier. De Nederlandse politie heeft vanaf 1 april 2020 tot en met 24 juni 2020 data van EncroChat-toestellen van gebruikers gekopieerd. Om een zo actueel mogelijke kopie van die data van de Franse computersystemen te verkrijgen, gebruikte de Nederlandse politie een wijze van kopiëren waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de verzamelde nieuwe data van de EncroChat-toestellen werd gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. De aldus vanuit Frankrijk verkregen data, veelal bestaande uit EncroChat-berichten, vormen de dataset die de politie in Nederland heeft verkregen binnen het onderzoek 26Lemont. Analyse van die informatie van de klanten van EncroChat heeft geleid tot het starten van meerdere strafrechtelijke onderzoeken in Nederland en het delen van informatie met reeds lopende strafrechtelijke onderzoeken in Nederland. Onderzoek Nigeria is gemeld aan de rechter-commissaris van onderzoek 26Lemont en door de rechter-commissaris voldoende bevonden om de voor onderzoek Nigeria relevante informatie uit de interceptie van onderzoek 26Lemont mee te delen. De officier van justitie van onderzoek 26Lemont heeft op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven om de EncroChat-gegevens te verstrekken aan onderzoek Nigeria. 2a.4 De feitelijke gang van zaken rondom de SkyECC-hack ‘SkyECC’ is de naam van het bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Een SkyECC-toestel is een mobiele telefoon die voorgeprogrammeerd is en met een abonnement ter beschikking wordt gesteld. SkyECC bood meerdere modules voor de telefoons aan die functionaliteiten boden voor e-mail, instant chats, instant groepchats, notities, voicemail, beelden en berichten die na bepaalde tijd automatisch worden vernietigd. Ook beschikten de telefoons over verschillende kenmerken waaronder een ‘distress wachtwoord’ en een ‘remote wipe’ waarmee het mogelijk is om (op afstand) alle data op het toestel te wissen. De telefoons werden volledig anoniem en enkel tegen contante betaling verhandeld. Op 30 oktober 2018 is in Nederland het titel V onderzoek 13Yucca gestart. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van meerdere lopende strafrechtelijke onderzoeken waaruit zou blijken dat personen, die deel uitmaakten van criminele samenwerkingsverbanden die zich bezig hielden met het beramen en plegen van zware criminaliteit, in de periode vanaf augustus 2015 gebruik maakten van telefoons en software van SkyECC om versleuteld te communiceren. Het onderzoek was erop gericht om de criminele samenwerkingsverbanden inzichtelijk te krijgen en zicht te krijgen op gepleegde en nog te plegen strafbare feiten. Voorafgaand aan dit onderzoek was door Nederlandse opsporingsambtenaren reeds vastgesteld dat de servers van SkyECC zich in Frankrijk bevonden. Nederland was ermee bekend dat ook België voornemens was om een strafrechtelijk onderzoek naar de onderneming SkyECC te starten. Aangezien de servers van SkyECC zich bij hostingbedrijf OVH in de Franse plaats Roubaix bevonden hebben de Nederlandse en Belgische autoriteiten contact gezocht met Frankrijk en heeft op 9 oktober 2018 een verkennend overleg plaatsgevonden. Het doel van dit overleg was om toelichting te geven over de aanstaande EOB’s van Nederland en België en helderheid te verkrijgen over de vraag of Frankrijk de onderzoeken zou kunnen verrichten. Nederland heeft vervolgens op 6 december 2018 een EOB naar Frankrijk verzonden met het verzoek om een image te maken van de servers, zodat de technische inrichting van de servers kon worden onderzocht met het oog op nader onderzoek, zoals het tappen en ontsleutelen van de via die servers gevoerde communicatie, en zodat inzicht kon worden verkregen in de organisatie van SkyECC. Verder werd verzocht om informatie te verstrekken ten aanzien van historische en toekomstige klantgegevens van SkyECC, alsmede het verstrekken van technische gegevens van de server. Bij het EOB zijn twee processen-verbaal gevoegd met daarin informatie over de locatie van de SkyECC-infrastructuur en de kenmerken van de SkyECC-applicatie. Voordat dit EOB werd verzonden is door de officier van justitie aan de rechter-commissaris gevraagd om een machtiging om een vordering ex artikel 126ug lid 2 Sv te kunnen doen. De rechter-commissaris verleende die machtiging op 30 november 2018 en gaf toestemming voor het maken van een image, maar met de uitdrukkelijke restrictie dat de vergaarde informatie uitsluitend mocht worden aangewend voor het onderzoek naar de technische mogelijkheden voor het tappen en de ontsleuteling. De inhoud van de eventueel op de servers aan te treffen berichten mocht niet zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. België heeft eerder, op 21 november 2018, een soortgelijk EOB naar Frankrijk gezonden. Frankrijk heeft uitvoering gegeven aan deze EOB’s en heeft de architectuur van de servers geanalyseerd. Uit het onderzoek bleek dat er twee servers werden gehost bij OVH, te weten een hoofdserver die rechtstreeks met het internet verbonden was en een back-upserver. Deze twee servers communiceerden onderling met elkaar via een intranet-netwerk dat binnen OVH overeenkwam met de handelsnaam ‘vRack’. Deze vRack-technologie is ontwikkeld door OVH en maakt het mogelijk om compatibele OVH-producten binnen een of meer privénetwerken te verbinden, isoleren of verdelen. Naar aanleiding van dat onderzoek besloot de Franse officier van justitie bij de rechtbank Lille op 13 februari 2019 een opsporingsonderzoek te openen naar SkyECC. Binnen dat onderzoek heeft de (Franse) officier van justitie op 14 juni 2019 toestemming gevraagd aan de Franse rechter om over te gaan tot interceptie, opname en transcriptie van de communicatie tussen de SkyECC-servers, welke toestemming diezelfde datum is verleend. Op 24 juni en 26 juni 2019 zijn IP-taps geplaatst op de twee servers. In het proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2022 van een rechercheur van onderzoek 26Werl is vermeld dat Nederland niet aanwezig was bij het plaatsen van de IP-tap. Nederland is hier op 8 juli 2019 over geïnformeerd en op 11 juli 2019 zijn de data van de IP-tap beschikbaar geworden voor Nederland. In het tweede EOB van Nederland aan Frankrijk van 16 juli 2019 staat vermeld dat Nederland heeft vernomen dat Frankrijk een tap heeft aangesloten en dataverkeer tussen de SkyECC-servers aftapt en verzoekt Nederland formeel om die verkregen data aan hem te verstrekken. Voorts blijkt uit een ‘bericht van overdracht’ van 20 augustus 2019 dat de geïntercepteerde data door de rechter-commissaris van de rechtbank Lille uit eigen beweging op grond van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag en artikel 7 van het Rechtshulpverdrag zijn overgedragen aan twee officieren van justitie van het parket Rotterdam. Daarbij is verzocht om de bevindingen naar aanleiding van deze data weer terug te koppelen aan Frankrijk. Op 1 november 2019 is opsporingsonderzoek 26Werl opgestart, waarbij de verdenking was gericht tegen het bedrijf SkyECC. Op 13 december 2019 hebben Nederland, België en Frankrijk een JIT-overeenkomst gesloten. Onderzoek 26Werl maakte deel uit van het JIT. Vanaf dit moment zijn de door Frankrijk geïntercepteerde data aan het gemeenschappelijke onderzoeksteam verstrekt en op die wijze gedeeld met Nederland en België. De IP-tap data zijn geanalyseerd en verwerkt en tijdens de analyse is gebleken dat de getapte IP-communicatie versleutelde communicatie bevatte. Sommige informatie was niet versleuteld. Zo werd in de loop van juli 2019 inzicht verkregen in de onderwerpregels van sommige groepsgesprekken en de SkyECC-ID’s van de deelnemers aan deze groepsgesprekken. Ook werd uit de interceptie op dit netwerk inzicht verkregen in de nicknames van SkyECC-gebruikers en bleek dat berichten om andere gebruikers als contactpersoon uit te nodigen niet versleuteld werden verstuurd. Op 15 november 2019 is gebleken dat een deel van de groepsberichten mogelijk kon worden ontsleuteld en is bij wijze van test een eerste groepsbericht succesvol ontsleuteld. De JIT-partners hebben toen besloten om de groepsberichten tot nader order niet te ontsleutelen, omdat de mogelijk te ontsleutelen dataset beperkt en zeer incompleet zou zijn en daardoor onvoldoende mogelijkheden zou bieden om onderzoek te verrichten. Met uitzondering van enige testberichten zijn er overeenkomstig het besluit van het JIT tot aan de aanloop van de livefase geen groepsberichten ontsleuteld. Nederlandse technici hebben binnen het JIT een techniek ontwikkeld om een kopie te maken van het werkgeheugen van één van de SkyECC-servers zonder dat die offline zou gaan. Op 14 mei 2020 en 3 juni 2020 heeft Frankrijk die ontwikkelde techniek ingezet. Vervolgens heeft Nederland een zogenoemde ‘Man in the middle-techniek’ (MITM-techniek) ontwikkeld, die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk maakte. Deze techniek is door de JIT-partners gezamenlijk doorontwikkeld en verfijnd. Deze techniek is op 18 december 2020 aangesloten en geactiveerd, nadat de Franse adviescommissie, die een oordeel moet vellen over apparatuur die inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim, hier een vergunning voor heeft verleend. Op 11 december 2020 is het titel V onderzoek 26Argus gestart. Dit onderzoek richtte zich op de NN-gebruikers van SkyECC. Dit onderzoek heeft onder meer tot doel om aan de hand van de inhoudelijke data de criminele samenwerkingsverbanden die gebruikmaken van cryptotelefoons van SkyECC in beeld te brengen en te analyseren. In het onderzoek 26Argus heeft het Openbaar Ministerie op 14 december 2020 een vordering ingediend bij de rechters-commissarissen om een machtiging te verstrekken voor een bevel op grond van artikel 126t en 126t, zesde lid Sv. Op 15 december 2020 hebben de rechters-commissarissen deze machtiging verleend. Op 5 en 11 februari 2021 heeft het Openbaar Ministerie een (aanvullende) vordering ingediend bij de rechters-commissarissen om een machtiging te verlenen op grond van artikel 126uba Sv, welke machtigingen op 7 en 11 februari 2021 zijn verleend. In een proces-verbaal van bevindingen van de rechters-commissarissen hebben zij inzicht gegeven in de gang van zaken en hun afwegingen en beslissingen. Aangezien de wet geen procedure kent voor dit soort gevallen, hebben de rechters-commissarissen zich allereerst afgevraagd of er wel een machtiging van hen vereist was en waarop hun bevoegdheid in dat geval was gebaseerd. Zij concludeerden dat hoewel op voorhand niet vaststaat dat een beslissing van de Nederlandse rechter-commissaris noodzakelijk is voor de rechtmatigheid van het gebruik van de SkyECC-data, een toetsing van de proportionaliteit door de rechter-commissaris toch aangewezen is, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De rechters-commissarissen hebben afwegingen gemaakt en (in totaal zeven) voorwaarden gesteld, om op die manier de privacy schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. In de verlenging van de machtiging ex artikel 126t Sv van 11 januari 2021 zijn de voorwaarden waaronder aanvullende toestemming kan worden verkregen voor het gebruik van de data nader uitgewerkt. De aanvragen zijn onderverdeeld in vier categorieën en steeds is bepaald wat de omvang is van de SkyECC-data waarvoor toestemming werd gegeven en van welke kaders de communicatie mocht worden ingezien en gebruikt. De rechter-commissaris van onderzoek 26Argus heeft op 15 februari 2021 toestemming verleend aan een Treat To Life-onderzoek

(757)om de inhoud van het SkyECC-account VABPI2 te lezen. Op 17 februari 2021 verleende de rechter-commissaris op verzoek van de officier van justitie aanvullende toestemming om onderzoek te doen naar de communicatie van de contacten van de SkyECC-accounts VABPI2 en 2LBGJ9 (A-kader). Daarnaast is toestemming verleend om onderzoek te doen naar de communicatie van de contacten van deze accounts met anderen (B-kader) en de contacten van deze B-kader accounts met anderen (kader C). Op 24 februari 2021 is door de bevoegde officier van justitie van onderzoek 26Argus op grond van artikel 126dd Sv toestemming verleend om de gegevens die afkomstig zijn van dit SkyECC-account te gebruiken in onderzoek Nigeria. Op 20 maart 2021 heeft de rechter-commissaris toestemming verleend om onderzoek te doen naar de communicatie van - onder andere - de SkyECC-accounts VABPI2, CA2M5O, S0AFLR, RNI29T en W3M585 (A-kader). Daarnaast is toestemming verleend om onderzoek te doen naar de communicatie van de contacten van deze accounts met anderen (B-kader) en de contacten van deze B-kader accounts met anderen (kader C). De officier van justitie van het onderzoek 26Argus heeft op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven om de relevante SkyECC-gegevens uit onderzoek 26Argus te verstrekken aan onderzoek Nigeria. 2a.5 Is de verkrijging van de EncroChat- en SkyECC-data rechtmatig? Voorbereidend onderzoek tegen verdachte? De verkrijging van de EncroChat- en SkyECC-data heeft respectievelijk plaatsgevonden in de onderzoeken 26Lemont en 26Argus. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of deze onderzoeken kunnen worden aangemerkt als voorbereidende onderzoeken tegen verdachte en daardoor binnen het toepassingsbereik van artikel 359a Sv vallen. De toepassing van artikel 359a Sv is immers beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet onder voorbereidend onderzoek worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarnaast heeft het voorbereidend onderzoek in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechter in diens strafzaak heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Onderzoek 26Lemont richtte zich op het bedrijf EncroChat, diens directeuren en resellers en op de NN-gebruikers van EncroChat-toestellen. Onderzoek 26Argus richtte zich op de NN-gebruikers van SkyECC toestellen. Op grond van de hiervoor beschreven door de rechtbank gedane feitelijke vaststellingen, stelt de rechtbank vast dat deze onderzoeken zich niet richtten op geïdentificeerde gebruikers van EncroChat- en SkyECC-telefoons. De NN-gebruikers waarop deze onderzoeken zich richtten kunnen op grond van de wetsgeschiedenis niet gelijk worden gesteld aan een verdachte in de zin van artikel 27 Sv. Ingevolge artikel 27 Sv wordt vóórdat de vervolging is aangevangen als verdachte aangemerkt degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Onderzoeken 26Lemont en 26Argus zijn zogenaamde titel V-onderzoeken waarin onderzoek wordt gedaan naar een crimineel verband en de rol die verschillende personen bij dat verband spelen. Bij enkele in titel V geregelde bevoegdheden, namelijk het opnemen van telecommunicatie en het opnemen van vertrouwelijke communicatie, is de kring van personen beperkt tot personen ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van ernstige misdrijven. Zij behoeven geen verdachte te zijn in de zin van artikel 27 Sv, maar zij dienen wel een meer dan toevallige betrokkenheid te hebben bij het criminele handelen van de groepering, die bijvoorbeeld blijkt uit meer dan incidentele contacten met de criminele organisatie of haar leden. Een ‘redelijk vermoeden’ betreft hier niet de betrokkenheid van een individuele gebruiker bij een individueel strafbaar feit, maar betrokkenheid van personen bij een crimineel verband. Om dit onderscheid te duiden heeft de wetgever in titel V nadrukkelijk voor de term ‘persoon/gebruikers’ gekozen en niet voor de term ‘verdachte’ (Kamerstukken II, 1996-1997, 25403, nr. 3, paragraaf 3.1.1.). De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de onderzoeken 26Lemont en 26Argus niet dienen te worden aangemerkt als voorbereidende onderzoeken in de zaak tegen verdachte. Deze onderzoeken staan los van de onderzoeken Nigeria, Tienhoven en Seegat, die al waren aangevangen ten tijde van de analyse van de in de onderzoeken 26Lemont en 26Argus verkregen data. Vormverzuimen buiten het voorbereidend onderzoek tegen verdachte Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Een rechtsgevolg kan op zijn plaats zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit (Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en ECLI:NL:HR:2020:1890). Voordat de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de vraag of (een) eventue(e)l(
  1. e)vormverzuim(
  2. en)en/of onrechtmatige handeling(
  3. en)in de onderzoeken 26Lemont en/of 26Argus van bepalende invloed is/zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit, dient de rechtbank te beoordelen of in deze onderzoeken sprake is geweest van vormverzuimen en/of onrechtmatige handelingen. Het vertrouwensbeginsel De rechtbank stelt vast dat de inzet van de methode waarmee de EncroChat- en SkyECC-data in Frankrijk zijn ondervangen, is geschied in een Frans opsporingsonderzoek en met toestemming van een Franse rechter op basis van Frans recht. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich mee dat staten over en weer mogen vertrouwen op ieders rechtssysteem. Dat wederzijds vertrouwen vindt zijn grondslag in verdragen, waaronder het EU-verdrag, het EU-rechtshulpverdrag en het EVRM. Zowel Nederland als Frankrijk is een EU-lidstaat en is verdragspartij bij het EVRM. Dit brengt mee dat het niet tot de taak van de Nederlandse rechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek in Frankrijk is uitgevoerd strookt met de dienaangaande in Frankrijk geldende rechtsregels. De inzet van de interceptietool door Frankrijk en de verkrijging van de EncroChat- en SkyECC-data wordt dus niet getoetst door de Nederlandse rechter. De verdediging heeft zich ten aanzien van zowel EncroChat als SkyECC op het standpunt gesteld dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, omdat Nederland een veel groter aandeel heeft gehad in de hacks dan door het Openbaar Ministerie is toegegeven. Volgens de verdediging heeft het Openbaar Ministerie bewust ervoor gekozen het onderzoek als Frans af te schilderen, zodat misbruik kan worden gemaakt van het Frans staatsgeheim en het onderzoek naar de hacks door de Nederlandse rechter en de verdediging onmogelijk wordt gemaakt. De officier van justitie heeft aangegeven dat de inbreng van Nederland heeft bestaan uit het voorstellen van verbeteringen na het aansluiten van de eerste IP-tap, het ontwikkelen van een techniek om een kopie van het werkgeheugen van de server te maken zonder dat deze offline gaat, het verlenen van technische bijstand tijdens een doorzoeking, het ontwikkelen van een ontsleutelingscertificaat en het ontwikkelen van de MITM-techniek. De rechtbank overweegt dat de door de officier van justitie geschetste Nederlandse inbreng aansluit bij de door de rechtbank gedane feitelijke vaststellingen. Die mate van inbreng brengt niet mee dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de hack (mede) bij Nederland is komen te liggen en het uitgangspunt van het vertrouwensbeginsel moet worden verlaten. Nederlandse opsporingsambtenaren hebben weliswaar een techniek ontwikkeld om een kopie van het werkgeheugen van de server te kunnen maken zonder dat de server offline gaat, alsook de MITM-techniek ontwikkeld waardoor de onderschepte berichten konden worden ontsleuteld, maar deze technieken zijn toegepast door middel van Franse opsporingsbevoegdheden die naar Frans recht zijn getoetst door een Franse rechter. De omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren de interceptietool (mede) hebben ontwikkeld en technische bijstand hebben geleverd, maakt dat niet anders. Evenmin leidt de omstandigheid dat de Franse autoriteiten door middel van hun onderzoek ook bij Nederlandse telefoons zijn binnengedrongen tot de conclusie dat sprake is van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geschied. De bedrijven EncroChat en SkyECC boden digitale diensten aan. Inherent aan digitale dienstverlening is dat deze over traditionele landsgrenzen heengaat. Het begrenzen volgens die traditionele landsgrenzen van een strafrechtelijk onderzoek is naar zijn aard onmogelijk. Ook als (een deel van) de SkyECC-data in dit dossier afkomstig zou zijn van in Frankrijk in beslag genomen servers die voor onderzoek zijn overgebracht naar het laboratorium van het Team High Tech Crime van de Landelijke Eenheid in Driebergen, zoals de verdediging heeft gesteld, brengt die bijstand van Nederlandse opsporingsambtenaren evenmin mee dat sprake is van een uitoefening van Nederlandse opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied (Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612). De verdediging heeft verwezen naar het arrest van het EHRM van 27 oktober 2011 in de zaak Stojkovic t. Frankrijk en België. Ook in die zaak kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen argument worden gevonden om aan te nemen dat het vertrouwensbeginsel niet zou gelden ten aanzien van de verkrijging van de EncroChat- en SkyECC-data door Frankrijk. In de zaak Stojkovic verleende België rechtshulp aan Frankrijk door de in België gedetineerde Stojkovic te horen. Naar Frans recht kon Stojkovic worden aangemerkt als een ‘témoin assisté’, tegen wie een verdenking van een strafbaar feit bestond en die recht had op rechtsbijstand bij zijn verhoor. Bij het Belgische verhoor van Stojkovic was een Franse rechter-commissaris aanwezig. Stojkovic had naar het toen geldende Belgische recht evenwel geen recht op rechtsbijstand bij zijn verhoor. Zijn verzoek om bijstand van een (Franse) raadsman werd dan ook afgewezen. Het EHRM oordeelde onder meer dat ook als de beperking van het recht in kwestie aanvankelijk niet aan de Franse autoriteiten te wijten was, de Franse strafrechter niettemin verantwoordelijk was voor de eerlijkheid van de nadien in Frankrijk gevolgde strafprocedure als geheel en dus consequenties had moeten verbinden aan de gang van zaken in België. Anders dan in die situatie, is er in dit onderzoek geen aanwijzing dat de inzet van de interceptietool in Frankrijk bij wijze van rechtshulp aan Nederland is ingezet, in die zin dat de inzet van de bevoegdheid door de Franse autoriteiten in Frankrijk onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Nu de rechtbank van oordeel is dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is, missen de verweren van de verdediging die ervan uitgaan dat door het Openbaar Ministerie ten onrechte met een beroep op het vertrouwensbeginsel informatie wordt achtergehouden en daardoor de controle door de verdediging en de rechter wordt gefrustreerd feitelijke grondslag, zodat deze worden verworpen. Dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is, betekent dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop buitenlands onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels. Evenmin toetst de Nederlandse strafrechter of voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM een voldoende wettelijke grondslag bestond en of die inbreuk noodzakelijk was, onder meer omdat het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk. De taak van de rechtbank is ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van het buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces van verdachte als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM (Hoge Raad 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Gestelde vormverzuimen of onrechtmatige handelingen binnen 26Lemont en 26Argus De rechtbank constateert dat niet gebleken is van een begin van aannemelijkheid dat er binnen 26Lemont onrechtmatige handelingen zijn begaan. Voor zover de verdediging heeft willen bepleiten dat een begin van aannemelijkheid is gegeven met het arrest van de hoogste Franse rechter op 11 oktober 2022 (ECLI:FR:CCASS:2022:CR01226), volgt de rechtbank dit niet. Uit dit arrest volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Franse cassatierechter de Franse EncroChat-operatie onrechtmatig achtte noch dat de uitkomsten daarvan onbetrouwbaar zouden zijn. Integendeel, de onderliggende uitspraak van het Franse hof in Metz is alleen vernietigd op grond van een motiveringsgebrek. Dat gebrek betrof het ontbreken van een door het hoofd van de technische instantie afgegeven certificaat waarin de oprechtheid van de verstrekte resultaten wordt bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dat oordeel onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat in het Franse onderzoek sprake is geweest van zodanige onrechtmatigheden dat die rechtsgevolgen zouden moeten hebben voor het gebruik van EncroChat- en/of SkyECC-data uit de Nederlandse EncroChat- en SkyECC-onderzoeken in de zaak van verdachte. Voor zover uit dit arrest zou kunnen volgen dat mogelijk sprake is van een strafvorderlijk gebrek in verband met het ontbreken van een certificaat van authenticiteit, is nog volstrekt onduidelijk of, en zo ja welke consequenties daaraan in die zaak zouden worden verbonden en vervolgens - mede beoordeeld in het licht van het vertrouwensbeginsel - voor de onderzoeken Nigeria, Tienhoven en Seegat. Daarnaast constateert de rechtbank dat niet is gebleken van een begin van aannemelijkheid dat er binnen 26Argus onrechtmatige handelingen zijn begaan. Voor zover de verdediging heeft willen bepleiten dat een begin van aannemelijkheid van onrechtmatig handelen inzake de verkrijging van de SkyECC data is gegeven met het arrest van het Italiaanse Hof van Cassatie van 15 juli 2022, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank constateert dat een Italiaanse rechterlijke uitspraak geen gezag heeft in Nederland en alleen al om die reden niet betrokken zal worden in de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren. Voorts moet gelet op de verschillen tussen de nationale rechtssystemen, grote terughoudendheid worden betracht met het toepassen van buitenlandse rechterlijke beslissingen op de Nederlandse rechtspraktijk. De Italiaanse uitspraak is voor de onderhavige zaak dan ook niet relevant. Conclusie 26Lemont en 26Argus zijn geen voorbereidende onderzoeken in de zaak tegen verdachte. Niet is gebleken van een begin van aannemelijkheid dat sprake is geweest van enig vormverzuim dan wel enige onrechtmatigheid in die onderzoeken, zodat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit. De EncroChat- en SkyECC-data zijn dus rechtmatig verkregen. 2a.6 Heeft het gebruik van de EncroChat- en SkyECC-data in Nederland rechtmatig plaatsgevonden? Zoals de rechtbank hiervoor in paragraaf 3.5 heeft overwogen is het vertrouwensbeginsel niet van toepassing op de vraag of het gebruik van de EncroChat- en SkyECC-data in Nederland rechtmatig heeft plaatsgevonden. De rechtbank dient echter wel te beoordelen of de wijze waarop van de resultaten van het Franse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het van het EVRM. Toepasselijkheid EU-recht en EVRM De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het verwerken, bewaren en gebruiken van de EncroChat- en SkyECC-data valt onder de werkingssfeer van EU-richtlijn 2016/680 en dus het Unierecht. Doordat EU-richtlijn 2016/680 van toepassing is, kan volgens de verdediging een parallel worden getrokken met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot EU-richtlijn 2002/58. Er is sprake van een inbreuk op artikelen 7 en 8 van het Handvest, omdat met de verwerking van de EncroChat- en SkyECC-data inbreuk is gemaakt op de in die artikelen vervatte grondrechten, terwijl die inbreuk gelet op het bepaalde in artikel 52 van het Handvest niet gerechtvaardigd was. Ook is het gebruik van deze data in strijd met de artikelen 8 en 6 van het EVRM. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het Unierecht of het EVRM. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat EU-richtlijn 2002/58 niet van toepassing is in deze zaak, maar dat EU-richtlijn 2016/680 dat wel is. EU-richtlijn 2016/680 ziet op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen. Uit artikel 51 lid 1 Handvest volgt dat de bepalingen uit het Handvest zich richten tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Daarvan is sprake wanneer een juridische situatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Wanneer nationale wetgeving wordt toegepast die is aangenomen ter omzetting van een richtlijn of een kaderbesluit, dan is sprake van het ten uitvoer brengen van Unierecht. EU-richtlijn 2016/680 is in Nederland geïmplementeerd in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Het verwerken van de EncroChat- en SkyECC-data valt dus wel onder de werkingssfeer van deze EU-richtlijn en daarmee is dus het Handvest en het Unierecht van toepassing. Daarnaast is het EVRM van toepassing. Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat verwerking van de dataset in strijd is met artikel 8 van het EVRM en niet voldoet aan de door het EHRM gestelde criteria in het arrest Big Brother Watch e.a. t. het Verenigd Koninkrijk, stelt de rechtbank voorop dat de feiten en omstandigheden in dit arrest niet gelijk te stellen zijn aan de feiten en omstandigheden van onderzoeken 26Lemont en 26Argus en de daaruit volgende onderzoeken. In voornoemd arrest ging het immers om bulkinterceptie, uitgevoerd door inlichtingendiensten ten behoeve van nationale veiligheidsbelangen. Bulkinterceptie kenmerkt zich door ongerichte interceptie van data, waarbij de data van een niet-afgebakende groep mensen wordt onderschept. In de onderhavige onderzoeken is echter sprake van een door de Franse opsporingsautoriteiten gerichte interceptie op de servers van respectievelijk EncroChat en SkyECC. Aan deze interceptie lagen concrete verdenkingen ten grondslag, dat deze bedrijven betrokken waren bij (deelname aan) strafbare feiten. Die verdenkingen zijn onderbouwd met onder meer informatie uit strafrechtelijke onderzoeken tegen EncroChat- en SkyECC-gebruikers en zijn door de Franse rechter getoetst. De daadwerkelijk onderschepte data was afkomstig van een afgebakende groep, namelijk de gebruikers van EncroChat en SkyECC, terwijl tegen deze groep gebruikers het vermoeden bestond dat zij de toestellen gebruikten voor criminele doeleinden gelet op de werking van en specifieke faciliteiten op deze toestellen. Voorts verdient opmerking dat de dataverzameling anoniem geschiedde. Pas na het plaatsvinden van nader opsporingsonderzoek kon (in sommige gevallen) een persoon gekoppeld worden aan een gebruikersaccount. Dat is een essentieel verschil met bijvoorbeeld het bewaren van de metadata van alle abonnees van een telecomprovider ten behoeve van eventuele toekomstige strafrechtelijke onderzoeken of screening in het kader van terrorismebestrijding. De hacks betreffen dus geen bulkdata-interceptie als bedoeld in de aangehaalde jurisprudentie van het EHRM. Op deze vorm van interceptie kunnen de criteria zoals genoemd in deze jurisprudentie niet één op één worden toegepast. Is inbreuk gemaakt op grondrechten? De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of inbreuk is gemaakt op de grondrechten uit het Handvest en het EVRM. In artikel 7 Handvest is het grondrecht van de burger op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie neergelegd. In artikel 8 Handvest is het grondrecht op - kort gezegd - privacy van burgers neergelegd. Uit artikel 52 lid 1 Handvest volgt dat beperkingen op die grondrechten zijn toegelaten, mits die bij wet zijn gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In artikel 8 van het EVRM is het recht op privacy neergelegd. Uit het tweede lid volgt dat beperkingen op dit recht zijn toegestaan, mits die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank stelt vast dat er een inbreuk is gemaakt op de privacy van de gebruikers van EncroChat en SkyECC doordat de Nederlandse opsporingsdiensten kennis hebben kunnen nemen van de dataset en de inhoud van de berichten die de gebruikers via deze diensten gewisseld hebben. De rechtbank merkt op dat verdachte niet heeft aangegeven dat hij gebruik heeft gemaakt van deze diensten, noch gesteld heeft dat inbreuk is gemaakt op zijn privacy. Omdat de rechtbank later in het vonnis vast zal stellen dat verdachte wel gebruik heeft gemaakt van deze diensten, zal zij toch uitgaan van een inbreuk op de privacy van verdachte. Overigens kan worden betwijfeld hoe groot deze inbreuk is, aangezien het nog maar de vraag is in hoeverre hier rechtens te respecteren belangen spelen en of met de inhoud van de data een behoorlijk beeld kon worden verkregen van het privéleven van verdachte. Is de inbreuk bij wet voorzien? De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid van de opslag van de serverdata bij wet is voorzien. De wettelijke basis is gegeven in artikel 126uba Sv. Hierin wordt aan de officier van justitie de bevoegdheid verleend om (na machtiging van de rechter-commissaris) een bevel te geven aan een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar om in een geautomatiseerd werk binnen te dringen en vervolgens onderzoek te doen met het oog op onder meer bepaalde kenmerken van de gebruiker, zoals de identiteit of de locatie, en de vastlegging daarvan, maar ook met het oog op de uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 126t Sv, oftewel het afluisteren, en met het oog op de vastlegging van gegevens die in het geautomatiseerde werk zijn of worden opgeslagen. Het feit dat de hack zelf, het binnendringen in het geautomatiseerde werk, door de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee artikel 126uba Sv niet meer van toepassing is op hetgeen na die hack is gebeurd, namelijk het afluisteren en onderzoeken. De rechtbank oordeelt daarom dat artikel 126uba Sv een wettelijke grondslag biedt voor het ontvangen, opslaan en onderzoeken van de EncroChat- en SkyECC-data. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat beperkingen op de grondrechten als bedoeld in de artikelen 7 en 8 Handvest alsmede artikel 8 EVRM bij wet zijn voorzien. Proportionaliteit en subsidiariteit De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of is voldaan aan de uit artikel 52 lid 1 Handvest en artikel 8 lid 2 EVRM voortvloeiende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zoals blijkt uit de overwegingen van de rechters-commissarissen in de onderzoeken 26Lemont en 26Argus, is uit de onderzoeken naar EncroChat en SkyECC naar voren gekomen dat een groot deel van de gebruikers deze diensten met name gebruikte voor het voorbereiden en plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende vormen van (georganiseerde) criminaliteit, en dat de gevoerde - versleutelde - communicatie veelal betrekking had op strafbare feiten en niet of nauwelijks op het privéleven van de gebruikers. Er is dus geen sprake geweest van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling. Er was sprake van een afgebakende groep. De verdediging heeft in dit kader aangevoerd dat uit het arrest van het EHRM van 20 juli 2021 in de zaak [andere zaak] . Turkije volgt dat het enkele gebruik van een cryptotelefoon geen redelijk vermoeden van schuld oplevert dat iemand zich bezighoudt met criminaliteit. Hoewel uit dit arrest volgt dat het enkele downloaden van een cryptocommunicatieapplicatie onvoldoende is voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld voor deelneming aan een terroristische organisatie, volgt hieruit niet dat de gebruikers van een dure, niet op de vrije markt verkrijgbare telefoon die enkel gebruikt kan worden voor cryptocommunicatie met andere gebruikers van eenzelfde soort telefoon, zoals het geval is bij telefoons van EncroChat en SkyECC, geen afgebakende groep zijn en dat dus sprake is geweest van algemene en ongedifferentieerde dataverzameling. Dat standpunt berust op een onjuiste lezing van dit arrest. De rechtbank volgt de verdediging dus niet in dit betoog. Verder hebben de rechters-commissarissen in beide onderzoeken overwogen dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze kon worden verkregen en worden gebruikt. Zij hebben vervolgens voorwaarden geformuleerd teneinde de privacy schending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat de door de rechters-commissarissen gegeven machtigingen voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij de rechtbank een en ander overigens slechts marginaal toetst. Er is slechts gezocht met behulp van zoeksleutels die sterke aanwijzingen leveren voor ernstige georganiseerde criminaliteit, terwijl is vastgesteld dat de EncroChat- en SkyECC-diensten grotendeels werden gebruikt voor het voorbereiden en plegen van ernstige criminaliteit. De rechters-commissarissen hebben bovendien (beperkende/strenge) voorwaarden gesteld aan de wijze waarop de data zouden/konden worden doorzocht. Uit wat uiteen is gezet in paragrafen 2a.3 en 2a.4 volgt dat de data zijn onderzocht en vervolgens gebruikt met aanvullende toestemming van de rechters-commissarissen op grond van die machtigingen. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat is voldaan aan de proportionaliteiteis en subsidiariteitseis. Conclusie De rechtbank concludeert dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer bij wet is voorzien met inachtneming van de in het Unierecht en het EVRM neergelegde waarborgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen vormverzuimen of andere onrechtmatigheden zijn gebleken bij het analyseren, verwerken en gebruiken van de EncroChat- en SkyECC-data. De rechtbank oordeelt dat het analyseren, verwerken en gebruiken van de EncroChat- en SkyECC-data rechtmatig is en dat dus ook geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat van een dergelijke schending sprake is door de wijze waarop het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank van informatie heeft voorzien, verwijst de rechtbank voor de beoordeling hiervan naar paragraaf 2a.7. 2a.7 Informatievoorziening door het Openbaar Ministerie De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie doelbewust onvolledige en onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de hacks en daarmee heeft geprobeerd de verdediging en de rechtbank te misleiden. De meeste argumenten die de verdediging naar voren heeft gebracht, zien specifiek op de hack van SkyECC, maar vanwege de onderlinge samenhang tussen de beide hacks bedoelt de verdediging - naar eigen zeggen - hierbij ook steeds de hack van EncroChat. Volgens de verdediging heeft het Openbaar Ministerie zich schuldig gemaakt aan ‘forum shopping’ en hebben de JIT-partners misbruik gemaakt van het Frans staatsgeheim. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie in strijd met artikel 126aa Sv gehandeld doordat aan de rechter-commissaris meer stukken ter inzagezijn gegeven dan aan de verdediging. Bovendien dienen de verdediging en de rechtbank op grond van dit artikel geïnformeerd te worden over de opsporingshandelingen die door de Franse autoriteiten zijn verricht. Het Openbaar Ministerie is hiermee doelbewust en met grove veronachtzaming voorbijgegaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. De officier van justitie heeft de stellingen van de verdediging gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de gevoerde verweren in het navolgende puntsgewijs bespreken. Onjuiste informatievoorziening door het Openbaar Ministerie De rechtbank stelt vast dat de verdediging de gestelde onjuiste informatievoorziening door het Openbaar Ministerie duidelijk heeft toegespitst op de hack van SkyECC. Ten aanzien van EncroChat zijn geen concrete argumenten naar voren gebracht op grond waarvan gesteld kan worden dat het Openbaar Ministerie hierbij onjuiste informatie heeft verschaft aan de verdediging en de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank is er ook geen begin van aannemelijkheid dat hiervan sprake is. De rechtbank zal op dit punt daarom enkel de informatievoorziening door het Openbaar Ministerie met betrekking tot de hack van SkyECC bespreken. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie in de brief van 30 april 2021 met als onderwerp ‘Juridisch kader gebruik geïntercepteerde data’ onder andere het volgende heeft geschreven: “Later is de informatie die de Franse autoriteiten hebben verkregen met behulp van hun interceptietool vanuit het JIT gedeeld met dit onderzoek, dit betrof de metadata.”; “Vanaf de start van dit onderzoek hebben de Franse autoriteiten de onderzoeksbevindingen die zij hebben verkregen met de inzet van hun interceptietool gedeeld met het onderzoeksteam Werl” en “Binnen het JIT is overeengekomen dat de met behulp van de Franse interceptietool verkregen gegevens kunnen worden gedeeld met andere onderzoeksteams in Nederland, indien de afscherming van het brononderzoek gewaarborgd kon worden.” In de brief van 13 september 2021 met - eveneens - als onderwerp ‘Juridisch kader gebruik geïntercepteerde data’ schreef het Openbaar Ministerie onder andere: “In verschillende strafzaken hebben rechtbanken zich inmiddels uitgelaten over soortgelijke verzoeken in het onderzoek 26Lemont waarin onderzoek is gedaan naar een andere aanbieder van versleutelde communicatie (EncroChat). (…) De enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren ten tijde van de ontwikkeling en plaatsing van de interceptietool technische expertise en/of bijstand aan een ander land, in dit geval Frankrijk, hebben geleverd kan er niet toe leiden dat het vertrouwensbeginsel opzij wordt gezet. Die Nederlandse technische inbreng doet immers niets af aan het feit dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek geheel bij de Franse autoriteiten ligt: de vorderingen zijn door een Franse rechter getoetst, naar Frans recht. Dat binnen het JIT nauw is samengewerkt is vanzelfsprekend en essentieel voor het opstellen van een gezamenlijk opsporingsteam tussen twee of meerdere landen. Het betekent geenszins dat het Nederlandse Openbaar Ministerie invloed heeft gehad op de beoordeling die in Frankrijk heeft plaatsgevonden door de (onderzoeks)rechter betreffende de wettelijke grondslag voor de inzet van het interceptiemiddel en de daarbij behorende belangenafwegingen. De rechtmatigheid van het interceptiemiddel, alsmede de inzet daarvan in Frankrijk en de daaruit verkregen SkyECC-data, staat in Nederland niet ter beoordeling en mag worden verondersteld. (…) In verschillende onderzoeken is door de verdediging gesuggereerd dat de inzet van het interceptiemiddel binnen het Nederlandse onderzoek Argus heeft plaatsgevonden. Deze aanname berust op een misverstand. De inzet van het middel heeft plaatsgevonden op Frans grondgebied, binnen een Frans onderzoek met toepassing van Franse rechterlijke machtigingen.” In de brief van het Openbaar Ministerie van 2 juni 2022 met als onderwerp ‘Franse vertaalde processtukken gevoegd in Belgische strafzaken’ schreef het Openbaar Ministerie onder andere: “Vanaf de start van het JIT is de geïntercepteerde data door Frankrijk aan het gemeenschappelijk onderzoeksteam verstrekt en op die wijze gedeeld met Nederland en België. Beide landen hebben steeds geassisteerd bij de analyse van de data en de resultaten daarvan zijn steeds onderling gedeeld met de deelnemende JIT-partners. (…) Gedurende dit gezamenlijke onderzoek werd in Nederland een techniek ontwikkeld om een kopie van het werkgeheugen van één van de servers van SkyECC te maken. Het doel hiervan was om versleutelingselementen en/of wachtwoorden te verkrijgen die gebruikt worden om de verbinding tussen toestellen en de SkyECC servers te kunnen ontcijferen en de SkyECC servers later forensisch te kunnen onderzoeken. In november 2019 zijn Nederlandse en Belgische rechercheurs er in geslaagd een deel van de groepsberichten te ontsleutelen. (…) Binnen het gemeenschappelijke onderzoeksteam zijn Nederlandse rechercheurs en technici er uiteindelijk in november 2020 in geslaagd een techniek te ontwikkelen om met behulp van een zogeheten Man in the Middle (MITM) de versleutelingselementen te verkrijgen die zijn opgeslagen op elke telefoon die de Sky ECC-applicatie gebruikte. De techniek is gedeeld met de Fransen, zodat zij de techniek konden gebruiken, indien en voor zover de techniek paste binnen de voorwaarden die de Franse wet stelt aan de door hen gekozen vorm van interceptie. (…) De enkele omstandigheid dat vanuit Nederland een bijdrage is geleverd aan de ontwikkeling van de ingezette middelen en dat de JIT-partners intensief hebben samengewerkt, maakt nog niet dat er reden is te twijfelen aan de rechtmatigheid van de in Frankrijk af gegeven machtigingen.” Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat het Openbaar Ministerie in de brief van 30 april 2021 herhaaldelijk heeft gesuggereerd dat de interceptietool door Frankrijk was ontwikkeld en ook door Frankrijk was ingezet. In deze brief heeft het Openbaar Ministerie op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat er een Nederlandse inbreng was bij de ontwikkeling van deze interceptietool, noch wat deze inbreng dan precies inhield. In de brief van 13 september 2021 is het Openbaar Ministerie hier enigszins op teruggekomen en is gesteld dat de enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren ten tijde van de ontwikkeling en plaatsing van de interceptietool technische expertise en/of bijstand aan Frankrijk hebben geleverd er niet toe leidt dat het vertrouwensbeginsel opzij dient te worden gezet. In de brief van 2 juni 2022 is vervolgens meer openheid van zaken gegeven en is een uitgebreide uitleg gegeven over de rol van Nederland bij de hack van SkyECC. De rol van Nederland bij de hack blijkt achteraf bezien veel groter te zijn geweest dan in de brief van 30 april 2021 door het Openbaar Ministerie werd gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft in die brief ook ten onrechte gesteld dat sprake zou zijn van een Franse interceptietool. In die zin heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank en de verdediging aanvankelijk onjuist geïnformeerd. Dit maakt echter niet dat de rechtbank van oordeel is dat het Openbaar Ministerie dit bewust heeft gedaan en daarmee een eerlijk verloop van het strafproces zou hebben gefrustreerd. Van bewuste misleiding lijkt geen sprake te zijn geweest. Dit blijkt te meer nu het Openbaar Ministerie zich, evenals de rechtbank, op het standpunt stelt dat het niet uitmaakt of Nederland wel of geen bijstand heeft geleverd bij de ontwikkeling van de interceptietool, aangezien dit niet leidt tot de conclusie dat daarmee de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de inzet ervan verschuift van Frankrijk naar Nederland. Nu het leveren van technische bijstand bij de ontwikkeling in dit kader geen juridisch relevante consequenties heeft, kan uit het gegeven dat de informatie hieromtrent niet direct volledig of juist is weergegeven niet worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie geprobeerd heeft de rechtbank en de verdediging in hun controlerende taak te misleiden. De rechtbank vindt wel dat de informatievoorziening door het Openbaar Ministerie te weinig transparant en zeer moeizaam is verlopen. Doordat het Openbaar Ministerie aanvankelijk slechts zeer beperkt informatie verschafte over de Nederlandse inbreng bij de hack van SkyECC, hebben advocaten in meerdere strafzaken door het hele land veel moeite moeten doen om hierover meer duidelijkheid te krijgen. Dit heeft bij de verdediging geleid tot gevoelens van wantrouwen jegens het Openbaar Ministerie. De rechtbank onderkent uiteraard dat de samenstelling van het procesdossier in beginsel aan het Openbaar Ministerie is en dat de betreffende zaaksofficieren van justitie afhankelijk zijn van diverse andere collega-officieren van justitie om hen van informatie te voorzien. Dat neemt niet weg dat het wenselijk was geweest dat het Openbaar Ministerie vanaf het begin duidelijkheid had verschaft en inzage had gegeven in de Nederlandse bijdrage bij de hack van SkyECC, zoals uiteindelijk pas bij brief van 2 juni 2022 is gedaan. De rechtbank concludeert dat het Openbaar Ministerie tekort is geschoten in de informatievoorziening door niet direct openheid van zaken te geven, maar niet zodanig dat hierdoor een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, met name nu de volledige gang van zaken uiteindelijk in de brief van 2 juni 2022 uiteen is gezet. Forum shopping en misbruik Frans staatsgeheim De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie aan ‘forum shopping’ heeft gedaan door het onderzoek naar SkyECC in Frankrijk te laten plaatsvinden, al dan niet omdat de Nederlandse rechter-commissaris op 30 oktober 2018 geen toestemming gaf om de eventueel op de server van SkyECC aan te treffen berichten zonder voorafgaande toestemming te gebruiken in een strafrechtelijk onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen begin van aannemelijkheid dat sprake is geweest van ‘forum shopping’. De servers van SkyECC bevonden zich in Frankrijk, zodat Nederland niet anders kon dan in contact treden met de Fransen. Aanvankelijk heeft Nederland een EOB aan Frankrijk gericht en de Nederlandse rechter-commissaris daaraan voorafgaand om toestemming verzocht een image van de server te maken. Daarna is Frankrijk uit eigen beweging een (eigen) opsporingsonderzoek gestart waarin met toestemming van de Franse rechter opsporingsbevoegdheden zijn ingezet. De informatie die daaruit is voortgekomen is op grond van de JIT-overeenkomst met de andere partners gedeeld. Uit niets blijkt dat het Nederlandse Openbaar Ministerie of de JIT-partners invloed hebben gehad op de wijze waarop in Frankrijk de opsporingsbevoegdheden zijn ingezet. Evenmin is gebleken dat bewust is aangestuurd op het gebruik van het Frans staatsgeheim. Nu de opsporingsbevoegdheden in Frankrijk zijn toegepast, is het Franse recht daarop van toepassing. Dat de hack daardoor onder Frans staatsgeheim is komen te vallen, kan bezwaarlijk het Nederlandse Openbaar Ministerie worden verweten. Artikel 126aa Sv De verdediging heeft bepleit dat de omstandigheid dat de rechter-commissaris in meer stukken inzage heeft gehad dan de verdediging in strijd is met artikel 126aa Sv, terwijl deze bepaling van toepassing is op een titel V-onderzoek zoals 26Argus. Op grond van deze bepaling dienen de verdediging en de rechtbank ook geïnformeerd te worden over de door de Franse opsporingsautoriteiten verrichte opsporingshandelingen. Daarnaast hadden de Franse machtigingen die wel aan de rechter-commissaris zijn getoond en de JIT-overeenkomst aan de processtukken moeten worden toegevoegd. De rechtbank overweegt dat in artikel 126aa Sv het beginsel van interne openbaarheid is opgenomen. Het eerste lid van dit artikel bepaalt: “De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc, dan wel door de toepassing van artikel 126ff, voorzover die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken.” De Nota naar aanleiding van het Verslag (Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, p. 85) bevat enkele treffende passages die de achterliggende gedachte van artikel 126aa Sv kernachtig weergeven, waaronder: “Het voorgestelde art. 126aa verplicht er toe (…) processen-verbaal te voegen voor zover die voor het onderzoek van de zaak van betekenis zijn. Daaronder vallen niet alleen de processen-verbaal waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het telastegelegde strafbare feit naar voren komt. Ook de processen-verbaal waarvan de rechter moet kennisnemen om de rechtmatigheid van het vooronderzoek dat tot de telastelegging heeft geleid te kunnen beoordelen, dienen in beginsel bij de processtukken te worden gevoegd. (…) Art. 126aa staat derhalve niet toe, dat relevante processen-verbaal niet gevoegd worden. (…) Zeker in het licht van art. 126aa lid 1, staat buiten twijfel dat de relevante processen-verbaal processtukken zijn.” De rechtbank stelt vast dat artikel 126aa Sv onder meer tot doel heeft dat de rechter de rechtmatigheid van het vooronderzoek kan beoordelen. Het bepaalde in artikel 126aa Sv ziet nadrukkelijk op de uitoefening van Nederlandse opsporingsbevoegdheden die zijn genoemd in de titels IVa tot en met Vc, en dus niet op opsporingsbevoegdheden die door Franse opsporingsautoriteiten in Frankrijk zijn toegepast. Nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is op de door Frankrijk ingezette opsporingsbevoegdheden, levert het niet voegen van alle stukken die zien op deze bevoegdheden geen strijd op met het bepaalde in artikel 126aa Sv. Ook de JIT-overeenkomst, waarvan de verdediging heeft gesteld dat het voegen hiervan binnen het bereik van artikel 126aa Sv valt, is niet verkregen door uitoefening van Nederlandse opsporingsbevoegdheden en valt dus buiten het toepassingsbereik van dit artikel. Dat het overeenkomen en ondertekenen hiervan heeft geleid tot het starten van (nader) Nederlands onderzoek, maakt dit niet anders. Voorts is niet gebleken dat bepaalde stukken die zijn verkregen door de toepassing van Nederlandse opsporingsbevoegdheden, waarover artikel 126aa Sv zich uitstrekt, niet aan de processtukken zijn toegevoegd. De omstandigheid dat de rechter-commissaris bij de aanvraag van de machtigingen op grond van de artikelen 126t en 126uba Sv inzage heeft gekregen in meer stukken dan de verdediging en de rechtbank, maakt evenmin dat sprake is van een schending van artikel 126aa Sv. Artikel 126aa Sv ziet niet op de Franse machtigingen die volgens de verdediging wel aan de rechter-commissaris zijn getoond en die niet aan de processtukken zijn toegevoegd, maar enkel op stukken die zijn verkregen door de uitoefening van Nederlandse opsporingsbevoegdheden. Daarnaast dient een beslissing van de rechter-commissaris tot het verlenen van een of meer machtiging(
  4. en)door de zittingsrechter slechts marginaal te worden getoetst. Daarvoor is niet vereist dat alle stukken die aan de rechter-commissaris zijn getoond ook aan de processtukken worden toegevoegd. De stelling van de verdediging dat artikel 126aa Sv is geschonden doordat delen van de machtigingen van de rechter-commissaris van 7 en 11 februari 2021 zijn zwartgelakt, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Artikel 149b Sv bepaalt immers dat de officier van justitie bevoegd is, indien hij dit met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, Sv vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. In dit geval heeft de rechter-commissaris op 13 september 2021 een machtiging op de voet van artikel 149b Sv aan de officier van justitie verleend om bepaalde passages in de machtigingen van 7 en 11 februari 2021 aan de processtukken te onthouden, zodat een uitzondering mocht worden gemaakt op het bepaalde in artikel 126aa Sv. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat geen sprake is van een schending van artikel 126aa Sv, zodat het verweer wordt verworpen. Artikel 6 EVRM en conclusie De vraag die de rechtbank tot slot dient te beantwoorden, is of het recht van verdachte op een eerlijk proces en/of artikel 6 EVRM is geschonden. De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, nu het Openbaar Ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming is voorbijgegaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces. De rechtbank zal niet aan dit criterium toetsen, nu uit het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.5.2 volgt dat dit criterium is bijgesteld. De rechtbank dient enkel het bovenstaande te toetsen. Bij de beoordeling van deze vraag stelt de rechtbank het volgende voorop. Door de verdediging is meermalen gewezen op het beginsel van ‘equality of arms’. Met juistheid heeft de verdediging betoogd dat dit in de rechtspraak aanvaarde beginsel, als wezenlijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces, de door de zittingsrechter uit te voeren toetsing beheerst. Het veronderstelt onder meer dat de verdachte kennis kan nemen van het volledige procesdossier en reële en effectieve mogelijkheden dient te hebben om tegen het hem gemaakte verwijt in te brengen wat hij in het belang van zijn verdediging acht. Ook waar het gaat om de toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek dient de verdachte in de gelegenheid te zijn om, zowel in materieel als in processueel opzicht, deze te betwisten. Op de rechter rust de verplichting erop toe te zien dat aan deze vereisten gedurende de berechting is voldaan. Aan deze vereisten is in het algemeen voldaan als de verdachte, al dan niet naar aanleiding van door of namens hem gedane verzoeken, beschikt over de informatie die redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor de hiervoor bedoelde betwisting. De door de officier van justitie verschafte verantwoording van hetgeen ter opsporing is verricht en ondervonden zal in het licht van de strekking en inhoud van wat ter verdediging wordt dan wel zal worden aangevoerd, op haar inhoudelijke toereikendheid dienen te worden beoordeeld. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren. De rechtbank is hiervoor tot de slotsom gekomen dat de beslissing van de Franse rechter tot goedkeuring van het binnendringen in de servers van EncroChat en SkyECC niet ter toetsing voorligt. Het beginsel van ‘equality of arms’ brengt met zich dat de verdediging toegang moet krijgen tot het bewijs en in beginsel ook tot stukken die kunnen zien op onrechtmatigheden in het onderzoek. Dat er vanwege het beginsel van ‘equality of arms’ evenwel een recht op kennisname door de verdediging van al deze stukken zou bestaan, zou betekenen dat de Nederlandse strafrechter alsnog via een omweg van artikel 6 EVRM de rechtmatigheid van het Franse strafrechtelijke optreden zou kunnen/moeten toetsen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van het internationale vertrouwensbeginsel. In het beginsel van ‘equality of arms’ ligt geen recht tot kennisname van Franse stukken en stukken over internationale samenwerking besloten. Voor het overige moet de verdediging, gelet op wat er is gebleken en door de rechtbank is vastgesteld over de toepassing van de bevoegdheid van artikel 126uba Sv op verdachte, geacht worden belang te hebben bij inzicht in de totstandkoming van de beslissingen die daarop betrekking hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de verdediging onvoldoende was toegerust om verweer te voeren tegen de legitimiteit van de (resultaten van
  5. de)hack op de EncroChat- en SkyECC-toestellen, ook niet door de eerdere afwijzing van bepaalde onderzoekswensen door de rechtbank, waarbij de rechtbank verwijst naar de bij die afwijzing(
  6. en)gegeven motivering. Ook de omstandigheid dat met toepassing van artikel 149b Sv informatie over de aard en werking van de interceptietool definitief is onthouden maakt dit niet anders. Namens of door verdachte is niet gemotiveerd betoogd dat de onderschepte berichten (bijvoorbeeld aan de hand van de communicatie waaraan hijzelf, zoals later zal blijken, heeft deelgenomen) onvolledig of onjuist zijn. Dat betekent dat ook vanuit het oogpunt van een door de verdediging eventueel gewenste betwisting van de integriteit van de interceptie geen belang bij toegang tot de onthouden informatie hoeft te worden aangenomen. Op grond van het voorgaande valt niet in te zien dat de procedure als geheel, mede beoordeeld tegen de achtergrond van de op de formele verweren gegeven beslissingen, in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 6 EVRM en/of het recht van verdachte op een eerlijk proces. De verweren van de verdediging worden verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. 2a.8 De betrouwbaarheid van de EncroChat- en SkyECC-berichten De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden gecontroleerd of het EncroChat- en SkyECC-bewijs betrouwbaar is. De datasets zijn immers niet volledig en het is onbekend hoe veel berichten er in het geheel ontbreken. Dit kan ook niet gecontroleerd worden doordat het Openbaar Ministerie niet meer informatie verschaft over de gebruikte interceptietool. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de berichten bruikbaar zijn voor het bewijs. Uit de stukken blijkt dat niet alle data volledig zijn, maar de data die er zijn, zijn juist. Er is ook geen aanleiding te veronderstellen dat de ingezette techniek niet betrouwbaar is. De rechtbank constateert met de verdediging en de officier van justitie dat de (EncroChat-
  7. en)SkyECC-berichten in het dossier niet volledig zijn. Het is juist dat er berichten ontbreken en dat in sommige gesprekken alle berichten van één van de gesprekspartners ontbreken, zodat van bepaalde gesprekken geen volledig beeld ontstaat. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de berichten die wel in het dossier zijn opgenomen op belangrijke punten bevestiging vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier, zoals later in dit vonnis verder naar voren zal komen. Daarnaast is de verdediging in de gelegenheid gesteld de volledige datasets van de relevante accounts in te zien. Dat in de onderschepte data berichten (kunnen) ontbreken, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de berichten die wel onderschept zijn daardoor onbetrouwbaar zijn. Gelet op de gesprekken die in het dossier zijn opgenomen, stelt de rechtbank vast dat de communicatie tussen de verschillende gebruikers niet onbegrijpelijk of in een onlogische volgorde is verlopen. De conversaties sluiten op elkaar aan en in de meeste gesprekken weten de gebruikers met wie zij in contact staan. De verdediging heeft verder ook niet aangevoerd welke gesprekken of berichten niet volledig zouden zijn of waarom de verkregen data onbetrouwbaar zouden zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verkregen EncroChat- en SkyECC-data voldoende betrouwbaar zijn om te kunnen worden gebruikt voor het bewijs. 2a.9 Verzoek om aanhouding van de zaak De verdediging heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en aansluiting te zoeken bij de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, dan wel de beantwoording van deze vragen af te wachten, als de rechtbank niet tot de conclusie komt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging of dat de EncroChat- en SkyECC-data dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zoals door de verdediging is bepleit. Daarnaast is verzocht in dat geval ook de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de aan hem gestelde prejudiciële vragen af te wachten. De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om zich aan te sluiten bij de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen vragen aan de Hoge Raad of de beantwoording van deze vragen en/of de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen vragen af te wachten. De rechtbank acht zich na de inhoudelijke behandeling, bestudering van alle stukken en nadere bestudering van de jurisprudentie voldoende voorgelicht en in staat een beslissing te nemen. Met betrekking tot de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen prejudiciële vragen geldt dat niet aannemelijk is dat de eventuele beantwoording van deze vragen relevant zal zijn voor de in deze zaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissingen, nu deze vragen in een Duitse zaak worden gesteld en samenhangen met het oordeel van de Duitse rechters dat er een EOB was vereist voor interceptie van berichten op telefoons die zich in Duitsland bevonden, terwijl Duitsland geen partner was bij het JIT. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in hoe deze prejudiciële vragen relevant zouden kunnen zijn voor de onderzoeken Nigeria, Tienhoven en Seegat. Het is bovendien nog onduidelijk of en zo ja, wanneer de Hoge Raad de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen prejudiciële vragen in behandeling zal nemen en al dan niet zal beantwoorden. Een vergelijking met de gang van zaken bij lopende cassatieprocedures dringt zich hier op: zolang de Hoge Raad nog niet gesproken heeft, plegen de rechtbanken de zaken voort te zetten en zeker niet een inhoudelijke behandeling aan te houden. Bij de hierboven geschetste stand van zaken vindt de rechtbank het niet noodzakelijk om de behandeling van deze zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van dit traject. De rechtbank ziet ook geen aanleiding eventuele ‘ontwikkelingen’ in Frankrijk en Italië af te wachten, zoals de verdediging terloops heeft verzocht. De relevantie hiervan is gesteld noch gebleken. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek af. 2b. Overwegingen ten aanzien van het gebruik van de gegevens uit de onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van het onderzoek aan de Apple iPhone 6 met imei-nummer [imei-nummer] sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zodat de resultaten van dat onderzoek van het bewijs moeten worden uitgesloten. Volgens de raadsman zijn berichten, chats, notities, foto’s, filmpjes en een contactenlijst uit de telefoon bekeken en is daardoor een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van verdachte verkregen. Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588) heeft de raadsman gesteld dat het onderzoek daarom alleen met toestemming van de rechter-commissaris had mogen plaatsvinden. Nu die toestemming ontbreekt is volgens de raadsman een belangrijk strafvorderlijk voorschrift geschonden en behoren de resultaten van het onderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Die bewijsuitsluiting strekt ertoe – zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de raadsman – om schending van artikel 6 EVRM te voorkomen, dan wel als rechtsstatelijke waarborg om te voorkomen dat in de toekomst een vergelijkbaar vormverzuim zal plaatsvinden. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de telefoon met toestemming van de officier van justitie in beslag is genomen en dat nadien aan de telefoon onderzoek is verricht. Uit het proces-verbaal dat van dat onderzoek is opgemaakt (p. 7978 e.v.) valt op te maken dat van de data op de telefoon een kopie gemaakt, dat die kopie beschikbaar is gesteld aan het onderzoeksteam TGO Nigeria en dat het onderzoeksteam met politiesoftware de gekopieerde data verder heeft onderzocht. In het proces-verbaal worden alleen de door de politie voor het onderzoek relevant geachte onderzoeksresultaten beschreven. Daaruit valt op te maken dat is nagegaan welke telefoonnummers in het toestel zijn gebruikt, dat de locaties van het toestel zijn bekeken, dat in op het toestel opgeslagen notities en foto’s zijn bekeken, dat (de aanmaakdata van) contacten zijn bekeken en dat berichten zijn bekeken die via de applicatie Whatsapp zijn gewisseld met voor het onderzoek relevant geachte contactpersoon. Het proces-verbaal biedt geen informatie over de onderzoeksvraag en de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Of van de gekopieerde data volledig is kennisgenomen of dat daarin gericht naar de beschreven resultaten is gezocht kan uit het proces-verbaal niet worden afgeleid. Ter zitting heeft de officier van justitie toegelicht dat voorafgaand aan het telefoononderzoek hierover met hem is gesproken en dat hij voor het onderzoek akkoord heeft gegeven. Uit het door de raadsman aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt dat de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren ex artikel 94 Sv voldoende legitimatie biedt voor onderzoek aan een inbeslaggenomen smartphone. Dergelijk onderzoek kan echter onrechtmatig jegens de gebruiker zijn als het zo verstrekkend is dat daardoor een min of meer compleet beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker. In dat geval zal het onderzoek door de officier van justitie moeten plaatsvinden. In gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, is onderzoek door de rechter-commissaris aangewezen. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat met het uitgevoerde onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de telefoon is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet komen vast te staan dat hier sprake was van een situatie waarin op voorhand was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zou zijn en waarin het onderzoek dus door of in opdracht van de rechter-commissaris had moeten plaatsvinden. Dat uit een telefoon doorgaans veel informatie over het persoonlijke leven van de gebruiker kan worden afgeleid en dat bij een ongericht onderzoek mogelijk volledige inzage in die informatie wordt verkregen, is onvoldoende om ieder onderzoek waarbij inzage in de in een telefoon opgeslagen gegevens wordt verkregen als zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aan te merken. In bijzondere gevallen zou dat anders kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer vooraf of gaandeweg het onderzoek voorzienbaar is dat medische gegevens, communicatie met geheimhouders of andere gevoelige gegevens worden verkregen of wanneer sprake is van een onderzoek dat erop is gericht verkregen gegevens nader te analyseren of combineren. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake was. In dit geval was inschakeling van de rechter-commissaris dus niet vereist. De telefoon is met toestemming van de officier van justitie in beslag genomen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit die toestemming ook de toestemming (en de opdracht) om onderzoek aan de telefoon te doen. Bovendien volgt uit de toelichting van de officier van justitie ter zitting dat hij akkoord heeft gegeven alvorens het onderzoek daadwerkelijk werd uitgevoerd. Van een vormverzuim als door de raadsman bedoeld is dus geen sprake. Het verweer wordt verworpen. 2c. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] (feit 1, primair) en de voorbereidingen daartoe (feit 2). Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [medeverdachte 4] of [medeverdachte 5] heeft benaderd om te helpen de VW Transporter weg te zetten die bij de moord is gebruikt. Er kan geen beschikkingsmacht van verdachte met betrekking tot de VW Transporter, de VW Golf 6 of de Renault Megane worden vastgesteld. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte een rol had bij het (laten) ophalen van de bij de liquidatie gebruikte Renault Mégane. De gesprekken over ‘tik bez’, ammoniak en ‘iemand die paraat staat’ met respectievelijk [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn niet redengevend voor het bewijs. Dit zijn allemaal nietszeggende omstandigheden. Voorts kan niet worden vastgesteld dat verdachte wapens heeft geleverd ten behoeve van de liquidatie. Verder kan uit de omstandigheid dat op bepaalde momenten de telefoons van medeverdachten aanstraalden op de zendmast aan de Wisselwerking in Diemen niet worden afgeleid dat zij op die momenten verzamelden in de woning van verdachte. Dat verdachte contacten heeft gehad met medeverdachten impliceert nog niet dat hij een bijdrage aan het delict heeft geleverd. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte van 3 tot en met 6 juli 2020 gebruik heeft gemaakt van het SkyECC-account E76H3Q. Dat verdachte geen verklaring heeft afgelegd kan niet meewegen in de bewijsoverwegingen, nu geen sprake is van omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs. Er zijn bovendien contra-indicaties voor betrokkenheid van verdachte bij het feit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid het dubbel opzet niet kan worden bewezen, voor zover al sprake is van enige relevante bijdrage van verdachte aan het delict. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank zal de feiten, gelet op de verwevenheid, gelijktijdig beoordelen. Zij stelt daartoe de volgende feiten en omstandigheden vast. Schietincident Op 6 juli 2020 rond 8.30 uur heeft een schietincident plaatsgevonden aan de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen. Ter plaatse aangekomen verbalisanten troffen een man aan die op dat moment werd gereanimeerd. Het slachtoffer betrof [slachtoffer] . Hij is overleden in de ambulance. Forensisch onderzoek slachtoffer Het NFI heeft onderzoek verricht aan het lichaam van [slachtoffer] , in de vorm van een uit- en inwendige schouwing. De conclusie van het NFI is dat er zeven schotletsels zijn vastgesteld, die samen drie doorschoten en één inschot vormden. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door één doorschot van de romp. Bij dit doorschot was onder andere sprake van perforatie van beide borstholten en de rechterlong, hetgeen tot acute ademhalingsstoornissen leidt. Tevens was bij dit doorschot sprake van perforatie van het hart, hetgeen acute hartfunctiestoornissen veroorzaakt. Ten slotte leidt perforatie van de longen, het hart en de lever tot hevig bloedverlies. Deze ademhalingsstoornissen en hartfunctiestoornissen en dit bloedverlies verklaren het overlijden zonder meer. De overige schotletsels kunnen op zich het overlijden niet verklaren, maar kunnen wel hebben bijgedragen aan de snelheid van het overlijden, aldus het NFI. Getuigenverklaring plaats delict Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 6 juli 2020 rond 8.30 uur vanaf de rotonde van de Wilhelminalaan in Beuningen de Burgemeester Geradtslaan opreed. Ter hoogte van de frietzaak zag zij twee mannen van rechts naar links over de weg rennen. Een van hen stopte op de linker weghelft en de ander op de rechter weghelft. De beide mannen begonnen vanaf daar te schieten op een man in witte werkkleding die uit een gangetje tussen de frietzaak en het appartementencomplex vandaan kwam. Het doelwit zakte vervolgens in elkaar, waarna de schutters wegrenden richting een witte bus. Forensisch onderzoek plaats delict Tijdens het forensisch onderzoek op de plaats delict aan de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen werden de volgende munitie(onderdelen) aangetroffen: vijf hulzen van het kaliber 9mm (SIN-nummers: AAJB3614NL, AAJB3615NL, AAJB3616NL, AAJB3617NL en AAJB3618NL); twee hulzen van het kaliber 7.65mm (AAJB3611NL en AAJB3612NL) en één van het kaliber .32 (AAJB3613NL); een gedeformeerd projectiel (kogelpunt, AAJB3610NL); een gedeformeerde mantel van een projectiel (kogelpunt, AAMK7010NL); en een gedeformeerd deel van een kogelpunt (AAJB3619NL). In de buik van het slachtoffer werd een projectiel aangetroffen (AAMU3928NL). Het NFI heeft vergelijkend kogel- en hulsonderzoek verricht naar de aangetroffen en in beslag genomen munitie. Het vergelijkend hulsonderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de acht hulzen zijn verschoten met twee (verschillende) vuurwapens. De conclusie van het NFI is dat de bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de drie aangetroffen hulzen met kaliber 7.65mm Browning (AAJB3611NL, AAJBN3612NL en AAJB3613NL) zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen, dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Dezelfde conclusie geldt met betrekking tot de vijf aangetroffen hulzen met kaliber 9mm Parabellum (AAJBN3614NL tot en met AAJB3618NL). De drie hulzen met kaliber 7.65mm Browning zijn vermoedelijk verschoten met een (semi-) automatisch werkend machinepistool van het kaliber 7.65mm Browning, type Skorpion. De vijf hulzen met kaliber 9mm Parabellum zijn vermoedelijk verschoten met een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Glock. Het vergelijkend kogelonderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de vier kogels/kogeldelen zijn afgevuurd uit minimaal twee lopen. Voor twee van de drie aangetroffen kogels van het kaliber 7.65mm Browning (AAJB3610NL en AAMU3928NL) geldt dat de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de kogels zijn afgevuurd uit één en dezelfde loop dan wanneer de kogels zijn afgevuurd uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Voor de derde kogel (AAJB3619NL) geldt dat de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek ongeveer even waarschijnlijk zijn wanneer deze is afgevuurd uit één en dezelfde loop als de andere twee kogels dan wanneer de kogels zijn afgevuurd uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Voor de derde kogel (AAJB3619NL) geldt dat het ongeveer even waarschijnlijk is dat deze is afgevuurd uit één en dezelfde loop als de andere twee kogels dan dat de kogels zijn afgevuurd uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. Het aangetroffen kogelmanteldeel, onder andere passend bij het kaliber 9mm Parabellum (AAMK7010NL), is verschoten uit een andere loop dan de drie overige kogels. Tussenconclusie: De rechtbank concludeert op basis van de bevindingen van het NFI dat er met twee wapens geschoten is op de plaats delict. Betrokken voertuigen Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat bij het schietincident en de voorbereiding daarvan diverse voertuigen betrokken zijn geweest. Achtereenvolgens zullen hierna de betrokkenheid van een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 1] (hierna: VW Transporter); een zwarte Renault Megane met kenteken [kenteken 2] (hierna: Renault Megane); een zwarte Volkswagen Golf 6 met kenteken [kenteken 3] (hierna: zwarte VW Golf 6); een rode Volkswagen Golf 4 met kenteken [kenteken 4] (hierna: rode VW Golf 4) en een witte VW Up met kenteken [kenteken 5] (hierna: VW Up) worden besproken. (
  8. a)De VW Transporter met (vals) kenteken [kenteken 1] Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 6 juli 2020 op de Burgemeester Geradtslaan zag dat twee mannen een man in witte kleding neerschoten en vervolgens hard naar een witte of crèmekleurige VW Transporter bus liepen die aan de zijkant van de weg stond. Hij zag vervolgens dat die bus met een rotgang weg reed in de richting van de Haagstraat. In het midden van de kentekenplaat van de bus zag hij de letters “ [kenteken 1] ” staan. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij – na het horen van schoten – twee mannen naar een witte bestelbus, vermoedelijk een VW Transporter, zag rennen en dat zij zag dat het busje direct wegreed. In de omgeving van de plaats delict zijn door de politie camerabeelden opgevraagd. Op de camerabeelden van de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen, ter hoogte van perceel 93, is te zien dat op 6 juli 2020 tussen 8:17:36 en 8:17:39 uur een VW Transporter over de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen rijdt, komend uit de richting van de Haagstraat en rijdend in de richting van de rotonde met de Wilhelminaweg en dus in de richting van de plaats delict. De VW Transporter komt qua kleur en uitvoering overeen met de VW Transporter die door de daders bij de liquidatie op de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen is gebruikt. De VW Transporter is uitgevoerd met een personencompartiment en een laadruimte. De laadruimte is vanaf de rechter zijkant van het voertuig te benaderen door middel van een schuifdeur die voorzien is van een geblindeerde ruit. Vanuit de ruit in het rechter voorportier is er zicht in het personencompartiment. Na onderzoek van het bewegende beeldmateriaal lijkt het dat één persoon, de bestuurder, in het personencompartiment aanwezig is. De politie heeft verder camerabeelden verkregen van de dashcams van verschillende auto’s. Op de dashcambeelden van een Tesla is onder andere te zien dat de Volkswagen Passat (hierna: VW Passat), met kenteken [kenteken 6] , van het slachtoffer op 6 juli 2020 tussen 8.20 en 8.21 uur geparkeerd staat aan de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen. Verder is te zien dat een VW Transporter half in een parkeervak en half op de fietsstrook stil staat op de Burgemeester Geradtslaan, drie parkeervakken achter de VW Passat van het slachtoffer. Op de beelden is te zien dat de VW Transporter op dat moment aan de voorzijde is voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Op de dashcambeelden van een Ford Ka is te zien dat op 6 juli 2020 rond 8.24 uur het bestuurdersportier van de VW Passat van het slachtoffer geopend is. De auto staat nog op dezelfde plek. Verder is te zien dat de VW Transporter met kenteken [kenteken 1] inmiddels geheel in de parkeerhaven staat, verspreid over de eerste twee parkeervakken achter die waar de VW Passat van het slachtoffer geparkeerd staat. Op camerabeelden die werden opgenomen vanuit de [adres] is onder andere te zien dat op 6 juli 2020 om 8:29:21 uur een witte VW Transporter met hoge snelheid vanuit de richting van het Thorbeckeplein komt en in de richting van de Haagstraat gaat. Deze VW Transporter voldoet aan de kenmerken van de VW Transporter waarin de verdachten na het schietincident zijn weggereden. Geverbaliseerd is dat de chauffeur de enige inzittende lijkt te zijn in de cabine van het voertuig. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op 6 juli 2020 rond 8.35 uur in de tuin naast haar woning stond. Vanuit haar tuin had zij vrij zicht op de Alex Willemsstraat in Winssen. Zij zag een witte bus in de Alex Willemsstraat parkeren. Vervolgens zag zij een jongeman met een donkere huidskleur vlug aan de bestuurderszijde uit de bus stappen. De man liep vervolgens voor de bus langs op een normale manier naar een zwarte auto. De man stapte rechtsachter in de zwarte auto. De zwarte auto werd van binnenuit geopend. Deze zwarte auto stond ongeveer 30 meter verderop in de Alex Willemsstraat geparkeerd, aan de linkerzijde tegen de heg. De achterlichten van de auto brandden. De auto stond er al toen de bus aankwam. Nadat de man was ingestapt, reed de auto met een normale snelheid weg. [getuige 4] heeft de auto niet zien komen aanrijden. De auto stond er al voordat de bestuurder van het witte busje instapte. [getuige 4] heeft niet gezien hoeveel personen er in de zwarte auto zaten. Op 6 juli 2020 rond 13.00 uur kwam de politie ter plaatse aan de Alex Willemsstraat in Winssen. Zij zagen onder andere een witte bus die voorzien was van kenteken [kenteken 1] op de parkeerplaats naast het aldaar gelegen grasveld staan. De lampen van deze bus waren op dat moment nog aan. De bus bleek te zijn gestolen. Het chassisnummer van het voertuig betrof [chassisnummer 1] . [eigenaar VW Transporter] heeft op 22 juni 2020 aangifte gedaan van de diefstal van zijn VW Transporter met kenteken [kenteken 7] en chassisnummer [chassisnummer 1] . Hij verklaarde dat de auto tussen 21 juni 2020 rond 23.55 uur en 22 juni 2020 rond 9.10 uur door onbekenden was weggenomen in Amsterdam. Het kenteken [kenteken 1] heeft 7 ANPR-registraties in de periode van 21 juni 2020 tot en met 6 juli 2020. Zes keer ging het om een blauwe VW Transporter die origineel voorzien is van het betreffende kenteken en één keer ging het om de gestolen witte VW Transporter met valse kentekenplaten. Deze witte Transporter is op 4 juli 2020 om 16.56 uur door de ANPR-camera aan de A15 rechts, bij hectometerpaal 121.1, locatie Deil-Oost, gefotografeerd. (
  9. b)Zwarte VW Golf met kenteken [kenteken 3] Uit de ANPR-blokbevraging van de ANPR-registratie van kenteken [kenteken 1] is gebleken dat op 4 juli 2020 om 16.56:16 uur een zwarte VW Golf 6 met kenteken [kenteken 3] , de ANPR-locatie passeerde, zijnde één seconde voor de registratie van de witte VW Transporter met het kenteken [kenteken 1] . Deze zwarte VW Golf 6 komt die dag vaker in beeld. Op 4 juli 2020 om 6.52 uur is de zwarte VW Golf 6 met het kenteken [kenteken 3] de trajectcontrole op de A2 rechts ter hoogte van Breukelen gepasseerd. Op camerabeelden van de woning aan de [adres] is onder andere te zien dat op 4 juli 2020 om 17.22:30 uur een Witte VW Transporter in beeld komt, komende uit de richting van de rotonde Wilhelminalaan/Trajanussingel/Thujapark en rijdend in de richting van de Van Heemstraweg in Beuningen. Dit voertuig is hierna tot 17.45 uur niet meer in beeld gekomen. Op de camerabeelden van de woning aan de [adres] van 4 juli 2020 is te zien dat om 17.22:05 uur een zwarte VW Golf 6 in beeld komt, komende uit de richting van de rotonde Wilhelminalaan/Trajanussingel/Thujapark en rijdend in de richting van de Van Heemstraweg in Beuningen. Om 17.37:19 uur komt ditzelfde voertuig weer in beeld, komende uit de richting van de Van Heemstraweg en gaand in de richting van de rotonde Wilhelminalaan/Trajanussingel/Thujapark in Beuningen. (
  10. c)De Renault Megane met (vals) kenteken [kenteken 2] Het onderzoeksteam van de politie is nagegaan of er op de dag van het delict of kort daarna autobranden zijn gemeld, omdat er bij liquidaties geregeld vluchtauto’s worden ingezet die na een delict in brand worden gestoken om sporen te wissen. Landelijke navraag wees uit dat op 7 juli 2020 rond 00.28 uur aan de Bergumermeer in Zaandam een autobrand had plaatsgevonden. Het betrof een Renault Megane met kenteken [kenteken 2] met chassisnummer [chassisnummer 2] . Op de passagiersstoel van het voertuig lag een zwarte jerrycan. De jerrycan was leeg en rook naar benzine. Door [benadeelde 1] was op 28 juni 2020 aangifte gedaan van de diefstal van een Renault Megane met kenteken [kenteken 8] en chassisnummer [chassisnummer 2] . Hij heeft verklaard dat de Renault Megane tussen 28 juni 2020 rond 17.35 uur en 30 juni 2020 rond 6.45 uur in De Lier door onbekenden was weggenomen. De eigenaar van het voertuig waartoe kenteken [kenteken 2] behoort, [eigenaar Renault Megane] , heeft verklaard dat haar auto in de periode van 30 juni tot en met 7 juli 2020 alleen is gebruikt om boodschappen te doen in Hoorn. Haar auto is in die periode Hoorn niet uit geweest. Het kenteken [kenteken 2] heeft de volgende ANPR-registraties: 4 juli 2020 om 21.36 uur op de A10 rechts bij hectometerpaal 29.2, locatie Coentunnel (het voertuig rijdt noordwaarts door de Coentunnel); 5 juli 2020 om 8.24 uur op de A15 rechts bij hectometerpaal 121.1, locatie Deil-Oost (het voertuig rijdt in oostelijke richting, naar knooppunt Valburg); 5 juli 2020 om 8.59 uur op de A2 links bij hectometerpaal 72.4, locatie Vianen (het voertuig rijdt noordwaarts richting Zaandam/Amsterdam); 5 juli 2020 om 10.14 uur op de A15 rechts bij hectometerpaal 121.1, locatie Deil-Oost (het voertuig rijdt in oostelijke richting, naar knooppunt Valburg); 5 juli 2020 om 13.14 uur op de A50 rechts bij hectometerpaal 164.3, locatie Grijsoord-Zuid (het voertuig rijdt noordwaarts richting A12/Arnhem); 5 juli 2020 om 13.56 uur op de A12 links bij hectometerpaal 38.6, locatie Nieuwerbrug (het voertuig rijdt in westelijke richting); 6 juli 2020 om 6.49 uur op de A15 rechts bij hectometerpaal 121.1, locatie Deil-Oost (het voertuig rijdt in oostelijke richting, naar knooppunt Valburg); 6 juli 2020 om 8.58 uur op de A15 links bij hectometerpaal 150.6, locatie Valburg-West (het voertuig rijdt in westelijke richting); 6 juli 2020 om 9.29 uur op de A2 links bij hectometerpaal 72.4, locatie Vianen (het voertuig rijdt noordwaarts); 6 juli 2020 om 10.03 uur op de A10 rechts bij hectometerpaal 29.2, locatie Coentunnel (het voertuig rijdt noordwaarts richting Zaandam/Amsterdam). Camerabeelden Beuningen 6 juli 2020 Op camerabeelden van de woning aan de [adres] is onder andere te zien dat op 6 juli 2020 om 7.29:46 uur een donkerkleurige personenauto in beeld komt die lijkt op de in Zaandam aangetroffen Renault Megane. De opvallende velgen van dit voertuig lijken ook op de beelden te zien te zijn. De auto komt uit de richting van de Haagstraat en gaat in de richting van Weurt. Om 7.31:20 uur rijdt dezelfde auto over dezelfde weg, maar dan de andere kant op. Om 7.32:06 uur en om 7.33:22 uur gebeurt hetzelfde. Om 7.55:54 uur komt de auto weer voorbij. Te zien is dat de auto rijdt tot de afslag naar de parkeerplaats bij de begraafplaats. De remlichten van de auto gaan branden. Om 7.56:57 uur is te zien dat de auto de parkeerplaats van de begraafplaats oprijdt. Hierna komt de personenauto pas om 8.30:12 uur weer in beeld. Om 8.29:54 uur komt een witte VW Transporter voorbijrijden die lijkt op de door de daders gebruikte VW Transporter. Op de beelden lijkt het dat de VW Transporter om 8.29:59 uur de parkeerplaats van de begraafplaats op rijdt. Om 8.30:12 uur is te zien dat een Renault Megane uit de richting van de begraafplaats komt en over de Van Heemstraweg in de richting van de Haagstraat rijdt. Op camerabeelden van de woning aan de [adres] is te zien dat op 6 juli 2020 om 8.29:42 uur een witte VW Transporter voorbijreed in de richting van de Lindenstraat en de Haagstraat. Op camerabeelden van een restaurant aan de [adres] is te zien dat op 6 juli 2020 om 8.32:23 uur een zwarte Renault Megane voorbijrijdt. Voorin de zwarte Renault Megane zitten twee personen. Op de camerabeelden is niet zichtbaar of er ook personen achter in het voertuig zaten. De Renault Megane was voorzien van opvallende honingraatvormige lichtmetalen velgen, een kleine dakspoiler, een vaste, zwarte trekhaak en lichtkleurige deurgrepen, buitenspiegelkappen en dakrails. Op camerabeelden van dezelfde camera is te zien dat om 8.32:26 uur, op korte afstand achter de Renault Megane, een witte VW Transporter rijdt. Er lijkt alleen een bestuurder in het voertuig te zitten op dat moment. Er was geen goed zicht op eventuele inzittenden in de laadruimte. De rit van de [adres] naar de rotonde bij de [adres] is ongeveer 1,5 kilometer lang en is normaliter in 2 minuten te overbruggen. Gelet op de verschillen in tijden van de camerabeelden, heeft de VW Transporter hier 2 minuten en 41 seconden over gedaan. De Van Heemstraweg loopt vanuit Beuningen onder de A50 door in de richting van Winssen. Op camerabeelden van Koopmans Installatie Techniek aan de Van Heemstraweg 12 in Ewijk, ongeveer 2,4 kilometer vanaf de [adres] , is te zien dat om 8.35:11 uur een Renault Megane en om 8.35:18 uur een VW Transporter in beeld komen. De op de camerabeelden van de Van Heemstraweg zichtbare Renault Megane en VW Transporter komen sterk overeen met de in Zaandam aangetroffen Renault Megane en met de in Winssen aangetroffen VW Transporter. Op de camerabeelden van de Notaris Stephanus Roesstraat 2B in Winssen is te zien dat om 8.37:03 uur vermoedelijk dezelfde zwarte Renault Megane, op korte afstand gevolgd door vermoedelijk dezelfde witte VW Transporter, komende uit de richting van de Van Heemstraweg op de rotonde de eerste afslag neemt in de richting van het centrum van Winssen. Voorin de Renault Megane zaten twee personen. Er kon niet worden gezien of er iemand achterin zat. In de VW Transporter zat de bestuurder. Er kon niet worden gezien of er mensen in de laadruimte zaten. Om 8.42:01 uur komt de Renault Megane op dezelfde camera weer in beeld, maar de VW Transporter niet meer. De VW Transporter is daarna niet meer op camerabeelden in Winssen te zien. Op de camerabeelden van de [adres] is te zien dat om 8.40:19 uur de vermoedelijk zelfde zwarte Renault Megane met opvallende velgen voorbij komt rijden. De auto verdwijnt vervolgens in de richting van de Alex Willemsstraat 12. Op de camerabeelden van de [adres] is te zien dat om 8.40:24 uur vermoedelijk dezelfde zwarte Renault Megane in beeld komt. Deze slaat rechtsaf op de kruising met de Jan Libottéstraat en de Hendrik de Haardtstraat, in de richting van de Molenweg. De verbalisant die de beelden heeft bekeken, vermoedt dat het kenteken bestaat uit de combinatie [kenteken 2] . Camerabeelden Beuningen 5 juli 2020 Op de camerabeelden van het Shell tankstation aan de Schoenaker 3 in Beuningen is onder andere te zien dat op 5 juli 2020 om 10.41:03 uur een zwarte Renault Megane met opvallende velgen over de rotonde rijdt, komend uit de richting van de A73. Om 10.41:06 uur is te zien dat de Renault Megane doorrijdt over de Schoenaker in de richting van de Van Heemstraweg in Beuningen. Op de camerabeelden is niet te zien of de Renault Megane deze route later ook weer heeft teruggereden. Op de camerabeelden van de [adres] is te zien dat de Renault Megane op 5 juli 2020 om 10.42:57 uur komt aanrijden uit de richting van de kruising van de Van Heemstraweg en de Schoenaker. De Renault Megane rijdt vervolgens de rotonde rond en rijdt om 10.43:11 weer terug in de richting van de kruising van de Van Heemstraweg en de Schoenaker. Om 10.44:13 uur komt de Renault Megane vanuit de richting van de kruising van de Van Heemstraweg en de Schoenaker weer teruggereden. Op de beelden is niet te zien of de Renault op de rotonde rechtdoor rijdt of deze driekwart neemt. Op de beelden van de [adres] is te zien dat de Renault Megane om 12.49:40 uur vanuit de richting van de kruising van de Haagstraat en de Van Heemstraweg komt aanrijden. Op de beelden van de [adres] is te zien dat de Renault Megane vervolgens, om 12.49:53 uur in de richting van de kruising van de Schoenaker en de Van Heemstraweg rijdt. Op de beelden van de [adres] is verder te zien dat op 5 juli 2020 om 11.21:44 uur een witte VW Transporter in beeld komt, komend vanuit de Wilhelminalaan. De VW Transporter rijdt de rotonde op en de Van Heemstraweg in. Om 11.22:13 uur rijdt deze VW Transporter weer over de Van Heemstraweg, maar nu neemt deze op de rotonde de afslag naar de Wilhelminalaan. De VW Transporter heeft dezelfde kenmerken als de VW Transporter met (vals) kenteken [kenteken 1] . [medeverdachte 1] huurder VW Golf [kenteken 3] Uit de kentekenbevraging van de zwarte VW Golf 6 met kenteken [kenteken 3] is gebleken dat dit voertuig op naam stond van [eigenaar VW Golf 6] . [eigenaar VW Golf 6] heeft verklaard dat hij de zwarte VW Golf 6 heeft verhuurd aan [medeverdachte 1] . Hij heeft daarbij een huurovereenkomst overgelegd waarin wordt bevestigd dat vanaf 26 juni 2020 [medeverdachte 1] de huurder is en waarop [medehuurder VW Golf 6] staat vermeld als tweede bestuurder. (
  11. d)De rode VW Golf 4 [kenteken 4] De rode VW Golf 4 met kenteken [kenteken 4] is op 4 juli 2020 om 6.52 uur bekeurd op de trajectcontrole op de A2 rechts ter hoogte van Breukelen. Hierboven is reeds vastgesteld dat de zwarte VW Golf 6 met kenteken [kenteken 3] ook op 4 juli 2020 om 6.52 uur is bekeurd op de trajectcontrole op de A2 rechts ter hoogte van Breukelen. Op de beschikbare camerabeelden van 4 juli 2020 in Beuningen is ten aanzien van VW Golf met kenteken [kenteken 4] het volgende te zien: 7.58.54 uur: Een ogenschijnlijk identieke Volkswagen Golf komt in beeld bij de camera aan de [adres] . Het voertuig komt uit de richting van de A73 / Trajanussingel. Het voertuig rijdt richting de Burgemeester Geradtslaan. De reistijd vanaf de locatie waar de VW Golf op 4 juli 2020 is geflitst tot de Wilhelminalaan in Beuningen bedraagt circa een uur. 08.03.50 uur: Een ogenschijnlijk identieke VW Golf komt in beeld bij de camera aan de [adres] . Het voertuig komt uit de richting van de Wilhelminalaan / Thorbeckeplein. Het voertuig rijdt richting het Amaliaplein/ Haagstraat. Aan de hand van Google Maps blijkt dat de afstand tussen de [adres] en de [adres] circa 750 meter bedraagt met een reistijd van circa twee
(2)minuten. 08.07.07 uur: Een ogenschijnlijk identieke VW Golf komt in beeld bij de camera aan de [adres] . Het voertuig komt uit de richting van de [adres] / Thorbeckeplein / Amaliaplein. Het voertuig stopt op de t-splitsing en keert. Het voertuig rijdt achteruit de Sprankel in en rijdt vervolgens over de Burgemeester Geradtslaan weer terug in de richting van het Amaliaplein /Thorbeckeplein. Aan de hand van Google Maps blijkt dat de afstand tussen de [adres] en de [adres] circa 450 meter bedraagt met een reistijd van circa één
(1)minuut. 08:10.56 uur: Een ogenschijnlijk identieke VW Golf komt in beeld bij de camera aan de [adres] . Het voertuig komt uit de richting van de [adres] en rijdt in de richting van het Thorbeckeplein / Wilhelminalaan. 08.26 uur: de VW Golf met het kenteken [kenteken 4] komt in beeld bij de camera’s van het Shell tankstation aan de Schoenaker 3 te Beuningen. Na het bezoek aan het tankstation rijdt het voertuig weg over de Schoenaker in de richting van de rijksweg A73. Aan de hand van Google Maps blijkt dat de afstand tussen de [adres] en het Shell tankstation aan de Schoenaker 3 te Beuningen, via de Van Heemstraweg, circa 2,8 kilometer bedraagt met een reistijd van circa vier
(4)minuten. Op de camerabeelden van het Shell tankstation aan de Schoenaker 3 in Beuningen van 4 juli 2020 om 8.26:36 uur is te zien dat een roodkleurige VW Golf met kenteken [kenteken 4] voor het eerst in zicht komt op de rotonde van de Schoenaker in Beuningen. Om 8.26:43 uur rijdt de rode VW Golf 4 het terrein van de Shell op. Om 8.26:53 uur stopt deze bij pomp 5, waarna om 8.27:03 een persoon gekleed in onder andere een korte broek en een geel T-shirt uitstapt vanaf de zitplaats linksachter. Om 8.27:48 uur gaat deze persoon de shop van het tankstation binnen. Om 8.31:31 uur verlaat de man de shop. De man heeft een bus olie en een lichtkleurige papieren trechter in zijn rechterhand. Hij loopt naar de rechterzijde van de rode VW Golf 4 en steekt zijn hand door het geopende raam van het rechter voorportier. Gezien zijn houding, spreekt hij iemand aan. Om 8.32:07 uur opent de man het linker voorportier van de rode VW Golf
  1. Daarna loopt hij naar voren en opent de motorkap. Vervolgens vult hij de olie bij. Terwijl hij dit doet, wordt het raam van het rechter voorportier gesloten. Om 8.33:15 uur gooit de man de gebruikte attributen weg om vervolgens naar het linker achterportier te lopen, deze te openen en in te stappen. Om 8.33:22 uur rijdt de rode VW Golf 4 weg. Bij het verlaten van het terrein om 8.33:29 uur is te zien dat in het voertuig drie personen zitten: de bestuurder, rechtsvoor een persoon met lichtkleurige kleding en linksachter de man met het gele T-shirt. De rode VW Golf 4 rijdt vervolgens linksaf de Schoenaker in Beuningen op in de richting van de A
  2. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij zichzelf op de beelden van het tankstation herkent. Hij heeft verklaard dat de rode Volkswagen Golf die op de camerabeelden van de Shell te zien is van zijn vriendin, [ex-vriendin 3 medeverdachte 6] , was. Deze was alleen bij hem en zijn vriendin in gebruik. ( e) De VW Up [kenteken 5] Getuige [getuige 5] heeft op 6 juli 2020 om 11.06 uur gebeld met
  3. Zij heeft verklaard dat zij na het schietincident (die dag aan de Burgemeester Geradtslaan in Beuningen) papieren heeft opgeraapt rondom het slachtoffer. Op dat moment zag zij een kleine witte auto, volgens haar een Peugeot 107, waarvan het kenteken begin met “ [kenteken 5] ” de plaats van het incident passeren. Zij durft niet met zekerheid te zeggen dat het een Peugeot 107 was, maar het was zo’n soort auto. In de auto zaten twee donkere mannen van in de 30 die veel oog hadden voor het slachtoffer. Op de dashcambeelden van de Tesla is te zien dat op 6 juli 2020 om 8.20 uur een VW Up achteruit geparkeerd stond op de parkeerplaats aan het Thorbeckeplein in Beuningen, nabij de achteringang van huisartsenpraktijk Theeuwen, gevestigd aan de Wilhelminalaan 45 in Beuningen. Vanuit de positie waar de VW Up geparkeerd stond, is er overzicht over de gehele parkeerplaats aan het Thorbeckeplein. Een medewerker van de huisartsenpraktijk verklaarde tegen de politie dat de praktijk vóór 8.30 uur geen afspraken had met cliënten en geen bezoek had voorafgaand aan dit tijdstip. De VW Up was blijkens de camerabeelden voorzien van een gele kentekenplaat aan de voorzijde, een donkerkleurige rechterbuitenspiegel, donkerkleurige handgrepen aan de rechterzijde, vijf deuren en lichtgrijze wieldoppen/lichtmetalen velgen die aan de voorkant donkerder zijn dan achter. Op de dashcambeelden van de Ford Ka is te zien dat op 6 juli 2020 om 8.25 uur de VW Up niet meer bij de achteringang van de huisartsenpraktijk staat, maar een aantal parkeerplaatsen is verplaatst in de richting van de daar staande hoogwerker. Ook nu stond het voertuig achteruit ingeparkeerd. Het voertuig heeft naar alle waarschijnlijkheid de stadsverlichting aan. Op 6 juli 2020 om 8.33 uur rijdt de Tesla in tegenovergestelde richting langs de plaats delict. Dat is na het schietincident. Op de dashcambeelden van de Tesla is de VW Up dan niet meer te zien op de parkeerplaats van het Thorbeckeplein. Wel is de fiets van getuige [getuige 5] vermoedelijk op deze beelden te zien om 8.33:13 uur. Ook is zijzelf op de beelden te zien. Op de camerabeelden van de [adres] is te zien dat [getuige 5] naar alle waarschijnlijkheid om 8.41:05 uur wegfietst vanaf de plek waar zij haar fiets had neergezet. Nu [getuige 5] heeft verklaard dat zij een kleine witte auto met een kenteken dat begon met “ [kenteken 5] ” de plaats van het incident had zien passeren op het moment dat zij weer bij haar fiets stond om weg te gaan, concludeert de politie dat zij deze witte auto tussen 8.33 uur en 8.41 uur gezien moet hebben. Op de camerabeelden van de [adres] van 6 juli 2020 om 8.34:43 uur is een witte VW Up waargenomen met vijf deuren en aan de linkerzijde een donkerkleurige buitenspiegel en donkerkleurige handgrepen, hetgeen overeenkomt met de kenmerken van de VW Up die eerder bij de huisartsenpraktijk aan het Thorbeckeplein geparkeerd stond. Tussen 8.34:43 uur en 9.00 uur is er blijkens de camerabeelden van de [adres] geen witte VW Up de camera gepasseerd. Wanneer de meest logische route wordt gereden om Beuningen vanaf de [adres] te verlaten, wordt een camera gepasseerd op de kruising van de Nieuwe Pieckelaan met de Hogelandseweg. De afstand van de [adres] naar deze camera bedraagt ongeveer drie kilometer en levert een reistijd van vier minuten op wanneer met de maximaal toegestane snelheid wordt gereden. Op de camerabeelden van de kruising van de Nieuwe Pieckelaan met de Hogelandseweg die op 6 juli 2020 tussen 8.34 uur en 9.00 uur zijn opgenomen, komt één witte VW Up in beeld vanuit de richting van de plaats van het schietincident. Dat is het geval om 8.39 uur, ongeveer 4 minuten nadat de witte VW Up te zien was op de camerabeelden van de [adres] . Dat komt overeen met de reistijd volgens Google Maps. De VW Up is voorzien van zwarte handgrepen op de portieren aan de linkerzijde en van donkerkleurige spiegels. Het kenteken betreft [kenteken 5] . Het raam aan de bestuurderszijde staat ongeveer 10 centimeter open. Aan de hand van de beschikbare camerabeelden van 6 juli 2020 is door de politie een tijdlijn gemaakt van de momenten dat een witte VW Up met dezelfde kenmerken als de VW Up met kenteken [kenteken 5] in beeld komt, al dan niet in combinatie met andere in het onderzoek naar voren gekomen voertuigen. De tijdlijn is als volgt: Om 6.21 uur is een witte VW Up te zien op de camerabeelden van de [adres] . Deze komt aanrijden vanuit de richting van de A73 en rijdt over de Wilhelminalaan in de richting van de Burgemeester Geradtslaan. De VW Up is voorzien van een zwarte buitenspiegel en zwarte handgrepen aan de linkerzijde. De velg/wieldop aan de voorzijde is donkerder dan aan de achterzijde, vermoedelijk door remstof; Om 6.25 uur komt een ogenschijnlijk identieke VW Up in beeld op de camera aan de [adres] . Het voertuig komt uit de richting van het Thorbeckeplein en rijdt in de richting van het Amaliaplein; Om 6.32:35 uur komt een ogenschijnlijk identieke VW Up in beeld op de beelden van het Amaliaplein 15 in Beuningen. Het lijkt erop dat het voertuig een rondje rijdt over de parkeerplaats van het Amaliaplein; Om 6.33:26 uur komt een ogenschijnlijk identieke VW Up in beeld op de beelden van de [adres] . Het voertuig komt uit de richting van het Amaliaplein en rijdt in de richting van het Thorbeckeplein. Om 6.38:56 is hetzelfde te zien. De camera heeft van 6.35:26 tot 6.36:31 uur geen beelden opgenomen; Om 7.28:40 uur komt op de camerabeelden van de [adres] een Renault Megane in beeld die komt aanrijden vanuit de richting van Winssen in de richting van de begraafplaats. Deze Renault Megane heeft dezelfde kenmerken als de Renault Megane die in Zaandam is aangetroffen; Om 7.29:46 uur komt een ogenschijnlijk identieke Renault Megane in beeld op de camera van de Van [adres] . Het voertuig komt uit de richting van de [adres] en rijdt in de richting van de begraafplaats. Om 7.31:20 uur komt een ogenschijnlijk identieke Renault Megane wederom in beeld, maar nu rijdt deze in tegenovergestelde richting. Om 7.32:03 uur komt de Renault Megane weer in beeld, komend uit de richting van de [adres] en rijdend in de richting van de begraafplaats. Op de beelden van de [adres] is de auto in de tussentijd niet te zien geweest; Om 7.32:12 uur komt een ogenschijnlijk identieke VW Up in beeld op de camera van de [adres] in Beuningen. Het voertuig komt uit de richting van de Wilhelminalaan en slaat rechtsaf in de richting van de Haagstraat

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.