vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/323456 / HA ZA 17-364 Vonnis van 23 februari 2022 in de zaak van de naamloze vennootschap ALLIANZ BENELUX N.V., gevestigd te Brussel, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem, tegen [gedaagde in conv] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. G.S. Ebbeng-Horstman te Nijmegen. Partijen zullen hierna Allianz en [gedaagde in conv] worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 17 februari 2021 de brief met aanvullende producties 16 en 17 van [gedaagde in conv] van 26 mei 2021 de conclusie van antwoord in reconventie met producties 8 t/m 12 van Allianz het rolbericht van Allianz van 7 juni 2021 met overlegging van de processtukken uit de hoger beroepprocedure het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 juni 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Op 10 juni 2006 is [gedaagde in conv] , toen 16 jaar oud, op zijn bromfiets aangereden door een ingevolge de WAM bij Allianz verzekerde auto (hierna: het ongeval). Allianz heeft aansprakelijkheid erkend. [gedaagde in conv] ervaart sinds het ongeval (lage) rugklachten. 2.2. Op gezamenlijk verzoek van partijen en op basis van een tussen partij en overeengekomen vraagstelling heeft orthopeed [naam 1] (hierna: [naam 1] ) in zijn rapportages van 7 juli 2011 en 19 september 2011 over de ongevalsgevolgen op zijn vakgebied gerapporteerd. In het rapport van [naam 1] van 7 juli 2011 staat onder meer: IV. HUIDIGE KLACHTEN De klachten zijn al die jaren na het ongeval vrijwel altijd min of meer hetzelfde geweest. 's Nachts heeft hij geregeld last. Het gebeurt dat hij drie keer per nacht wakker wordt, soms maanden in het geheel niet, van pijn in de rug. Er is geen speciale ochtendstijfheid. Doorgaans ontstaat er in de loop van de dag een mate van gevoeligheid in de rug, afhankelijk van de belasting. Maar ook niet belastende activiteiten zoals zitten leveren op enig moment pijn op in de rug. Hij kan het zitten niet echt lang volhouden, hij moet dan gaan staan of lopen. De pijn is gelokaliseerd in de onderrug, oefentherapie helpt daarvoor niet echt. Ook bij lang lopen krijgt hij op enig moment last van de lage rug, dat trekt dan naar het linkerbeen, op wisselende plaatsen in het linkerbeen: soms bovenbeen, voorzijde en buitenzijde, soms naar het onderbeen en de enkel, ook enigszins aan de buiten- en achterzijde. (...) Bij het werk heeft hij last als hij lang voorover moet buigen onder een motorkap, of als hij zware voorwerpen moet tillen zoals bijvoorbeeld autowielen. (...) Bij zijn vrijetijdsbezigheden, met name het bezig zijn met auto's, heeft hij een lichte mate van hinder zoals hij dat ook op het werk heeft. Tijdens en na het bezoek van auto-evenementen is er altijd sprake van een hinderlijk gevoel in de rug. (…) VII. SAMENVATTING De heer [gedaagde in conv] is nu 21. Op 10-06-2006, nu bijna 5 jaar geleden, heeft hij bij een ongeval (van de bromfiets gereden door een auto) waarschijnlijk een flinke contusie/distorsie opgelopen van de lage rug. Ook op andere plekken was er sprake van contusies. Een halfjaar voor dit ongeval heeft hij ook bij een bromfietsongevalletje de rechterbekkenkam beschadigd, hij had daarna geen rugklachten. Gedocumenteerd is in de stukken dat hij in 1998 en in 2003 uit een boom is gevallen, beide keren is daarna gedocumenteerd eenmaal een melding geweest bij de huisarts van rugklachten. Anamnestisch, en van de moeder van betrokkene die bij onderzoek en vraaggesprek aanwezig is, hoor ik dat die rugklachten na beide genoemde ongevallen al gauw, binnen weken, helemaal over waren, en daarna heeft hij geen rugklachten meer gehad tot het ongeval van 10-06-2006. Nadat de pijn van de diverse kneuzingen was weggetrokken bleef pijn in de rug bestaan. Hij heeft daarvoor 12 dagen na het ongeval de huisarts geconsulteerd, die dacht aan een contusie. Fysiotherapie is voorgeschreven. Hij hield echter klachten, waarvan hij ook veel last had bij zijn stages voor zijn opleiding tot tweede automonteur. Er is in september 2007, toen hij de huisarts opnieuw consulteerde vanwege de rug (15 maanden na het ongeval) röntgenonderzoek verricht van de lage rug waarbij geen duidelijke afwijking is geconstateerd. Hij heeft erg lang en veel fysiotherapie gehad en vervolgens lang en vele malen Cesartherapie, dit laatste hielp wel enigszins voor de klachten, maar toch zijn de klachten eigenlijk min of meer altijd hetzelfde gebleven, gemakkelijk te provoceren. In december 2010 is opnieuw röntgenonderzoek verricht waarbij een geringe vormafwijking zichtbaar is geworden. De klacht is een verminderde belastbaarheid van de rug bij zijn werk en vrijetijdsbezigheden. Soms uitstraling, als de pijn in de rug flink is, naar het linkerbeen: voorzijde bovenbeen en achterzijde onderbeen. (…) VIII. OVERWEGING EN CONCLUSIE De anamnese en de informatie uit de stukken geven mij een beeld van de uitgangssituatie en de gebeurtenissen. Op grond van dat beeld en de objectieve onderzoeksbevindingen kom ik tot de volgende overwegingen. Het is niet uitgesloten dat bij het ongeval van 10-06-2006 een beschadiging is opgetreden van een laaglumbale tussenwervelschijf. Argumenten: vóór dit ongeval was er gedurende lange tijd gedocumenteerd geen sprake van rugklachten. Klachten over de rug zijn anamnestisch in aansluiting aan het ongeval ontstaan, en hebben nadien steeds voortbestaan. Het ging om een ongeval waarbij een discusbeschadiging kon optreden, gezien de aard en de intensiteit van het trauma. De uitstralende pijn heeft nooit zo op de voorgrond gestaan, maar is toch steeds wel een factor geweest die in de loop van de tijd na het ongeval van 10-06-2006 steeds provoceerbaar is geweest. Ik heb niet de beschikking over een onderzoek naar de conditie van de tussenwervelschijven, zoals een MRI. Het lijkt me, om een eventuele discusbeschadiging aan te tonen of uit te sluiten dat een MRI daarvoor nodig is. (...) IX. BEANTWOORDING VAN UW VRAGEN (…) 1. DE SITUATIE MET ONGEVAL (…) Consistentie d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? (…) Antwoord : d. De aard en de intensiteit van de klachten van betrokkene (huidige anamnese) komt in grote lijnen overeen met de gegevens die daarover zijn vermeld in de stukken. Ik kan (nog) niet stellen dat er sprake is van een medische causaliteit: ik weet namelijk niet of er in de lage rug sprake is van een annulaire discusbeschadiging. Daartoe zou meer onderzoek nodig zijn, zie ook VIII. overweging. (…) 2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft? (…) Antwoord : a. Het is onaannemelijk dat er voor het ongeval van 10-06-2006 sprake was van een afwijking, anders dan de genoteerde torsie in de rug eerste tot tweedegraads. Anamnestisch waren er voor het ongeval gedurende jaren geen klachten over de rug. (…) Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? (…) Antwoord : c. Er zijn geen andere klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest als het ongeval niet zou zijn gebeurd. (…) 3. Overig Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? Antwoord : Mijn advies is een MRI te vervaardigen, teneinde de situatie in de lage rug te kunnen beoordelen, als er daar sprake is van een annulaire beschadiging dan is een medisch oorzakelijk verband aan te nemen tussen het ongeval en die beschadiging, gezien de argumenten, genoemd in VIII. overweging. 2.3. In het aanvullende rapport van 19 september 2011 van [naam 1] staat, voor zover van belang: Naar aanleiding van uw brief van 11-08-2011 heb ik een MRI-onderzoek aangevraagd van de lage rug (…). Met betrekking tot VIII. overweging moet ik nu noteren dat er bij het ongeval van 10-06-2006 geen blijvende beschadiging in de lage rug is opgetreden. Er is geen verklaring voor de continuïteit van de klachten, op mijn vakgebied en ik moet stellen dat er ook geen verklaring is voor de aard van de klachten en het provocatiepatroon. VIII. overweging, moet nu als volgt luiden: Er is bij fysische diagnostiek en beeldvormende diagnostiek geen afwijking aantoonbaar, die kan worden toegeschreven aan het ongeval van 10-06-2006. Hoewel de klachten over de rug anamnestisch in aansluiting aan het ongeval zijn ontstaan, en hij daarvóór, gedurende lange jaren, geen rugklachten heeft gehad, daarvoor geen huisarts had geconsulteerd, moet ik stellen dat er op mijn vakgebied geen aanknopingspunt is voor de aard en de continuïteit van de klachten na het ongeval. Ik kan dus niet spreken over een medisch oorzakelijk verband tussen het ongeval enerzijds en de klachten en anamnestische beperkingen anderzijds. Met betrekking tot de beantwoording van de vragen moet ik u thans melden dat antwoord ld. nu moet luiden: de aard en de intensiteit van de klachten van betrokkene (huidige anamnese) komt in grote lijnen overeen met de gegevens die erover vermeld zijn in de stukken. Ik kan echter niet stellen dat er sprake is van een medisch oorzakelijk verband. Er is bij het ongeval geen blijvende beschadiging opgetreden van enige structuur in de rug. (…) Antwoord 2. (…) De antwoorden c. (…) blijven zoals die in het rapport zijn genoteerd. 2.4. Per 1 januari 2013 heeft [gedaagde in conv] het garagebedrijf waarin hij ten tijde van het ongeval werkzaam was, overgenomen. Vanaf genoemde datum is hij werkzaam als zelfstandige en heeft hij één vaste monteur in dienst. Gedurende enige tijd is de toenmalige vriendin van [gedaagde in conv] ook werkzaam geweest in het bedrijf. Zij verrichtte administratieve taken. Sinds het verbreken van die relatie verricht [gedaagde in conv] deze werkzaamheden weer zelf. 2.5. In een e-mailbericht van 3 mei 2013 heeft de behandelaar Personenschaden van Allianz aan de advocaat van [gedaagde in conv] , voor zover van belang, als volgt bericht: Uit de expertise komt naar voren dat er pre-existent al sprake was van rugklachten in 1998, 2003 en 2005 zijn hier klachten van gesignaleerd. Bij het MRI onderzoek ten behoeve van de expertise werd een midlumbale scoliose vastgesteld en de conclusie die hieruit wordt getrokken is dat de afwijking niet het gevolg is van het ongeval. In medisch opzicht kan er dan niet worden gesproken van klachten die uit het ongeval voortvloeien. U bent in de overtuiging dat er sprake is van een juridische causaliteit, echter bij het ontbreken van een medisch causaal verband en een duidelijk alternatieve oorzaak van deze klachten kunnen we niet spreken van een luxerend moment. De rugklachten zijn halfjaar na het ongeval, voor het eerst gemeld toen hij al was begonnen met zijn opleiding als monteur. Dus is er ook geen consistente signalering van dit klachtenpatroon. Nu doet de situatie zich voor dat uw client vanwege de rugklachten geen AOV kan afsluiten. U vraagt ons om dit risico te verzekeren of de kosten voor het afsluiten de verzekering voor onze rekening te nemen. Met onze afdeling acceptatie heb ik hierover overleg gehad. Helaas gelden hier dezelfde acceptatienormen en hogere premie voor deze rugproblematiek. Nu wij voldoende gemotiveerd hebben weerlegd dat de rugklachten niet door het ongeval komt, zie ik hier geen schadepost in. 2.6. Bij beschikking van 7 november 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, in een deelgeschilprocedure tussen partijen voor recht verklaard dat sprake is van (juridisch) causaal verband tussen de klachten zoals omschreven in de expertiserapporten van [naam 1] van 7 juli 2011 en 19 september 2011 en het ongeval van 10 juni 2006. 2.7. [gedaagde in conv] heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering aangevraagd bij De Amersfoortse Verzekeringen. Deze aanvraag is afgewezen. In de afwijzingsbrief van 1 april 2014 staat, voor zover van belang: U heeft chronische rugklachten na een ongeval in 2006. U gebruikt pijnstillers en af ten toe moet u tijdens uw werk oefeningen doen om uw pijn te verlichten. Deze medische gegevens geven een te hoog verzekeringsgeneeskundig risico. Dit is helaas niet te normaliseren door bijvoorbeeld beperkende voorwaarden of premietoeslagen op te leggen. 2.8. Op gezamenlijk verzoek van partijen en op basis van een tussen partijen overeengekomen vraagstelling heeft verzekeringsgeneeskundige mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een expertise verricht. In haar rapport van 26 januari 2015, voorzien van een Functionele Mogelijkhedenlijst, staat onder meer: Hoewel orthopedisch expert [naam 1] geen verklaring heeft voor toename van klachten bij langdurige statische houdingen, moet dit wel worden beperkt omdat deze klachten anamnestisch sinds het ongeval bestaan. Van discopathieklachten is bekend dat deze bij statische houdingen toenemen. In algemene zin betekent dit dat betrokkene beperkt moet worden geacht voor het volhouden van langdurige statische houdingen en het verrichten van zware dynamische activiteiten. Omdat de discus klachten kan geven bij eenzijdige compressie zijn langdurig gebogen houdingen belastend. Afwisseling van houding is gewenst. Er zijn geen absolute beperkingen te stellen. Er is geen reden voor een urenbeperking indien er rekening wordt gehouden met de belasting. (...) FML (...) De basiswaarden in de FML laat een zeer minimale belastbaarheid zien, die hier met de belastbaarheid van betrokkene niet gauw zal leiden tot beperkingen. Ik heb er daarom voor gekozen bij de normale belasting toch een maximum aangegeven, voor zover de arbeidsdeskundige daar behoefte aan heeft. Ten aanzien van duwen, trekken, tillen of dragen acht ik het maximale van 25 kilogram zoals gewenst via de Arbo-wetten van toepassing. Het is van groot belang dat er met regelmaat de mogelijkheid bestaat tot het afwisselen van statische en dynamische activiteiten. (...) 2.9. Bij e-mailbericht van 9 juli 2015 heeft Allianz, naar aanleiding van overleg tussen partijen over een voorgenomen arbeidsdeskundig onderzoek, de advocaat van [gedaagde in conv] , voor zover relevant, als volgt bericht: (...) Ik kan instemmen met vragen 1 tot en met 4. Wel verzoek ik u de vraagstelling in te leiden met de volgende zin: “Ik verzoek u een arbeidsdeskundig oordeel te geven naar aanleiding van het bijgevoegde expertiserapport, de rapportage van de verzekeringsarts, de beschikking van de rechtbank en de medische adviezen. Er ontbreekt een duidelijk beeld tussen klachten die wel en geen ongevalsgevolg zijn. De rapportages vermelden duidelijk dat de gestelde beperkingen licht van aard zijn, (...)”. 2.10. Op gezamenlijk verzoek van partijen en op basis van een tussen partijen overeengekomen vraagstelling heeft arbeidsdeskundige [naam 3] een expertise verricht. In de brief van 19 september 2016 waarin door partijen gezamenlijk opdracht wordt gegeven aan [naam 3] staat dat hij bij zijn onderzoek dient uit te gaan van 1) het - door de rechtbank vastgestelde - causale karakter tussen het ongeval en de klachten en 2) de beperkingen zoals deze door [naam 2] zijn geduid. In zijn rapport van 23 december 2016 schrijft [naam 3] onder meer: 8.4 Beantwoording van de vraagstelling (...) 1. Kunt u een (naar tijdsbesteding en soort werkzaamheden gespecificeerd) overzicht geven van de werkzaamheden van betrokkene in zijn bedrijf? Antwoord: (...) Ik heb het aantal werkuren gemaximeerd tot 3.000 uur per jaar (gemiddeld 60 uur per week). Gemiddeld 60 uur per week is al een forse maar nog wel aanvaardbare arbeidsbelasting. 2. Wilt u gemotiveerd aangeven of, en zo ja, in welke mate betrokkene in staat is alle voorkomende werkzaamheden binnen zijn bedrijf te verrichten, gelet op de ongevalsgerelateerde klachten die de rechtbank heeft overgenomen uit het rapport van [naam 1] en gezien het daarop aansluitende beperkingenprofiel dat de verzekeringsarts heeft opgesteld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Welke werkzaamheden behoren in dat geval eventueel wel tot de mogelijkheden? Antwoord: Ik verwijs voor het antwoord naar 8.1. Betrokkene is gelet op de zwaarte van het werk en de gestelde medische beperkingen gedeeltelijk arbeidsongeschikt te beschouwen voor zijn eigen arbeid. De uitval ten opzichte van 3.000 uur per jaar is 873 uur (circa 30%). Betrokkene heeft de meeste uitval in de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, omdat deze het meest rugbelastend zijn. Met name de beperking voor staand werken (maximaal zes uur per dag) is een belangrijke oorzaak van de uitval, naast het werken in voorovergebogen houding. 3. Indien u van oordeel bent dat betrokkene niet in staat is alle voorkomende werkzaamheden binnen het bedrijf te verrichten: acht u het reëel dat betrokkene personeel heeft aangetrokken om deze werkzaamheden te verrichten? Zo ja, acht u de omvang daarvan reëel? Antwoord: Ik acht het reëel dat betrokkene zijn uitval heeft opgevangen door inzet van personeel. (...) Betrokkene heeft de kosten ook beperkt door een leerlingmonteur aan te nemen en deze zelf te begeleiden. (...) Uitgaande van een uitval van 873 uur is er behoefte aan gemiddeld 17,5 uur per week opvang van de uitval. De arbeid van de monteur is dus deels te beschouwen als opvang van de uitval en deels noodzakelijk vanwege het werkaanbod. De verhouding is ongeveer 50-50. In geld uitgedrukt kun je stellen dat de helft van de loonkosten te beschouwen is als gevolg van het ongeval. (...) 2.11. Bij dagvaarding van 7 juli 2017 heeft Allianz onderhavige bodemprocedure aanhangig gemaakt. Allianz heeft de rechtbank verzocht op de voet van art. 1019cc lid 3 aanhef en onder a Rv de mogelijkheid van hoger beroep te openen tegen de beschikking in deelgeschil van 7 november 2013. Bij vonnis van 2 augustus 2017 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep van de genoemde beschikking toegestaan. 2.12. [gedaagde in conv] heeft begin 2018 een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt en verzocht, kort samengevat, voor recht te verklaren dat Allianz gebonden is aan het rapport van arbeidsdeskundige [naam 3] en Allianz te veroordelen tot medewerking aan een rekenkundig onderzoek. Bij beschikking van 15 maart 2018 heeft deze rechtbank de verzoeken van [gedaagde in conv] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen: 4.2. (...) In de rapportages van de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige is uitgegaan van het in de deelgeschilbeschikking van 7 november 2013 vastgestelde juridisch causaal verband tussen de klachten van [gedaagde in conv] zoals omschreven in de expertiserapporten van [naam 1] en het ongeval. (...) Met het door Allianz ingestelde beroep tegen de in de deelgeschilbeschikking gegeven verklaring voor recht met betrekking tot het juridisch causaal verband, is het uitgangspunt dat de basis vormt voor alle hiervoor genoemde rapportages thans (opnieuw) ter discussie komen te staan. Een andersluidend oordeel van het hof omtrent het juridisch causaal verband heeft, zoals door [gedaagde in conv] ter zitting ook is bevestigd, gevolgen voor de uitkomst (en bruikbaarheid) van de rapportages van de verschillende deskundigen. (...) Het mag zo zijn dat met de benoeming van een rekenkundige tijdwinst zal zijn geboekt als in hoger beroep uiteindelijk blijkt dat het oordeel van de deelgeschilrechter in stand blijft en in de bodemprocedure geoordeeld wordt dat Allianz gebonden is aan de verrichte deskundigenonderzoeken, zoals [gedaagde in conv] stelt, maar daartegenover staat dat als dat oordeel in hoger beroep geen stand houdt de conclusie zal moeten zijn dat de reeds verrichte deskundigenonderzoeken niet bruikbaar zijn, evenals een daarop gebaseerd rekenkundig onderzoek. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat toewijzing van de onderhavige verzoeken van [gedaagde in conv] op dit moment kan en zal bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Het verzoek stuit daarom af op artikel 1019z Rv. 2.13. Bij brief van 30 juli 2019 heeft (de medisch adviseur van) Allianz de aanvraag van [gedaagde in conv] voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgewezen. In deze brief staat, voor zover van belang: (...) De reden dat ik Allianz heb geadviseerd uw aanvraag af te wijzen is de overbelasting eind 2018, de burnout die verband hield met werkdrukte in april 2017, dat u begin 2017 gedurende een langere periode klachten heeft gehad van draaiduizeligheid, welke u in 2014 ook al heeft gehad, de in 2007 geconstateerde S-vormige scoliose van de thoracolumbale wervelkolom met daarbij een toegenomen thoracale kyfose en een versterkte lumbale lordose, en de chondromalacie van de knieschijf in 1999. Door de in een korte periode terugkerende en zeer recente overbelastingsklachten bestaat een verhoogd risico dat u opnieuw psychische klachten krijgt. Ook de draaiduizeligheid had een recidiverend karakter. Verder is de oorzaak van deze duizeligheid niet gevonden, waardoor ik het risico hiervan op arbeidsongeschiktheid niet goed kan inschatten. De gevonden scoliose van de wervelkolom kan, zeker in combinatie met uw beroep, leiden tot rugklachten en daardoor tot arbeidsongeschiktheid. En door chondromalacie van de knieschijf kan vroegtijdige slijtage ontstaan. (...) 2.14. Bij arrest van 28 januari 2020 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Allianz niet ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking in deelgeschil van 7 november 2013 en van het vonnis van 2 augustus 2017. Het hof heeft daartoe overwogen: 2.8. Allianz heeft aangevoerd dat zij niet in de beslissing in deelgeschil van 7 november 2013 heeft berust maar dat zij vooral (ook) heeft willen meewerken aan een minnelijke oplossing van het tussen partijen gerezen geschil (met name over verlies verdienvermogen). Daarnaast stelt Allianz dat zij haar bezwaren tegen het rapport van verzekeringsgeneeskundige [naam 2] steeds heeft herhaald en dat zij ook “heeft aangekondigd dat naar alle waarschijnlijkheid op enig moment in hoger beroep moet worden gekomen van het deelgeschil, zodat Allianz door dit expliciet te melden haar rechten en weren heeft voorbehouden” (sub 2 pleitnotitie comparitie 7 mei 2019). Om met dit laatste te beginnen: het hof heeft nergens in de stukken enig (expliciet) voorbehoud aangetroffen, alleen [gedaagde in conv] meldt in de memorie van antwoord (sub 17) dat Allianz in een bericht van 24 augustus 2016 in het kader van de onderhandelingen die mogelijkheid heeft genoemd. Die brief heeft het hof niet aangetroffen in het dossier, hetgeen wel op de weg van Allianz had gelegen; over de precieze inhoud of formulering kan het hof aldus geen uitspraak doen in het kader van de wens (wil) van Allianz haar rechten uitdrukkelijk voor te behouden. Het is juist dat Allianz heeft mee willen werken aan de totstandkoming van de verzekeringsrapportage en nadien ook van de arbeidsdeskundige rapportage in het kader van een verdere minnelijke regeling. Uit de onder 2.6 weergegeven e-mailwisseling leidt het hof af dat Allianz haar vraagtekens had bij de omvang van de schade (verlies verdienvermogen en/of het inzetten van een vervangende kracht) maar nergens leest het hof dat Allianz het (juridisch) causaal verband tussen de klachten zoals omschreven in de expertiserapporten uit 2011 van [naam 1] en het ongeval alsnog ter discussie heeft willen stellen. Allianz is een professionele partij en van haar had mogen worden verwacht dat zij haar recht op het aanspannen van een bodemprocedure na het deelgeschil uitdrukkelijk zou voorbehouden ondanks haar verdere medewerking aan de totstandkoming van een verzekeringsgeneeskundige (en nadien arbeidsdeskundige) rapportage. In de hiervoor onder 2.6 weergegeven e-mails schrijft Allianz zélf dat uitgegaan moet worden van de beslissing van de rechtbank (deelgeschil van 7 november 2013) en van de verzekeringsgeneeskundige rapportage. Door jarenlang -zonder voor [gedaagde in conv] of zijn belangenbehartiger kenbaar voorbehoud- mee te gaan in het traject na de beslissing in deelgeschil waarvoor de basis is gelegd voor de verdere rapportages van de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige heeft Allianz bij (ook de belangenbehartiger van) [gedaagde in conv] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Allianz berustte in de beslissing in deelgeschil van 7 november 2013 en dit oordeel niet in een bodemprocedure alsnog aan de orde zou (willen) stellen. Dat betekent dat Allianz in haar hoger beroep van dit deelgeschil niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 2.9. Ten overvloede overweegt het hof nog het navolgende. Ook als Allianz in haar hoger beroep zou worden ontvangen, kan dit niet tot vernietiging van de beschikking van 7 november 2013 leiden. Allianz heeft het bestaan van de rugklachten niet betwist. Evenmin heeft Allianz gemotiveerd betwist dat (zoals [naam 1] uitdrukkelijk constateert) [gedaagde in conv] voor het ongeval gedurende lange jaren geen rugklachten heeft gehad, daarvoor geen huisarts had geconstateerd en de klachten in aansluiting aan het ongeval zijn ontstaan. Dat het in deze zaak niet om een whiplash gaat doet er niet aan af dat in dit geval ondanks het ontbreken van een medisch objectieve verklaring voor de klachten, causaal verband tussen ongeval en rugklachten kan worden aangenomen. Allianz heeft het causaal verband onvoldoende gemotiveerd bestreden door te wijzen op het ontbreken van een medisch objectieve verklaring en een bestaande rugafwijking bij [gedaagde in conv] ten tijde van het ongeval (een pre-existente scoliose en niet ongevalsgerelateerde kleine hernia’s). Dat is onvoldoende, alleen al omdat Allianz onvoldoende concreet heeft toegelicht hoe de specifieke rugklachten van [gedaagde in conv] daarmee in verband zouden kunnen staan. Onvoldoende concreet in dit verband is de enkele niet nader onderbouwde stelling dat deze afwijkingen kunnen leiden tot langdurige klachten. Allianz heeft niet (voldoende concreet) betoogd dat [gedaagde in conv] de klachten die hij nu heeft ook zou hebben gekregen als het ongeval niet zou hebben plaatsgehad. Uit het rapport van [naam 1] kan dit ook niet worden afgeleid. Voor zover het ten tijde van het ongeval al bestaan van de rugafwijking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.